Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10225

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
13/00773 t/m 13/00800
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:CA2197, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Verzwegen Zwitsers vermogen. Uitnodiging zitting adres in Thailand. Niet-ontvankelijk incidenteel hoger beroep. Weigering nadere stukken inspecteur na beperkte heropening. Gerechtigd tot Zwitserse bankrekening. Schending informatieplicht. Omkering en verzwaring bewijslast. Redelijke schatting. Verlengde navorderingstermijn. Vernietiging boeten Vergoeding immateriële schade. Informatiebeschikking later jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2861
V-N 2018/11.4 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 01-12-2017
FutD 2017-3042
Mr. M. Akhloufi annotatie in NTFR 2018/434
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummers 13/00773 tot en met 13/00800

uitspraakdatum: 21 november 2017

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (Thailand) (hierna: belanghebbende) en

het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 4 juni 2013, nummers AWB 08/3421 tot en met 08/3432, 10/2410 tot en met 10/2420, 11/4141 tot en met 11/4144 en tegen de uitspraak van de Rechtbank van 4 juni 2013 met nummer AWB 12/3377 in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

alsmede de Minister voor rechtsbescherming.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1994 tot en met 2005 belastingaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd met verhogingen/ boeten (hierna verder boeten), voor de jaren 1995 tot en met 2000 belastingaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) met boeten, voor de jaren 2000 tot en met 2005 belastingaanslagen in de premie Ziekenfonds zelfstandigen (hierna: Zfw) met – behalve voor het jaar 2004 – boeten en voor de jaren 2001 tot en met 2003 belastingaanslagen in de premie arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (hierna: WAZ) met boeten. Daarbij is telkens heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de belastingaanslagen, de boeten en de beschikkingen inzake de heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De Rechtbank heeft belanghebbende in de zaken met nummers AWB 08/3421 tot en met 08/3432, 10/2410 tot en met 10/2420, 11/4141 tot en met 11/4144 gedeeltelijk in het gelijk gesteld.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft dit incidentele appel schriftelijk beantwoord. Voorts zijn door partijen nadere stukken ingediend.

1.5.

De Inspecteur heeft voorts ten name van belanghebbende een informatiebeschikking vastgesteld met betrekking tot de voor het jaar 2008 op te leggen aanslag IB/PVV 2008.

1.6.

De Inspecteur heeft het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.7.

Belanghebbende is tegen die uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep met registratienummer AWB 12/3377 ongegrond verklaard en belanghebbende een termijn gesteld van zes weken om alsnog de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken.

1.8.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

Tot de stukken van het geding behoren de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben.

1.10.

Het eerste onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 8 september 2015 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede - namens de Inspecteur - mr. [B] , [C] en mr. [D] .

1.11.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan partijen verzonden.

1.12.

Het Hof heeft vervolgens het vooronderzoek op voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend.

1.13.

Het tweede onderzoek ter zitting, een zogenoemde regiezitting, heeft plaatsgehad op 19 april 2016 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [E] als de gemachtigde van belanghebbende alsmede mr. [F] , [C] en mr. [G] namens de Inspecteur.

1.14.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan partijen verzonden.

1.15.

Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest van het Hof van Justitie EU van 15 februari 2017, X, nr. C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119. De Inspecteur heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

1.16.

Het derde onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 26 september 2017 te Arnhem. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof niet verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen en gehoord: mr. [B] , [C] en mr. [F] .

1.17.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren [in] 1959 en heeft als roepnaam [X1] . Volgens de gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) heeft belanghebbende ingeschreven gestaan op de volgende adressen:

  • -

    van 15 februari 1959 tot 13 november 1997, [a-straat] 17A te [H] ;

  • -

    van 13 november 1997 tot 30 november 2011, [b-straat] 39 te [I] ;

Nadien is hij vertrokken naar [c-street] [Z] Thailand.

2.2.

De (toenmalige) partner van belanghebbende, [J] , is geboren [in] 1958 en heeft volgens de GBA op de volgende adressen ingeschreven gestaan:

  • -

    van 8 augustus 1958 tot 14 november 1997, [d-straat] 40 te [I] ;

  • -

    vanaf 14 november 1997, [b-straat] 39 te [I] .

2.3.

Belanghebbende was in de in geding zijnde periode vennoot in de vennootschap onder firma, [K] v.o.f. (hierna: de vof). De vader van belanghebbende, [L] , is tot aan zijn overlijden [in] 2004 eveneens vennoot in de vof geweest. De vof was gevestigd in [H] en hield zich bezig met de detailhandel in naaimachines en naaimachinebenodigdheden. Nadien is belanghebbende de onderneming in de vorm van een bv gaan exploiteren.

2.4.

De vader van belanghebbende heeft als roepnaam [L1] en is tot zijn overlijden gehuwd geweest met de moeder van belanghebbende, [M] . De voornaam van de moeder van belanghebbende is [M1] en haar roepnaam is [M2] . De vader en de moeder van belanghebbende woonden op het adres [a-straat] 17A te [H] . De moeder van belanghebbende is in 2015 overleden.

2.5.

De Duitse autoriteiten hebben op 17 mei 2005 op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen gegevens verstrekt aan de FIOD-ECD/Team Internationaal (hierna: FIOD). Verweerder heeft deze gegevens van de FIOD ontvangen. Deze gegevens bestaan onder meer uit:

  • -

    twee bladzijden met een samenvatting van gegevens waarop handgeschreven ‘ [X] [a-straat] 17A [H] ’ is vermeld. Deze gegevens staan vermeld op in totaal 45 regels, onderverdeeld in 7 kolommen. Boven deze kolommen is respectievelijk vermeld ‘FallNR’, ‘PagNum’, ‘OrdnerNr’, ‘Nachname’, ‘Vorname’, ‘AuslandkontoNr’ en ‘Betrag’. Onder ‘Nachname’ is op 7 regels ‘Null’ vermeld, op 36 regels [X] en op 2 regels ‘ [H] ’. Onder ‘Vorname’ is op 8 regels ‘Null’ vermeld, op 2 regels ‘ [X1] ’, op 3 regels ‘ [X1] ’, op 2 regels ‘ [X1] ’, op 2 regels ‘ [X1] ’, op 3 regels ‘ [L1] .’, op 3 regels ‘ [L1] ’, op 15 regels [L1] , op 2 regels ‘ [M1] .’, op 2 regels ‘ [M1] ’, op 2 regels ‘ [M1] ’ en op 1 regel ‘ [M1] ’. Onder ‘AuslandkontoNr’ is op alle regels ‘ [00000] ’ vermeld. Verder zijn op alle regels onder ‘Betrag’ bedragen ingevuld van minimaal 6.212,50 en maximaal 65.000;

  • -

    afschriften van stortingsbewijzen van de Deutsche Bank in Duitsland voor rekeningnummer [00001] bij de Deutsche Bank in Zürich, Zwitserland, waarbij is vermeld dat dit voor één van de klanten van de heer [N] is met de vermelding van rekeningnummer [00000] . Verder is daaraan op sommige stortingsbewijzen toegevoegd ‘ [X] ’, ‘ [L] ’, ‘ [L] , [H] , [a-straat] ’ of ‘ [X] , [I] , [d-straat] .’;

  • -

    een afschrift van een microfiche inzake een swiftbetaling van 11 februari 1992 van de Deutsche Bank (filiaal 311) aan de Deutsche Bank in Zwitserland van 33.000 DEM naar rekening [00000] , waarop de naam [N] staat vermeld;

  • -

    afschriften van microfiches van de rekening-courant van filiaal 100 waarbij geld wordt overgemaakt naar de Deutsche Bank in Zwitserland. Hierop is rekeningnummer [00000] of [00000] vermeld en ‘ [N] ’, ‘ [X] , [a-straat] 17A NL- [H] ’, ‘ [L] , [a-straat] , NL- [H] ’ of ‘ [O] ’, ‘ [M] , [a-straat] , NL- [H] ’, ‘ [X] , [a-straat] ’ of ‘ [M] , [O] -NL’;

  • -

    een samenvatting van gegevens (Seite 13) betreffende boekingen van [X] waarbij onder plaats ‘ [H] ’, ‘ [I] ’ of ‘?’ is vermeld en onder buitenlandse bank ‘DBS’. De data van deze boekingen liggen tussen 18 januari 1993 en 4 november 1996 en de bedragen luiden in DM.

2.6.

Het totale bedrag dat op de renseignementen is vermeld is DM 471.644,13 (ƒ 528.241,43/€ 239.705,51). Het bedrag dat op renseignementen is vermeld waarop de naam van belanghebbende is vermeld is DM 92.400,25 (ƒ 103.488,28/€ 46.960,93), waarop de naam van de moeder van belanghebbende is vermeld is DM 50.906,88 (ƒ 57.015,71/ € 25.872,60) en waarop de naam van de vader van belanghebbende is vermeld is DM 145.482,50 (ƒ 162.940,40/€ 73.939,13). Voor een bedrag van DM 182.854,50 (ƒ 204.797,04/€ 92.932,85) is op de renseignementen niet de naam Koomen vermeld maar alleen rekeningnummer [00000] .

2.7.

Bij brief van 16 mei 2006 heeft de Inspecteur belanghebbende onder meer het volgende geschreven:

‘De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die gerechtigd zijn (geweest) tot buitenlandse vermogensbestanddelen, waarbij het vermoeden bestaat dat in aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting en/of vennootschapsbelasting geen opgaaf is gedaan van deze vermogensbestanddelen en de eventuele opbrengsten daaruit.

Uit dit onderzoek is gebleken dat u gerechtigd bent (geweest) tot vermogensbestanddelen in het buitenland. De gegevens hiervan kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing over de afgelopen twaalf jaren. Ik verzoek u daarom mij de gegevens en inlichtingen over die jaren te verstrekken welke worden gevraagd op de ingesloten “Opgaaf Buitenlands vermogen”.

Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat de gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25 lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is.’

2.8.

De bijlage bij de vragenbrief van 16 mei 2006 bevat het formulier ‘Opgaaf Buitenlands vermogen’, waarin belanghebbende onder meer wordt gevraagd om – onder vermelding van rekeningnummer(s), naam van de bank en jaar van opening van de rekening(en) – aan te geven tot welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij gerechtigd is geweest. Op 30 mei 2006 heeft belanghebbende voormeld formulier ondertekend en onder meer aangegeven dat hij niet gerechtigd is (geweest) tot een of meerdere bankrekeningen in het buitenland.

2.9.

Op 4 juni 2007 heeft de FIOD op basis van de Richtlijn een inlichtingenverzoek gedaan aan het Bundeszentralamt für Steuern in Bonn (Duitsland). In de brief van 12 september 2007, ontvangen door de FIOD op 18 september 2007, van het Bundeszentralamt is onder meer het volgende vermeld:

‘ (…)

Betreff Auskunftaustausch (…);

- Deutsche Bank Emmerich

- Deutsche Bank AG Frankfurt

- [L] / [M] / [X] / [J] / VOF [K]

(…) dass ab 01/1997 bis heute für die oben genannten Personen beziehungsweise Firmen keine Kundenverbindungen beziehungsweise Vollmachten feststellbar waren.

Unter genannten Kontonummer [00000] besteht bundesweit keine Kundenverbindung. Zusätzlich wurde darauf hingewiesen, dass die Kontonummern bei der Deutsche Bank AG 7- beziehungsweise 9- stellig sind.

Unter der genannten Kontonummer [00001] wird bei der Filiale Frankfurt der Deutschen Bank AG die Kundenverbindung der Deutschen Bank S.A. (Suisse) in Genf geführt.

Die Nummers 100 und 311 sind jeweils Filialnummern. Diese Nummern stehen vor der eigentlichen Kontonummer (…).

Filiale 311 is der Filialbereich Kleve und Filiale 100 ist der Filialbereich Frankfurt.

(…)’

2.10.

Bij brief van 7 december 2006 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is hem navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 en VB 1995 op te leggen, in verband met het verstrijken van de termijn voor het opleggen van deze belastingaanslagen. Tevens heeft hij aangegeven dat het bedrag van de opbrengsten van niet aangegeven buitenlandse vermogensbestanddelen in 1994 is geschat op ƒ 42.000 en de waarde van de buitenlandse vermogensbestanddelen per 1 januari 1995 op ƒ 642.000. Voorts is aangekondigd dat boeten van 100% zullen worden opgelegd. In de bijlage bij deze brief is onder meer het volgende vermeld:

‘ (…)

[X]

Waarde buitenlandse vermogensbestanddelen.

- schatting op basis van redelijkheid en billijkheid;

- deze percentages zijn de gewogen gemiddeldes over diverse veelvoorkomende obligatieleningen met diverse looptijden

waarde 1-1-1994 f 600.000 schatting

Rendement 1994 – 7% f. 42.000

Waarde 1-1-1995 f 642.000

Rendement 1995 – 7% f. 44.940

Waarde 1-1-1996 f 686.940

Rendement 1996 – 6% f. 41.216

Waarde 1-1-1997 f 728.156

Rendement 1997 – 6% f. 43.689

Waarde 1-1-1998 f 771.846

Rendement 1998 – 5% f. 38.592

Waarde 1-1-1999 f 810.438

Rendement 1999 – 5% f. 40.522

Waarde 1-1-2000 f 850.960

Rendement 2000 – 5% f. 42.548

Waarde 1-1-2001 f 893.508 € 405.456

Rendement 2001 – 5% f. 44.675 € 20.273

Waarde 1-1-2002 f 938.183 € 425.729

Rendement 2002 – 5% f. 46.909 € 21.286

Waarde 1-1-2003 f 985.093 € 447.016

Rendement 2003 – 5% f. 49.255 € 22.351

Waarde 1-1-2004 f 1.034.347 € 469.366

2001 1-1-2001 31-12-2001 gemiddeld

Correctie € 405.456 € 425.729 € 415.593

Corr. voordeel sparen en beleggen 4% € 16.623

Correctie box 3 € 16.623’

2.11.

Bij brief van eveneens 7 december 2006 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is hem een navorderingsaanslag IB/PVV 2001 met boete op te leggen. Tevens zijn hierbij navorderingsaanslagen Zfw en Waz voor dat jaar aangekondigd. Voorts is bericht dat een winstcorrectie zal worden toegepast wegens zwarte omzet. Daarnaast zal een correctie in box 3 worden aangebracht vanwege het niet aangeven van buitenlandse vermogensbestanddelen. Voor de berekening hiervan is verwezen naar eerder bedoelde bijlage. Voorts zijn boeten aangekondigd.

2.12.

Vervolgens zijn met dagtekening 29 december 2006 de in geding zijnde navorderingsaanslagen IB/PVV 1994, VB 1995, IB/PVV 2001, Zfw 2001 en Waz 2001, boetes en beschikkingen heffingsrente opgelegd.

2.13.

Bij brief van 5 november 2007 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is hem navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 op te leggen, in verband met het verstrijken van de termijn voor het opleggen van deze belastingaanslagen. Tevens heeft hij aangegeven dat het bedrag van de niet aangegeven opbrengsten van buitenlandse vermogensbestanddelen in 1995 is geschat op ƒ 44.940 en de waarde van de buitenlandse vermogensbestanddelen per 1 januari 1996 op ƒ 686.940. Voorts is aangekondigd dat boeten van 100% zullen worden opgelegd. In de bijlage bij deze brief is onder meer het volgende vermeld:

‘ (…)

[X]

Waarde buitenlandse vermogensbestanddelen.

- schatting op basis van redelijkheid en billijkheid;

- deze percentages zijn de gewogen gemiddeldes over diverse veelvoorkomende obligatieleningen met diverse looptijden

waarde 1-1-1994 f 600.000 schatting

Rendement 1994 – 7% f. 42.000

Waarde 1-1-1995 f 642.000

Rendement 1995 – 7% f. 44.940

Waarde 1-1-1996 f 686.940

Rendement 1996 – 6% f. 41.216

Waarde 1-1-1997 f 728.156

Rendement 1997 – 6% f. 43.689

Waarde 1-1-1998 f 771.846

Rendement 1998 – 5% f. 38.592

Waarde 1-1-1999 f 810.438

Rendement 1999 – 5% f. 40.522

Waarde 1-1-2000 f 850.960

Rendement 2000 – 5% f. 42.548

Waarde 1-1-2001 f 893.508 € 405.456

Rendement 2001 – 5% f. 44.675 € 20.273

Waarde 1-1-2002 f 938.183 € 425.729

Rendement 2002 – 5% f. 46.909 € 21.286

Waarde 1-1-2003 f 985.093 € 447.016

Rendement 2003 – 5% f. 49.255 € 22.351

Waarde 1-1-2004 f 1.034.347 € 469.366

Rendement 2004 – 5% f. 51.717 € 23.468

Waarde 1-1-2005 f 1.086.065 € 492.835’

2.14.

Bij brief van eveneens 5 november 2007 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is hem een navorderingsaanslag IB/PVV 2002 met boete op te leggen. Tevens zijn hierbij navorderingsaanslagen Zfw en Waz voor dat jaar aangekondigd. Daarbij is aangekondigd dat een winstcorrectie wordt doorgevoerd wegens zwarte omzet en een correctie in box 3 vanwege het niet aangeven van buitenlandse vermogensbestanddelen. Voor wat betreft de correctie in box 3 is het volgende vermeld:

‘ 2002 1-1-2002 31-12-2002 gemiddeld

Correctie € 425.729 € 447.016 € 436.372

Corr. voordeel sparen en beleggen 4% € 17.455

Correctie box 3 € 17.455’

2.15.

Vervolgens zijn met dagtekening 31 december 2007 de in geding zijnde navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 opgelegd, met dagtekening 14 december 2007 de in geding zijnde navorderingsaanslag IB/PVV 2002 en met dagtekening 12 december 2007 de in geding zijnde navorderingsaanslagen Zfw 2002 en Waz 2002. Daarbij zijn tevens boeten en beschikkingen heffingsrente opgelegd.

2.16.

Met dagtekening 22 november 2007 zijn de aanslagen IB/PVV 2004 en Zfw 2004 opgelegd. Deze zijn vastgesteld overeenkomstig hetgeen is vermeld in de brief van 1 oktober 2007, waarin de Inspecteur zijn voornemen tot afwijking van de aangifte IB/PVV 2004 kenbaar maakte. Daarbij is een winstcorrectie toegepast wegens zwarte omzet en een correctie in box 3 vanwege het niet aangeven van buitenlandse vermogensbestanddelen. Voor de berekening van de correctie in box 3 is het volgende vermeld:

‘2004 1-1-2004 31-12-2004 gemiddeld

Correctie € 469.366 € 492.835 € 481.100

[X]

Gerechtigdheid 50% € 240.550

Corr. voordeel sparen en beleggen 4% € 9.622

Correctie box 3 € 9.622

[J]

Gerechtigdheid 50% € 240.550

Corr. voordeel sparen en beleggen 4% € 9.622

Correctie box 3 € 9.622’

2.17.

Bij brief van 8 juli 2008 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat hij hem een navorderingsaanslag IB/PVV 2003 met boete zal opleggen. Tevens zijn hierbij navorderingsaanslagen Zfw en Waz voor dat jaar aangekondigd. Daarbij is bericht dat een winstcorrectie wegens zwarte omzet wordt doorgevoerd en een correctie in box 3 wordt toegepast vanwege het niet aangeven van buitenlandse vermogensbestanddelen. Voor wat betreft de correctie in box 3 is het volgende vermeld:

‘ (…)

2003 1-1-2003 31-12-2003 gemiddeld

Correctie € 447.016 € 469.366 € 458.191

[X]

Toerekening 50% € 229.095

Corr. voordeel sparen en beleggen 4% € 9.163

Correctie box 3 € 9.163’

2.18.

Bij brieven van 8 juli 2008 zijn navorderingaanslagen met boeten voor de IB/PVV 1996 tot en met 2000, VB 1997 tot en met 2000 en Zfw 2000 aangekondigd. Deze belastingaanslagen zijn vervolgens met dagtekening 19 augustus 2008 (Zfw 2000, Zfw 2003 en Waz 2003), 26 augustus 2008 (IB/PVV 2000 en 2003) en 11 september 2008 (IB/PVV 1996, VB 1997, IB/PVV 1997, VB 1998, IB/PVV 1998, VB 1999, IB/PVV 1999, VB 2000) aan belanghebbende opgelegd. Met dagtekening 28 november 2008 zijn de aanslagen IB/PVV 2005 en Zfw 2005 aan belanghebbende opgelegd.

2.19.

De bezwaren van belanghebbende tegen de in geding zijnde belastingaanslagen, boeten en beschikkingen inzake de heffingsrente zijn door de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

2.20.

Op 27 maart 2009 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2008 ingediend. Daarin zijn geen buitenlandse vermogensbestanddelen aangegeven. Op 21 februari 2011 heeft de Inspecteur vragen gesteld aan belanghebbende over het bestaan van door hem aangehouden buitenlandse vermogensbestanddelen. Op 10 maart 2011 heeft mr. [P] namens belanghebbende geantwoord en verklaard dat belanghebbende niet in staat is binnen de door de Inspecteur gestelde termijn van drie weken aan zijn verzoek te voldoen. Zij heeft de Inspecteur verzocht het informatieverzoek aan te houden totdat nader overleg met de Belastingdienst heeft plaatsgevonden. Op 5 april 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen (onder anderen) mr. [P] en de Inspecteur. Dit gesprek heeft niet tot concrete afspraken geleid. Op 17 augustus 2011 heeft de Inspecteur de onderhavige, ten aanzien van belanghebbende genomen, informatiebeschikking vastgesteld. Het tegen de informatiebeschikking gerichte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar afgewezen.

2.21.

De Rechtbank heeft op 4 juni 2013 uitspraak gedaan. Zij heeft belanghebbende ten dele in het gelijk gesteld. De winstcorrecties zijn niet gehandhaafd door de Rechtbank en de boeten zijn, voor zover zij met die correcties verband houden, door de Rechtbank verminderd. Voorts zijn alle resterende boeten verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft belanghebbende een proceskostenvergoeding en een vergoeding van het griffierecht toegekend, en het onderzoek heropend met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep tegen de informatiebeschikking heeft zij ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft belanghebbende een termijn van zes weken gegeven om alsnog de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden.

2.22.

Belanghebbende heeft op 15 juli 2013 hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak met nummers AWB 08/3421 tot en met 08/3432, 10/2410 tot en met 10/2420 en 11/4141 tot en met 11/4144. Tevens heeft belanghebbende op 15 juli 2013 hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak met nummer 12/3377 inzake de informatiebeschikking. De Inspecteur heeft op 24 maart 2014 een verweerschrift ingediend in de zaak betreffende de informatiebeschikking. Voorts heeft hij ter zake van de andere hogerberoepszaken op 22 mei 2014 een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de behandeling van de zaken aangehouden in afwachting van het antwoord op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 april 2015, nr. 14/00528, ECLI:NL:HR:2015:913 gestelde prejudiciële vragen over, kort gezegd, de standstillbepaling. Partijen zijn hiervan bij brief van 11 december 2015 in kennis gesteld door het Hof. Op 15 februari 2017 zijn die vragen beantwoord door het Hof van Justitie EU (HvJ EU 15 februari 2017, X, nr. C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119).

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de belastingaanslagen, boeten en beschikkingen inzake de heffingsrente terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. Verder houdt partijen verdeeld of de informatiebeschikking terecht door de Inspecteur is vastgesteld.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar de processen-verbaal van de zittingen.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar, en kennelijk tot vernietiging onderscheidenlijk vermindering van de belastingaanslagen, boeten, beschikkingen inzake de heffingsrente en tot vergoeding van immateriële schade. Voorts concludeert hij tot vernietiging van de informatiebeschikking.

3.4.

De Inspecteur concludeert in tegengestelde zin.

4 Beoordeling van het geschil

Uitnodiging zitting 26 september 2017

4.1.

Belanghebbende is in deze procedure in hoger beroep door verschillende gemachtigden vertegenwoordigd geweest. Op de zitting van 8 september 2015 is de toenmalige gemachtigde mr. [A] namens belanghebbende verschenen. Na de zitting heeft mr. [A] het Hof bericht dat hij niet langer de gemachtigde van belanghebbende was. Vervolgens heeft mr. [E] het Hof bericht dat zij de nieuwe gemachtigde van belanghebbende in deze procedure is. Zij heeft belanghebbende op de regiezitting van 19 april 2016 vertegenwoordigd. Nadien heeft mr. [E] het Hof medegedeeld dat zij niet langer belanghebbende in deze procedure vertegenwoordigt. Een nieuwe gemachtigde voor belanghebbende heeft zich niet gesteld. Nu belanghebbende geen domicilie in Nederland heeft gekozen, heeft het Hof de uitnodiging aan belanghebbende voor de zitting van 26 september 2017 gestuurd naar het laatst bij het Hof bekende, door belanghebbende vermelde, adres in het buitenland, te weten [c-street] [Z] Thailand. Belanghebbende is, zonder kennisgeving daartoe aan het Hof, niet verschenen ter zitting van het Hof op 26 september 2017. Tot de gedingstukken behoort een brief van 10 juli 2017 van de griffier van het Hof, waarin belanghebbende wordt uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de onderhavige zaken op dinsdag 26 september 2017 om 10.00 uur te Arnhem. Die brief is op 10 juli 2017 aangetekend naar genoemd adres in Thailand verzonden. Blijkens – tot de dossiers behorende – informatie van PostNL, is die brief op 18 juli 2017 om 11.59 uur op het genoemde adres aangeboden en is voor ontvangst ervan getekend. Gelet hierop, is belanghebbende naar het oordeel van het Hof overeenkomstig het voorschrift van artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht uitgenodigd voor de zitting.

Ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep

4.2.

Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, Awb zoals dit luidde in 2013 moest de Inspecteur een verweerschrift indienen binnen vier weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan hem had verzonden. Op grond van het tweede lid kon die termijn worden verlengd. Op grond van het toen geldende (tot 1 juli 2013) artikel 27m van de AWR kon de verwerende partij bij haar verweerschrift incidenteel hoger beroep instellen.

4.3.

Bij brief van 2 september 2013 heeft de griffier van het Hof de gronden van het hoger beroep aan de Inspecteur verzonden en de Inspecteur daarbij gewezen op de mogelijkheid van het voeren van verweer en het instellen van incidenteel hoger beroep. Bij brief van 21 februari 2014 heeft de griffier van het Hof de Inspecteur wederom gewezen op de mogelijkheid van het voeren van verweer. Bij brief van 31 maart 2014 heeft de griffier van het Hof de Inspecteur een rappel verstuurd en hem verzocht de stukken uiterlijk op 14 april 2014 in te sturen. Het verweerschrift en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur zijn op 22 mei 2014 bij het Hof ingekomen.

4.4.

Het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is niet uiterlijk op 14 april 2014, en derhalve niet tijdig, ingediend. De ter zitting van 8 september 2015 door de Inspecteur gegeven verklaring voor de termijnoverschrijding – te weten dat zij met rugklachten kampt en dat zij mogelijk daardoor niet werkte in die periode – acht het Hof niet voldoende voor de conclusie dat de termijnoverschrijding door de Inspecteur verschoonbaar is. Dit betekent dat het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Dit laat onverlet dat de door de Inspecteur in het incidentele hoger beroep aangevoerde grieven als verweer in aanmerking kunnen worden genomen (beroep op interne compensatie).

4.5.

Opmerking hierbij verdient echter nog dat, nu de Inspecteur niet zelf hoger beroep heeft aangetekend tegen de uitspraak van de Rechtbank en het incidentele hoger beroep te laat is ingediend, de Inspecteur door de uitspraak van het Hof (in beginsel) niet in een gunstiger positie kan komen te verkeren ten opzichte van de uitspraak van de Rechtbank (zie HR 19 december 2014, nr. 13/06296, ECLI:NL:HR:2014:3610).

Omvang dossiers

4.6.

Het Hof heeft de onderhavige zaken ter zitting van 8 september 2015 behandeld en het onderzoek ter zitting gesloten. Vervolgens heeft het Hof het vooronderzoek op de voet van artikel 8:68 Awb heropend, doch uitsluitend met betrekking tot de kwestie – kort gezegd – of hier de zogenoemde, in artikel 64 VWEU vervatte, standstillbepaling van toepassing is. Het Hof wenste de antwoorden af te wachten op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 april 2015, nr. 14/00528, ECLI:NL:HR:2015:913 aan het Hof van Justitie EU gestelde préjudiciële vragen. Zulks is partijen bij brieven van 11 december 2015 van de griffier van het Hof medegedeeld.

4.7.

Nadien heeft de Inspecteur verschillende keren nadere stukken willen indienen die geen betrekking hadden op het geschilpunt inzake, kort gezegd, de verlengde navorderingstermijn (standstillbepaling).

4.8.

Het Hof heeft die stukken buiten beschouwing gelaten.

4.9.

Dienaangaande is het volgende van belang. Artikel 8:68, lid 1, Awb biedt het Hof de mogelijkheid het onderzoek te heropenen indien het van mening is dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het staat de rechter vrij, zoals het Hof heeft gedaan, het onderzoek na heropening te beperken tot aanvullend onderzoek met betrekking tot een bepaalde aangelegenheid. In dat geval is het Hof niet gehouden aan de partijen de gelegenheid te bieden om daarbuiten andere punten, zoals nieuwe geschilpunten, alsnog in de procedure in te brengen (vgl. onder meer HR 13 november 2009, nr. 08/03055, ECLI:NL:HR:2009:BK3069). Weliswaar zagen de nadere stukken van de Inspecteur niet op nieuwe geschilpunten, maar bij de afweging van het belang van de Inspecteur bij de inbreng en behandeling van de nieuwe stukken tegenover het belang van een doelmatige en doelgerichte voortgang van de procedure in deze complexe en zeer omvangrijke en bewerkelijke zaken, heeft het Hof het algemene belang van een doelmatige procesgang laten prevaleren.

Gerechtigdheid tot buitenlandse bankrekening

4.10.

Belanghebbende dreef in de onderhavige jaren samen met zijn vader [L] (tot aan diens overlijden [in] 2004) een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma (een detailhandel in naaimachines en naaimachinebenodigdheden). Die onderneming was – naar de Inspecteur heeft verklaard en het Hof aannemelijk acht – winstgevend. Voorts heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat de firmanten in 1995 een winkelpand te [Q] met winst hebben verkocht. Op grond van de onder de feiten opgenomen renseignementen van de Duitse autoriteiten (zie 2.5) – aan de betrouwbaarheid waarvan het Hof geen enkele twijfel heeft – en de op 12 september 2007 door de Fiod van de Duitse autoriteiten ontvangen informatie (zie 2.9), acht het Hof aannemelijk dat, niet alleen zijn vader en moeder, maar ook belanghebbende zelf gedurende een lange periode (1993 – 1996) verschillende stortingen heeft verricht ten bedrage van in totaal ongeveer ƒ 103.488 in Duitsland ten behoeve van een bij de Deutsche Bank in Zwitserland aangehouden bankrekening met nummer [00000] . Dat die stortingen door belanghebbende in de betreffende jaren in Duitsland zijn gedaan is ter zitting van het Hof van 8 september 2015 door de toenmalige gemachtigde van belanghebbende (mr. [A] ) – desgevraagd – ook erkend.

Informatieplicht

4.11.

In het licht van hetgeen in 4.10 is overwogen, was de Inspecteur – zoals hij heeft gedaan bij brief van 16 mei 2006 – gerechtigd belanghebbende op de voet van artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegevens en inlichtingen te vragen over de gerechtigdheid van belanghebbende bij – niet in zijn aangiften verantwoorde – vermogensbestanddelen in het buitenland. Belanghebbende was verplicht die gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te verstrekken (artikel 49, lid 1, AWR). Het zogenoemde nemo tenetur-beginsel staat daaraan niet in de weg volgens inmiddels vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. Hoge Raad 12 juli 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640). De Inspecteur heeft belanghebbende daarbij terecht erop gewezen dat het niet nakomen van de wettelijke verplichting tot het verstrekken van informatie kan leiden tot de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast in een procedure.

4.12.

Belanghebbende heeft de verlangde informatie niet verstrekt. Bij brief van 30 mei 2006, gericht aan de Inspecteur, heeft hij slechts volstaan met de ontkenning dat hij gerechtigd is geweest tot een of meerdere bankrekeningen in het buitenland. Nadien heeft hij volhard in die ontkenning. Daarmee heeft hij, in het licht van hetgeen hiervoor in 4.10 is overwogen, naar het oordeel van het Hof niet aan zijn wettelijke verplichting tot het verstrekken van inlichtingen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, AWR voldaan.

Omkering en verzwaring bewijslast en redelijke schatting

4.13.

Het niet nakomen door belanghebbende van zijn wettelijke verplichting tot het verstrekken van informatie aan de Inspecteur, leidt in deze belastingprocedures – gelijk de Inspecteur bepleit en de Rechtbank heeft geoordeeld – tot de administratiefrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast (artikel 27e AWR). Opgemerkt hierbij zij nog dat, nu de onderwerpelijke belastingaanslagen en uitspraken op bezwaar zijn gedaan vóór 1 juli 2011, daarvoor geen onherroepelijk geworden informatiebeschikking is vereist.

4.14.

De omkering en verzwaring van de bewijslast betekent dat belanghebbende met betrekking tot de opgelegde belastingaanslagen (dus met betrekking tot de enkelvoudige belasting) dient te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat deze belastingaanslagen – zoals verminderd door de Rechtbank – onjuist zijn.

4.15.

De omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat de Inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de belastingaanslagen uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen en vermogen van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door een inspecteur (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184). In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen en het vermogen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, nr. 39872, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184).

4.16.

De schatting door een inspecteur dient, zoals gezegd, de redelijkheidstoets te kunnen doorstaan. Onvermijdelijk is evenwel dat het schatten van het inkomen en het vermogen van een belastingplichtige door een inspecteur enige ruwheid met zich brengt. Gelet op hetgeen is overwogen in onderdeel 4.10 van deze uitspraak, kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat de aanname van de Inspecteur dat belanghebbende in de onderhavige jaren medegerechtigd is geweest tot het vermogen en de opbrengsten op de bij de Deutsche Bank in Zwitserland aangehouden bankrekening met nummer [00000] onredelijk is. Voorts kan, gelet op de periode waarin de stortingen door belanghebbende zijn gedaan en de hoogte van het totaalbedrag, naar het oordeel van het Hof evenmin worden gezegd dat het uitgangpunt van de Inspecteur dat de medegerechtigdheid van belanghebbende tot het vermogen op de in Zwitserland aangehouden bankrekening per 1 januari 1994 een bedrag van ƒ 600.000 beliep, willekeurig is. Dat uitgangspunt kan derhalve de redelijkheidstoets doorstaan. Dat geldt evenzeer voor de door de Inspecteur berekende rendementen, zoals vermeld onder de feiten. Bij dit een en ander zij nog aangetekend dat als ervaringsregel mag worden gehanteerd dat een aanzienlijk tegoed op een bankrekening – aannemelijk is, gelet op het totaalbedrag van de stortingen, dat hiervan in dit geval sprake is – niet uit het vermogen van een belastingplichtige pleegt te verdwijnen en een bank, naar van algemene bekendheid is, rente pleegt te vergoeden over een zodanig tegoed, althans in de jaren als hier aan de orde.

4.17.

Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niets concreet aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij overtuigend heeft aangetoond dat de belastingaanslagen (zoals verminderd door de Rechtbank) onjuist zijn. In de kern is hij blijven volharden in de stelling dat hij niet medegerechtigd is (geweest) tot het vermogen en de inkomsten op een buitenlandse bankrekening. Dat de (bij monde van zijn gemachtigde erkende) stortingen in Duitsland zouden zijn gedaan ten behoeve van zijn vader, heeft belanghebbende niet overtuigend aangetoond. Ook met de door belanghebbende in hoger beroep overgelegde e-mail, waarin [R] (volgens die mail werkzaam bij de Deutsche Bank Switzerland) verklaart dat belanghebbende nimmer rekeninghouder is geweest van de bankrekening met nummer [00000] bij de Deutsche Bank Zwitserland, is hij niet in die verzwaarde bewijslast geslaagd. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of die email authentiek is (hetgeen door de Inspecteur wordt betwijfeld), sluit die verklaring immers niet uit dat belanghebbende (economisch bezien) medegerechtigd is geweest tot die rekening. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de onderhavige jaren sprake is geweest van een vof met belanghebbende en zijn vader als vennoten. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd is evenmin toereikend voor de conclusie dat hij aan zijn verzwaarde bewijslast heeft voldaan.

Verlengde navorderingstermijn

4.18.

Zoals hiervoor is overwogen, is in dit geding sprake van een bij een bank in Zwitserland aangehouden rekening. Dit betekent dat de wettelijke – in artikel 16, vierde lid, AWR vervatte – navorderingstermijn van 12 jaar onverkort van toepassing is, aangezien de in artikel 64, lid 1, VWEU opgenomen zogenoemde standstillbepaling van toepassing is (zie HvJ EU 15 februari 2017, X, nr. C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119 en HR 2 juni 2017, nr. 14/00970. ECLI:NL:HR:2017:961).

Slotsom belastingaanslagen

4.19.

De onderhavige belastingaanslagen – zoals verminderd door de Rechtbank en waarvan de berekeningen als zodanig niet zijn bestreden door belanghebbende – zijn terecht aan belanghebbende opgelegd.

Heffingsrente

4.20.

Tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft belanghebbende in hoger beroep geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu de belastingaanslagen in hoger beroep niet verder worden verminderd, ziet het Hof geen grond voor een verdere vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente dan door de Rechtbank is beslist.

Boeten

4.21.

Met betrekking tot de boeten heeft het volgende te gelden (zie HR 15 april 2011, nr. 09/03075, ECLI:NL:HR:2011:BN6324). Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM. Die waarborgen houden onder meer in dat de bewijslast op de inspecteur rust en de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund (zie onder meer EHRM 6 december 1988, no. 10590/83, Barberà, Messegué en Jabardo tegen Spanje, NCJM-bulletin 1989,90). De rechtspraak van het EHRM laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens (EHRM 7 oktober 1988, no. 10519/83, Salabiaku tegen Frankrijk, NJ 1991/351, FED 1990/420). Dat gebruik mag er echter niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende; het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen. Het zwijgen van de belanghebbende kan alleen bijdragen tot het bewijs voor zover uit de aanwezige bewijsmiddelen reeds een zodanige verdenking voortvloeit dat die vraagt om uitleg van de belanghebbende, hetgeen betekent dat dit zwijgen alleen kan meewegen bij het waarderen van de overtuigingskracht van die aanwezige bewijsmiddelen (EHRM 8 februari 1996, no. 18731/91, Murray tegen het Verenigd Koninkrijk, NJ 1996/725, V-N 1997/733, EHRM 20 maart 2001, no. 33501/96, Telfner tegen Oostenrijk, en EHRM 13 december 2005, no. 13102/03, Narinen tegen Finland).

4.22.

In het onderhavige geval beschikt de Inspecteur in wezen slechts over het ‘harde’ bewijs dat belanghebbende in de jaren 1993 – 1996 zelf stortingen in Duitsland heeft gedaan op een bankrekening. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat belanghebbende daarmee in die jaren ook zelf daadwerkelijk rechthebbende is geweest tot het vermogen en inkomsten op een voor de fiscus verzwegen buitenlandse bankrekening. Verder rechtstreeks bewijs daarvoor ontbreekt in de onderhavige dossiers. De omstandigheid dat het Hof hiervóór met betrekking tot de enkelvoudige belasting anders heeft geoordeeld, doet aan deze conclusie niet af, aangezien dat oordeel is gevormd op basis van de administratiefrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast. Benadrukt zij nogmaals dat die sanctie niet geldt in het kader van het boeterecht: op de Inspecteur rust de last het bewijs voor de beboetbare feiten te leveren. Hoewel enige vermoedens in die richting bestaan, moet naar het oordeel van het Hof niettemin worden geconcludeerd dat in de onderhavige dossiers voldoende overtuigend bewijs ontbreekt voor de conclusie dat belanghebbende in de jaren 1993 – 1996 zelf rechthebbende is geweest tot het vermogen van een niet in de aangiften verantwoorde buitenlandse bankrekening. Deze conclusie geldt dan te meer voor de jaren van 1997 tot en met 2005, aangezien voor die jaren het bewijs nog veel ‘dunner’ is. Op basis van de informatie in de onderhavige dossiers moet worden geconcludeerd dat voldoende sterke aanwijzingen ontbreken dat belanghebbende in die jaren zelf rechthebbende is geweest tot het vermogen en inkomen op een buitenlandse bankrekening. Het komt erop neer dat belanghebbende, ondanks de vermoedens van zijn betrokkenheid bij een verzwegen buitenlandse bankrekening, het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Gelet hierop, moet worden geconcludeerd dat de Inspecteur niet erin is geslaagd het bewijs van de gestelde beboetbare feiten te leveren. De beschikkingen inzake de boeten moeten derhalve worden vernietigd.

Vergoeding van immateriële schade

4.23.

De Rechtbank heeft het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn behandeld in een afzonderlijke – afgesplitste – procedure (artikel 8:73, tweede lid, Awb). Die procedure is geen onderdeel van het onderhavige hoger beroep. Dit betekent dat in de onderhavige procedure in hoger beroep slechts het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep kan worden behandeld. Het Hof merkt daarbij op dat belanghebbende in het hoger beroep ter zake van de informatiebeschikking niet om vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, zodat behandeling van deze grief niet op de zaak met nummer 13/00773 ziet.

4.24.

Het hoger beroep is ingediend op 15 juli 2013. De uitspraak in hoger beroep wordt gedaan op 21 november 2017. Dat is een overschrijding van de voor de appelfase geldende tweejaarstermijn met twee jaar en ruim vier maanden.

4.25.

De termijn die gemoeid is geweest met het afwachten van de beslissing in de prejudiciële procedure wordt echter buiten beschouwing gelaten. Het gaat hierbij om de periode van 11 december 2015 (schriftelijke in kennis stelling van partijen van de aanhoudingsbeslissing) tot 15 februari 2017 (datum openbaarmaking arrest van het Hof van Justitie EU), derhalve 14 maanden (zie HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.7.2). Opmerking hierbij verdient nog dat de aanhouding van de behandeling van de zaak, gelet op de stand van de jurisprudentie, redelijk was en dat beide partijen daarmee in wezen hebben ingestemd.

4.26.

De overschrijding van de redelijke termijn beloopt derhalve 29 maanden min 14 maanden is 15 maanden. Naar het oordeel van het Hof bestaan te dezen evenwel bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor verlenging van de tweejaarstermijn. De onderhavige zaken zijn naar het oordeel van het Hof ingewikkeld vanwege de omvang van het verrichte onderzoek en de verknochtheid van de verschillende zaken. Het is daarom redelijk de tweejaarstermijn te verlengen met zes maanden. Dit betekent dat de overschrijding 9 maanden bedraagt. De vergoeding hiervoor beloopt € 1.000 voor alle zaken tezamen, aangezien zij in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.

4.27.

Het bedrag dient te worden vergoed door de Staat der Nederlanden (de Minister voor rechtsbescherming), aangezien het een overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase betreft. Gelet op het beleid van deze Minister (8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210) en de Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging Ministerie van Justitie en Veiligheid (Stcrt 2017, 62751), behoeft hij in dit geval niet in de procedure te worden betrokken.

Informatiebeschikking 2008

4.28.

In artikel 52a, lid 1, AWR is, voor zover hier van belang, bepaald dat als met betrekking tot een op te leggen belastingaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 en 49 AWR, de inspecteur dit kan vaststellen bij voor bezwaar vatbare (informatie)beschikking.

4.29.

Aan de omstandigheid dat, zoals hiervoor is overwogen, belanghebbende in de jaren 1994 tot en met 2005 medegerechtigd is geweest tot het vermogen op een Zwitserse bankrekening, kon de Inspecteur naar het oordeel van het Hof in redelijkheid het vermoeden ontlenen dat belanghebbende ook in 2008 nog over een buitenlands banksaldo kon beschikken en dat hij met de door hem gestelde vragen daarover duidelijkheid kon verkrijgen. De Inspecteur kon zich derhalve in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde gegevens en inlichtingen van belang konden zijn voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende (vgl. HR 18 april 2003, nr. 38122, ECLI:NL: HR:2003:AF7498 en HR 18 december 2015, nr. 15/00040, ECLI:NL:HR:2015:3603). De Inspecteur heeft belanghebbende daarbij terecht erop gewezen dat het niet nakomen van de wettelijke verplichting tot het verstrekken van informatie kan leiden tot de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast in een procedure.

4.30.

Door niet inhoudelijk op de gestelde vragen te reageren heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet aan zijn wettelijke verplichting tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen voldaan. Dat belanghebbende eerder heeft verklaard niet over buitenlands vermogen te beschikken (zie 2.8) neemt niet weg dat de Inspecteur over 2008 opnieuw vragen mocht stellen over de aanwezigheid van buitenlands vermogen en ontsloeg belanghebbende derhalve niet van de verplichting de vragen te beantwoorden. Zoals reeds in onderdeel 4.11 is overwogen, staat het nemo-teneturbeginsel evenmin aan die verplichting in de weg (vgl. HR 8 augustus 2014, nr. 13/00933 (ECLI:NL:HR:2014:2144).

4.31.

Gelet op het vorenoverwogene is de onderhavige informatiebeschikking rechtsgeldig vastgesteld door de Inspecteur. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af. Het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank ter zake van de informatiebeschikking dient daarom ongegrond te worden verklaard. Het Hof zal een nieuwe termijn stellen waarbinnen belanghebbende alsnog de gevraagde inlichten en gegevens dient te verstrekken.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ten dele gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding van proceskosten toegekend voor de fase van bezwaar en beroep. Het Hof laat die beslissing in stand. In zoverre belanghebbende aanspraak maakt op vergoeding van de werkelijke in hoger beroep gemaakte proceskosten, wijst het Hof die aanspraak af. Daarvoor bestaat geen enkele grond. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof de in hoger beroep voor vergoeding in aanmerking komende kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een bedrag van € 2.598,75 (3,5 punten voor proceshandelingen x wegingsfactor 1 x 1,5 wegens samenhang x € 495).

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het principale hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze de boeten betreft,

  • -

    vernietigt de op de boeten betrekking hebbende uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de beschikkingen inzake de boeten;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank met nummer AWB 12/3377;

  • -

    stelt belanghebbende een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en inlichtingen te verstrekken;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende in hoger beroep, vastgesteld op € 2.598,75,

  • -

    veroordeelt de Minister van rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende ten bedrage van € 1.000, en

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door hem voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 118.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 22 november 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.