Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10222

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
21-001189-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:9112, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig vuurwapengebruik door de politie ten tijde van de aanhouding van verdachte. Dit onherstelbare vormverzuim kan niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Het hof houdt rekening met het verzuim bij de strafoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001189-17

Uitspraak d.d.: 21 november 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2014 met parketnummer 13-684180-13 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 13-860542-12, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad naar het gerechtshof Amsterdam- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van dit hof van 7 november 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Nadat de zaak door de Hoge Raad op 11 oktober 2016 is teruggewezen naar het hof Amsterdam, is de zaak door het hof Amsterdam op grond van artikel 62b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie op 3 maart 2017 naar het hof Arnhem-Leeuwarden verwezen.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot zeven maanden jeugddetentie, waarvan een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en aftrek van voorarrest. Tevens vordert de advocaat-generaal de vordering tenuitvoerlegging toe te wijzen in de vorm van een werkstraf. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. Sassen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

In eerste aanleg is verdachte door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam -kort gezegd- veroordeeld tot een jeugddetentie van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, wegens diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. In de straftoemeting is rekening gehouden met een niet herstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Tevens is de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op/aan het Bos en Lommerplein, in elk geval op/aan een openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (merk: Louis Vuitton) en/of een portemonnee (merk: Louis Vuitton) en/of een agenda en/of een of meer (waarde)papier(en) en/of een fles parfum (merk: Chanel) en/of een externe harde schijf (merk: Iomega) en/of ongeveer 20 euro, in elk geval een geldbedrag en/of een of meer cadeaupas(sen) en/of een cadeaubon(nen) en/of een of meer bankpas(sen) en/of twee, althans een of meer creditcard(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte:

- voornoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of (vervolgens) met kracht tegen het lichaam heeft geduwd (waardoor zij ten val is gekomen).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich -net als in eerste aanleg- op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van verdachte. De verdediging heeft daartoe -kort gezegd en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. Het zonder enige aanleiding gericht schieten op verdachte tijdens zijn aanhouding, omdat hij op de vlucht ging voor de politie, nadat hij verdacht werd van een straatroof, is in strijd geweest met de geldende voorschriften. Niet is voldaan aan de vereisten van artikel 7 van de Ambtsinstructie Politie. Dit onrechtmatige vuurwapengebruik bij de aanhouding van verdachte heeft een onherstelbaar vormverzuim, als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, opgeleverd. Het vormverzuim heeft een ernstige schending opgeleverd voor de lichamelijke integriteit van verdachte en is in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Daarnaast heeft het openbaar ministerie pas lange tijd later mondjesmaat openheid van zaken gegeven over het schietincident, bewust essentiële informatie daarover buiten het dossier gelaten en onjuiste informatie verstrekt. Pas na herhaaldelijke verzoeken daartoe van de verdediging is de ontbrekende informatie aan het dossier toegevoegd. Mede de beslissingen ten aanzien van de voorlopige hechtenis van verdachte zijn daardoor op grond van een onvolledig dossier genomen. De gebruikelijke compensatie, namelijk strafvermindering, is in onderhavige zaak niet meer mogelijk voor verdachte, nu de uiteindelijk op te leggen straf niet zo hoog zal uitvallen als de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Door het handelen van het openbaar ministerie, is opzettelijk gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces en is het wettelijk systeem in de kern geraakt. De procedure is ‘as a whole’ onherstelbaar geschonden, nu er inbreuk is gemaakt op het recht van verdachte op een eerlijk proces. Door de opeenstapeling van misslagen dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van verdachte. De advocaat-generaal heeft daartoe -kort gezegd en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. Het vuurwapengebruik ten tijde van de aanhouding van verdachte was rechtmatig. Het gebruik van het vuurwapen is in lijn met artikel 7, eerste lid, onder b, van de Ambtsinstructie Politie. Het ging om een misdrijf waar naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en een misdrijf dat een ernstige aantasting vormde van de lichamelijke integriteit. Er was melding gedaan dat een vrouw van haar tas was beroofd en uit het systeem kwam naar voren dat er WWM-antecedenten werden gekoppeld aan de auto waarin verdachte zich zou bevinden. Daarnaast was ook voldaan aan de vereisten van artikel 7, eerste lid, onder a, van de Ambtsinstructie Politie, nu er een delict was gepleegd waarbij geweld was gebruikt, de centrale van de politie niet kon uitsluiten dat daarbij wapens werden gebruikt en er een melding was over een connectie tussen WWM-antecedenten en de auto waarmee verdachte was gevlucht. Daarnaast is voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Het handelen van de politie in dit soort situaties moet ex tunc worden beoordeeld. Mocht het hof anders oordelen over de rechtmatigheid van het vuurwapengebruik, dan is voor een niet-ontvankelijkheid geen plaats, maar kan worden volstaan met een constatering van het verzuim.

Van het buiten het dossier houden van cruciale informatie of het verschaffen van onjuiste informatie door het openbaar ministerie is geen sprake geweest. Het is niet zo dat werd achtergehouden dat er een vuurwapen was gebruikt. De officier van justitie was aanvankelijk niet op de hoogte van een buurtonderzoek, maar het resultaat daarvan is later aan de verdediging verstrekt. Het integriteitsonderzoek is na opdracht daartoe van de rechtbank aan het dossier toegevoegd en ook zijn de politiemutatie en het buurtonderzoek waar om werd gevraagd alsnog aan het dossier toegevoegd. Mocht het hof toch oordelen dat sprake is geweest van een vormverzuim, dan is dit verzuim in de loop van de procedure hersteld.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen als sanctie in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Onregelmatigheden in de wijze waarop de verdachte is aangehouden zullen op zichzelf in de regel niet meebrengen dat aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort wordt gedaan.

Op 4 juni 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam, nadat door het openbaar ministerie en de verdediging in deze zaak hoger beroep was ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2014, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging. Volgens het hof was er sprake geweest van onrechtmatig vuurwapengebruik bij de aanhouding van verdachte. Tevens was daarover pas lange tijd later mondjesmaat openheid van zaken geven. Al met al was er volgens het hof sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort was gedaan. Tegen deze beslissing is cassatie bij de Hoge Raad ingesteld door het openbaar ministerie. Het bezwaar tegen het oordeel van het hof was dat aan de geconstateerde vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie werd verbonden. Op 11 oktober 2016 heeft de Hoge Raad arrest gewezen en beslist dat het oordeel van het hof Amsterdam niet begrijpelijk is. Het hof heeft volgens de Hoge Raad niet voldoende duidelijk gemaakt waarom het onrechtmatig bevonden vuurwapengebruik bij de aanhouding van de minderjarige verdachte en het -uiteindelijk- herstelde verzuim van gebrek aan openheid van zaken over dat vuurwapengebruik tekort hebben gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De Hoge Raad heeft zich niet uitgelaten over de door het hof Amsterdam geconstateerde vormverzuimen, kennelijk omdat het middel zich daar niet tegen richtte, maar enkel over het aan de vormverzuimen verbonden gevolg. Nu de uitspraak van het hof Amsterdam van 4 juni 2015 is vernietigd en de zaak is teruggewezen naar het hof Amsterdam -en vervolgens is verwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden- en de twee beweerdelijke vormverzuimen ter terechtzitting in hoger beroep op 7 november 2017 -ondanks het feit dat het cassatiemiddel zich niet richtte tegen het oordeel van het hof daarover- opnieuw door zowel de advocaat-generaal als de raadsvrouw uitvoerig in het debat ter zitting zijn betrokken, ziet het hof zich genoodzaakt allereerst de vraag te bespreken of er sprake is geweest van vormverzuimen. Indien dat het geval is, zal vervolgens de vraag worden besproken of daaraan een gevolg moet worden verbonden, en zo ja, welk gevolg dat dan zou moeten zijn.

Ten aanzien van het vuurwapengebruik overweegt het hof het volgende.

In artikel 7 van de Ambtsinstructie Politie is vastgelegd wanneer het gebruik van een vuurwapen is geoorloofd. Kort gezegd is dat alleen zo om een persoon aan te houden van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze vuurwapengevaarlijk is of om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding tracht te onttrekken en die wordt verdacht van het plegen van een misdrijf waarop vier of meer jaar gevangenisstraf staat en dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer. Het hof realiseert zich dat politieambtenaren in hectische situaties als de onderhavige in zeer korte tijd en soms op basis van onvolledige of onduidelijke informatie moeten beslissen al dan niet aanhoudingsvuur in te zetten. Doel van de ambtsinstructie is terughoudendheid daarin te betrachten en van een professional mag dan ook verwacht worden daarnaar te handelen. Bij de beoordeling daarvan in een zaak als de onderhavige, waarbij de verdachte centraal staat, dienen alle feiten en omstandigheden te worden betrokken. Dat geldt ook voor die eventualiteiten waarvan de betreffende (schietende) politieambtenaar stelt geen kennis te hebben gehad of daarover onjuist te zijn geïnformeerd. Deze kunnen bij de beoordeling van het al dan niet rechtmatig vuurwapengebruik betrokken worden. Een niet handelen conform de geweldsinstructie leidt overigens niet zonder meer tot een strafbaar handelen van de betreffende ambtenaar. Voor die beoordeling gelden immers strafrechtelijke en strafvorderlijke uitgangspunten.

Naar het oordeel van het hof is in casu niet gehandeld overeenkomstig de geweldsinstructie en daarmee is het vuurwapengebruik onrechtmatig geweest. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat geen sprake was van een misdrijf als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub b, van de Ambtsinstructie Politie. Bij de straatroof waarvan verdachte wordt verdacht (het stelen van een tas uit een auto, waarbij het slachtoffer ten val kwam door een duw) is bijvoorbeeld geen vuurwapen gebruikt, maar enkel een lichte vorm van geweld. Daarnaast was (uit de melding van het incident) niet gebleken dat het slachtoffer door het feit ernstig was aangetast in de lichamelijke integriteit of dat bij het plegen van het misdrijf een wapen was gebruikt. Zoals uit de nota van toelichting van het artikel blijkt, moet voor een ernstige aantasting sprake zijn van een zwaardere categorie misdrijven (zoals een gewapende roofoverval of een gijzeling).

Toen het incident werd gemeld, kregen politieambtenaren te horen dat de verdachte zou zijn gevlucht in een auto waarvan de tenaamgestelde vuurwapengevaarlijk zou zijn. Dit gegeven maakt het hiervoor gegeven oordeel niet anders. Een dergelijke melding betekent niet dat zonder meer redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een ieder die te relateren is aan die auto een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft én dat tegen personen zal gebruiken (artikel 7, eerste lid, sub a Ambtsinstructie Politie). Evenmin bleek uit de melding over het incident dat een wapen was gebruikt bij de straatroof. Dat verdachte vluchtte (waarbij hij geen wapen in zijn handen droeg), nadat de auto waarin hij zich bevond tot stilstand was gebracht -waarbij meerdere verbalisanten aanwezig waren- doet aan het voorgaande oordeel niet af.

Dat de agent die gericht op verdachte schoot mogelijk verontschuldigbaar dwaalde, doet aan de onrechtmatigheid van het (overheids)optreden jegens verdachte niet af. Ten overvloede merkt het hof op dat zelfs indien in overeenstemming met de ambtsinstructie in beginsel vuurwapengebruik had mogen worden gehanteerd, zeer wel mogelijk niet voldaan zou zijn aan de eis van subsidiariteit. Uit het dossier blijkt dat de aanhouding van verdachte ook op een andere, veel minder ingrijpende wijze had kunnen plaatsvinden, zoals in casu uiteindelijk ook is gebeurd, namelijk met de inzet van de motoragenten.

Het hof is van oordeel dat door het onrechtmatige vuurwapengebruik ten tijde van de aanhouding van verdachte sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Door het schieten op de verdachte is diens lichamelijke integriteit geschonden en zijn risico’s genomen, met de kans op ernstige gevolgen. Dat verdachte niet is geraakt doet daar niet aan af.

Ten aanzien van het beweerdelijk bewust achterhouden van stukken door het openbaar ministerie overweegt het hof het volgende.

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat het openbaar ministerie het schietincident bewust of opzettelijk heeft willen verhullen. In de onderhavige zaak is een onderzoek ingesteld naar het schietincident door het Bureau Integriteit. De resultaten van dit onderzoek zijn na meerdere verzoeken van de verdediging en uiteindelijk op last van de rechtbank aan het strafdossier toegevoegd. Dat dit stuk niet direct aan het dossier is toegevoegd is gelegen in het standpunt van het openbaar ministerie dat het hier om een intern integriteitsonderzoek en geen strafrechtelijk onderzoek gaat, daarmee voor de betrokkenen niet met de waarborgen is omringd die voor het strafrecht gelden en zich dan ook niet leent om als processtuk toegevoegd te worden in de onderhavige strafzaak. De rechtbank heeft hier, na aanvankelijk eerdere verzoeken tot voeging te hebben afgewezen, uiteindelijk anders over geoordeeld en gelast het stuk alsnog toe te voegen aan het dossier. Het openbaar ministerie heeft hieraan gevolg gegeven. Gelet op deze gang van zaken kan niet worden gesproken van het bewust achterhouden van informatie door het openbaar ministerie.

Het buurtonderzoek en de politiemutatie met betrekking tot de vluchtauto zijn pas in een later stadium -eveneens na herhaaldelijke verzoeken daartoe van de verdediging- overgelegd en aan het dossier toegevoegd. Het hof is van oordeel dat er geen gronden waren om deze stukken niet direct aan het dossier te laten toevoegen. In die zin is er sprake is van een vormverzuim. Evenwel is niet gebleken dat dit doelbewust en opzettelijk is gebeurd. Evenmin is gebleken dat in dit verband of anderszins opzettelijk en doelbewust onjuiste informatie zou zijn verstrekt door het openbaar ministerie.

Ondanks bovengenoemde omissies is het hof van oordeel dat het niet zo is dat verdachte geen eerlijk proces heeft gekregen. De verzuimen zijn immers hersteld voor de einduitspraak, die is gegeven na behandeling ter zitting van alle relevante stukken en het debat dienaangaande.

Het hof ziet geen verband tussen -zoals door de verdediging gesteld- het niet direct toevoegen van de stukken aan het dossier, dan wel het verstrekken van verkeerde informatie enerzijds, en de beslissingen die zijn genomen ten aanzien van het voortduren van de voorlopige hechtenis van verdachte anderzijds, zodat dit een schending van artikel 6 EVRM zou opleveren. Met een eerlijke behandeling van de zaak wordt bedoeld een ‘fair hearing’, als bedoeld in artikel 6 EVRM, en niet ‘a procedure prescribed by law’ als bedoeld in artikel 5 EVRM. Het hof overweegt daarbij mede dat beslissingen ten aanzien van de voorlopige hechtenis op andere gronden worden genomen, dan waarop de toen nog ontbrekende stukken zagen en dat bovendien in een stadium van het proces waarin vaak het dossier nog niet compleet is. Daarnaast staat de voorlopige hechtenis los van een later eventueel op te leggen straf (en mogelijke compensatie van die straf). Niet is het zo dat het recht op een eerlijk proces ‘as a whole’ is geschonden als de voorlopige hechtenis langer heeft geduurd dan de straf die uiteindelijk wordt opgelegd.

Nu er met het onrechtmatig schieten ten tijde van de aanhouding van verdachte sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, dat niet meer kan worden hersteld, is de vraag welk gevolg aan dit verzuim moet worden verbonden, nu de rechtsgevolgen van een dergelijk verzuim niet uit de wet blijken. Het hof is van oordeel dat, gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, geen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, zoals verzocht door de verdediging. Voor een dergelijke sanctie is volgens de Hoge Raad alleen plaats, zoals aan het begin van deze overweging reeds is vermeld, ingeval ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Onregelmatigheden in de wijze waarop de verdachte is aangehouden zullen op zichzelf echter in de regel niet meebrengen dat aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort wordt gedaan.

Door het verzuim is verdachte naar het oordeel van het hof in zekere zin geschonden in zijn lichamelijke integriteit. Het is echter niet zo dat door dit vormverzuim het recht van verdachte op een eerlijke behandeling is geschonden, nu dat nergens uit is gebleken. Evenmin is gebleken dat de verbalisant doelbewust in strijd heeft gehandeld met de Ambtsinstructie Politie. “The trial as a whole” is niet oneerlijk geweest en de verdediging heeft al haar rechten kunnen uitoefenen. Het hof ziet, anders dan de raadsvrouw, geen verband tussen het voortduren van de voorlopige hechtenis van verdachte en het vormverzuim waardoor sprake zou zijn van schending van 6 EVRM. Gelet op het voorgaande dient het openbaar ministerie ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging. Het hof zal echter, gelet op de mate van het verzuim, daarmee rekening houden bij de strafoplegging en niet volstaan met enkel een constatering daarvan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 4 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op/aan het Bos en Lommerplein, in elk geval op/aan een openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (merk: Louis Vuitton) en/of een portemonnee (merk: Louis Vuitton) en/of een agenda en/of een of meer (waarde)papier(en) en/of een fles parfum (merk: Chanel) en/of een externe harde schijf (merk: Iomega) en/of ongeveer 20 euro, in elk geval een geldbedrag en/of een of meer cadeaupas(sen) en/of een cadeaubon(nen) en/of een of meer bankpas(sen) en/of twee, althans een of meer creditcard(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte:

- voornoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of (vervolgens) met kracht tegen het lichaam heeft geduwd (waardoor zij ten val is gekomen).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

In eerste aanleg is verdachte veroordeeld tot vijf maanden jeugddetentie met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte in hoger beroep wordt veroordeeld tot zeven maanden jeugddetentie, waarvan een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Het hof overweegt het volgende.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een straatroof, een zeer kwalijk feit. Een dergelijk feit veroorzaakt gevoelens van onder meer angst voor het slachtoffer en meer in het algemeen gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Bij het plegen van het feit heeft verdachte enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Daarnaast is verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Gelet op het voorgaande is het hof is van oordeel dat enkel een forse onvoorwaardelijke straf op zijn plaats is. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt mede daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat het gaat om een zeer kwalijk feit en er sprake is van een recidiverende verdachte. Het hof is echter van oordeel dat de straf zoals deze is opgelegd door de rechtbank, mede gelet op de LOVS-oriëntatiepunten en de -ten tijde van het plegen van het feit- jeugdige leeftijd van verdachte, te hoog is. Alles afwegende is het hof van oordeel dat drie maanden jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden straf is. Het hof heeft daarbij tevens rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. Gelet op het hiervoor geconstateerde vormverzuim zal het hof de straf van drie maanden jeugddetentie matigen tot twee maanden jeugddetentie. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat mede gelet op de omstandigheid dat het feit in 2013 is begaan het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel geen doel meer dient.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Amsterdam van 27 november 2012 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van 40 dagen, parketnummer 13-860542-12. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, maar dat de jeugddetentie wordt omgezet in een werkstraf.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. Het hof is van oordeel dat toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging niet meer opportuun is, gelet op de periode dat verdachte in de hoofdzaak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de straf die uiteindelijk is opgelegd. Bovendien betreft het de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling van bijna vijf jaar geleden en acht het hof mede gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte tenuitvoerlegging evenmin nog aangewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77dd, 77ee en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 27 november 2012, parketnummer 13-860542-12, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 40 dagen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. R. Krijger, voorzitter,

mr. R.W. van Zuijlen en mr. F.W.H. van den Emster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Jochems, griffier,

en op 21 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. F.W.H. van den Emster is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Tegenwoordig:

mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,

mr. H. Wijbrandts, advocaat-generaal,

mr. W.C.S. Huijbers, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.