Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10205

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
200.184.712/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Perikelen rond declaratie advocaat. Opdracht? Gezag van gewijsde. Rechterswisseling na getuigenverhoor. Partijgetuigen? Datum verzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.184.712/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 2678818 CV EXPL 14-100)

arrest van 21 november 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] , gemeente Noordoostpolder,

appellant in principaal hoger beroep,

verweerder in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. P. van Mombergen,

tegen

PlasBossinade Advocaten N.V.,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: PlasBossinade,

advocaat: mr. P.P.R. Hoekstra.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van

3 september 2014 en 21 oktober 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 januari 2016 met grieven, wijziging van eis en producties;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;

- de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] heeft in principaal hoger beroep vernietiging van beide vonnissen gevorderd, afwijzing van de vordering van PlasBossinade en, na wijziging van eis in reconventie, gevorderd (zeer kort weergegeven) alsnog:

- voor recht te verklaren dat PlasBossinade onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld;

- PlasBossinade te veroordelen tot schadevergoeding, te begroten of op te maken bij staat;

- voor recht te verklaren dat PlasBossinade niets van [appellant] te vorderen heeft en de declaratie niet mag incasseren op straffe van een dwangsom;

- PlasBossinade te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter voldoening aan het eindvonnis heeft voldaan, met wettelijke rente;

- PlasBossinade te veroordelen in de proceskosten van beide instanties met dubbel nasalaris en met rente.

Daarnaast heeft [appellant] gevorderd, voor het geval PlasBossinade tenuitvoerlegging verlangt van het bestreden vonnis, voor recht te verklaren dat zulks onrechtmatig is en PlasBossinade te veroordelen tot schadevergoeding, te begroten of op te maken bij staat. Voorts dient het hof de beslissingen te nemen die het hof nodig acht.

2.4

Voor het geval een grief in principaal hoger beroep gegrond is, vordert PlasBossinadehet eindvonnis te vernietigen voor zover daarin is overwogen dat de getuigen van PlasBossinade partijgetuigen zijn, en dat vonnis voor het overige te bekrachtigen.

3 De feiten

3.1

Het hof zal hierna zelfstandig de feiten vaststellen, voor zover in hoger beroep nog van belang.

3.2

[appellant] is voor rechtsbijstand verzekerd bij SRK. Hij is verwikkeld (geweest) in geschillen met diverse wederpartijen. Vier zaken, waaronder een tegen [B] en een tegen [C] , vielen onder de dekking van SRK en in die zaken werd [appellant] bijgestaan door mr. N.E. Koelemaij, advocaat te Assen.

3.3

In 2005 heeft [appellant] zich gewend tot de maatschap van advocaten die later is opgegaan in PlasBossinade en van gedachten gewisseld met de aldaar werkzame advocaten Timmer en Hoekstra over enkele van zijn zaken die bij mr. Koelemaij in behandeling waren en over een geschil met de Friesland Bank, waarvoor SRK nog geen dekking had verleend.

3.4

Later, in de zomer van 2005, heeft [appellant] een hersenbloeding gekregen. Hij heeft daar een blijvende hersenbeschadiging aan overgehouden.

3.5

In december 2006 heeft [appellant] weer een bespreking gehad met mrs. Timmer en Hoekstra.

3.6

Op 18 januari 2007 schrijft mr. Hoekstra aan [appellant] :

"Naar aanleiding van mijn telefoongesprek met u op 16 januari 2007, waarin u verzocht de dossier(s) [appellant] / [B] en [appellant] / [C] bij mr. Koelemaij op te vragen, bericht ik u het volgende. Ik heb nog kort overleg gehad met mijn kantoorgenoot mr. W.F.W. Timmer over de wijze waarop een en ander bij voorkeur aangepakt zal moeten worden, mede in verband met de dekking van de SRK die wij niet in gevaar willen brengen. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat voornoemde dossiers bij voorkeur door u (in kopie) bij mr. Koelemaij opgevraagd dienen te worden. Op basis van de kopieën van de dossiers kunnen wij u, maar voornamelijk de SRK, onze bevindingen voorleggen en nadien - met instemming van de SRK

- de behandeling van de zaken overnemen. Op deze wijze kan de SRK u niet achteraf verwijten dat u zomaar van advocaat bent gewisseld met alle (extra) kosten van dien."

3.7

Hierna heeft [appellant] de bij mr. Koelemaij in behandeling zijnde dossiers [appellant] / [B] en [appellant] / [C] bij diens kantoor opgehaald en deze vervolgens bij PlasBossinade afgegeven met een bijgevoegd of kort daarna toegestuurd briefje van 25 januari 2007 waarin onder meer staat: "Inzake: Afspraak met SRK (Mw. [D] )". Voorts geeft [appellant] daarin te kennen dat hij die middag met mr. Hoekstra heeft gesproken over de nu door hem ingeleverde dossiers en schrijft hij:

"Buiten mijn medeweten heeft mr. K'may het er bij laten zitten. (…) Ik ben nergens van in kennis gesteld, en heb vele malen gevraagd om opheldering. Echter, zonder antwoord van dhr. mr. K'may. De heer mr. K'may heeft tijdens mijn ziekte zeer laakbaar gehandeld. Ik hoop zeer binnenkort met u te mogen overleggen."

3.8

In zijn brief aan mr. Hoekstra van 2 februari 2007 (waarmee hij na een eerder telefonisch onderhoud die avond bescheiden aan mr. Hoekstra doet toekomen) deelt [appellant] mee dat hij 'continuatie' van zijn zaken wenst en dat het voor SRK niet uitmaakt of Hoekstra dan wel mr. Koelemaij de dossiers behartigt: "Immers de dekking was/is er reeds".

In een P.S. vraagt [appellant] of mr. Hoekstra uit de dossiers heeft kunnen opmaken of mr. Koelemaij wettelijke rente heeft aangezegd.

3.9

Op 16 februari 2007 heeft PlasBossinade per brief de resultaten van een second

opinion met betrekking tot de aangeleverde zaken aan SRK verzonden.

3.10

SRK betwist bij brief van 4 mei 2007 aan PlasBossinade dat zij voor het verstrekken van een second opinion aan [appellant] toestemming heeft gegeven. SRK wijst erop dat als gevolg van de toepasselijke polisvoorwaarden voor cliënt de mogelijkheid bestaat één advocaat naar keuze in te schakelen. Volgens SRK wordt de behandeling van de dossiers voortgezet door mr. Koelemaij. Verzekerde is hiervan op de hoogte, aldus SRK.

3.11

Bij brief van 30 mei 2007 deelt PlasBossinade aan [appellant] mee van SRK te hebben vernomen dat [appellant] tegenover mr. De Boer van SRK zou hebben erkend dat hijzelf en niet SRK opdracht heeft gegeven voor de second opinion door PlasBossinade, waardoor [appellant] zelf de declaratie zou moeten betalen. Ook zou [appellant] tegen mr. De Boer hebben gezegd dat hij zijn belangen door mr. Koelemaij wilde laten behartigen. PlasBossinade verzoekt [appellant] om zijn standpunt over beide kwesties in een en dezelfde brief aan haar en aan SRK te sturen.

Bij faxbrief van 5 juni 2007 bevestigt [appellant] aan PlasBossinade de ontvangst van de brief van 30 mei en schrijft hij: "Uw schrijven 23/5/2007 is juist".

Daarmee geconfronteerd stelt SRK zich bij brief van 2 juli 2007 op het standpunt dat [appellant] zijn belangen wil laten behartigen door mr. Koelemaij.

3.12

Bij brief van 3 juli 2007 bericht PlasBossinade aan [appellant] als volgt:

"Bijgevoegd vindt u de brief van SRK Rechtsbijstand d.d. 2 juli 2007 die ik inzake

bovenvermelde kwestie ontving. Ik mag u kortheidshalve wel verwijzen naar de inhoud

hiervan. Mr. G. W. de Boer van SRK Rechtsbijstand stelt thans dat niet alleen hijzelf maar

ook mr. Koelemaij kan bevestigen dat u de relatie met mr. Koelemaij wenst voort te zetten.

Omdat het er thans op lijkt dat zowel ik als SRK (en mr. Koelemaij) verschillende wensen

van u menen te vernemen, denk ik dat het noodzakelijk is dat u alle betrokken partijen

duidelijk van het een en ander op de hoogte stelt. Ik verzoek u dan ook vriendelijk een brief

aan mr G. W. de Boer van SRK Rechtsbijstand te zenden waarin u duidelijk aangeeft of u nu

wel of niet tevreden bent met de dienstverlening van mr. Koelemaij en of u wenst dat hij uw

belangen nog langer behartigt. Tevens verzoek ik u in dezelfde brief duidelijk aan te geven

of u zich nu wel of niet op het standpunt stelt dat SRK mij opdracht heeft verstrekt voor het

door mij laten uitvoeren van een second opinion. Ik verzoek u daarbij vriendelijk niet in

algemene bewoordingen te bevestigen dat u het eens bent met wat ik in mij brieven heb

geschreven, maar uitdrukkelijk uw standpunt ten aanzien van mr. Koelemaij en de second

opinion te verwoorden. Mocht ik een dergelijke brief niet van u mogen ontvangen, dan dien

ik het er voor te houden dat u verder afziet van mijn bijstand en gebruik blijft maken van mr.

Koelemaij en dat u erkent zelf opdracht te hebben gegeven voor mijn second opinion, zodat

ik mijn werkzaamheden rechtstreeks aan u zal moeten factureren."

Hierop is geen reactie gevolgd van [appellant] .

3.13

Op 10 december 2007 heeft PlasBossinade aan [appellant] een declaratie verstuurd voor werkzaamheden vanaf 21 december 2006 tot en met 21 september 2007 ten bedrage van

€ 5.951,93 inclusief btw. Hierin zijn de werkzaamheden uit 2005 uit coulance "afgeboekt".

3.14

Bij brief van 18 december 2007 heeft [appellant] de verschuldigdheid van het

factuurbedrag betwist, omdat hem te kennen is gegeven dat een toevoeging op zijn

plaats zou zijn geweest, waarover hij niet door PlasBossinade is geïnformeerd. Hierop heeft

PlasBossinade bij brief van 2 januari 2008 haar standpunt nader uiteen gezet, gevolgd door

een sommatie op 28 oktober 2008.

3.15

PlasBossinade heeft in rechte aanspraak gemaakt op betaling. Bij vonnis van 2 september 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad geoordeeld dat de bijzondere rechtsgang van artikel 32 WTBZ gevolgd diende te worden. Op verzoek van PlasBossinade heeft de Raad van Toezicht haar declaratie beoordeeld. Bij beslissing van 7 januari 2011 is de declaratie begroot op € 4.052,44. Ook na herhaalde aanmaning heeft [appellant] aangegeven niet bereid te zijn de aldus begrote declaratie te voldoen.

3.16

Een in gang gezette exequaturprocedure is, nadat bij de Deken van de Orde van Advocaten tegen mr. Hoekstra een klacht was ingediend, niet doorgezet.

3.17

De Raad van Discipline in het ressort Arnhem - Leeuwarden heeft bij beslissing

van 21 juni 2013 de tegen mr. Hoekstra gerichte klacht op twee onderdelen gegrond en op twee andere onderdelen ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de Raad is komen vast te staan dat mr. Hoekstra werkzaamheden ten behoeve van [appellant] heeft verricht zonder dat de opdracht daartoe schriftelijk was vast gelegd. Voorts had mr. Hoekstra daarbij moeten vastleggen dat [appellant] geen gebruik zou kunnen maken van gefinancierde rechtshulp.

Het Hof van Discipline heeft de beslissing van de Raad op 25 april 2014 bekrachtigd.

3.18

Het proces-verbaal van de zitting bij de Raad van Disclipline op 10 mei 2013 vermeldt als standpunt van [appellant] :

"De dossiers van klager waren niet zo omvangrijk dat zij de ingediende declaratie

rechtvaardigen.

Als er niet op basis van een toevoeging rechtsbijstand wordt verleend, moet dat

overeenkomstig de gedragsregels schriftelijk worden bevestigd. Er is nooit besproken dat

klager de kosten zelf zou moeten betalen als de verzekeraar niet zou dekken. Verweerder

had moeten nagaan of er dekking was.

Mw. [D] werkzaam bij de verzekeraar, heeft klager telefonisch bevestigd dat er dekking was.

4 De vorderingen en beoordeling door de kantonrechter

4.1

PlasBossinade heeft in conventie betaling gevorderd van haar declaratie van

10 december 2007 tot een bedrag van € 4.052,44, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 5 januari 2008, € 768,- buitengerechtelijke kosten en € 5.000,- proceskosten, te vermeerderen met nasalaris en wettelijke rente indien de proceskosten niet binnen 14 dagen na vonniswijzing zijn voldaan.

4.2

[appellant] , bijgestaan door mr. Van Mombergen, een kantoorgenoot van mr. Koelemaij, heeft in reconventie gevorderd, kort weergegeven, voor recht te verklaren dat PlasBossinade onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en PlasBossinade te veroordelen tot schadevergoeding, te begroten of op te maken bij staat, voorts voor recht te verklaren dat PlasBossinade niets van [appellant] te vorderen heeft en de declaratie niet mag incasseren op straffe van een dwangsom, met veroordeling van PlasBossinade in de proceskosten.

4.3

De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis geoordeeld dat de pagina's 46 tot en met 130 van de conclusie van antwoord wegens strijd met de procesorde buiten beschouwing blijven. PlasBossinade is toegelaten tot bewijs van de stelling dat [appellant] haar opdracht heeft gegeven voor een second opinion met betrekking tot de ter beschikking gestelde dossiers en daarbij heeft meegedeeld dat SRK daarvoor toestemming heeft gegeven.

4.4

Na bewijslevering, onder andere door het horen van getuigen, is 'om organisatorische redenen' door een andere kantonrechter dan de kantonrechter ten overstaan van wie de getuigenverhoren hebben plaatsgevonden, eindvonnis gewezen. De kantonrechter heeft PlasBossinade geslaagd geacht in de bewijsopdracht en in conventie de vordering tot betaling van de declaratie met rente toegewezen, onder matiging van de incassokosten tot

€ 600,- en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten volgens liquidatietarief.

4.5

De vorderingen in reconventie zijn afgewezen nu daaraan hetzelfde ten grondslag is gelegd als aan de in conventie verworpen verweren.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

Namens [appellant] zijn elf genummerde grieven ingediend tegen het tussenvonnis en het eindvonnis. PlasBossinade meent primair dat de memorie van [appellant] nietig is omdat deze niet voldoet aan de daaraan, op grond van artikel 347 Rv, te stellen eisen.

Hoewel de appeldagvaarding met grieven omvangrijk is (54 bladzijden en nog diverse producties), kan echter niet worden gezegd dat deze elf grieven niet voldoende kenbaar zijn. Voor nietigheid is geen reden.

5.2

De wijziging van eis in oorspronkelijke reconventie is tijdig - in de dagvaarding in hoger beroep met de grieven - gedaan en PlasBossinade heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Het hof zal recht doen op de gewijzigde vordering.

5.3

Nu het hof zelfstandig de relevante feiten heeft vastgesteld, heeft [appellant] geen belang bij zijn grief I, waarmee hij betoogt dat de feitenvaststelling onvolledig is. Er is overigens geen rechtsregel die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

5.4

Met grief II stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte zijn beroep op niet-ontvankelijkheid van PlasBossinade heeft verworpen.

De grief is ongegrond. PlasBossinade heeft uitgelegd dat en hoe de vordering van de maatschap is ingebracht in haar onderneming en gesteld dat daarvan mededeling is gedaan aan [appellant] . In hoger beroep heeft PlasBossinade, voor zover nodig, die mededeling als verkrijger herhaald. Dat [appellant] er al eerder van op de hoogte was dat de maatschap is opgegaan in PlasBossinade blijkt uit het feit dat hij zijn tegenvordering in eerste aanleg, gebaseerd op het handelen van maten in de maatschap, tegen deze vennootschap heeft ingediend.

5.5

Volgens grief V van [appellant] is het eindvonnis van de kantonrechter nietig, omdat dit vonnis zonder aankondiging vooraf is gewezen door een andere kantonrechter dan de rechter ten overstaan van wie de getuigenverhoren zijn gehouden. Daarnaast was laatstbedoelde rechter volgens het register een maand na dit eindvonnis nog steeds werkzaam bij de rechtbank, aldus de toelichting op de grief.

Artikel 155 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter ten overstaan van wie bewijs is bijgebracht, zoveel als mogelijk het eindvonnis wijst. Lid 2 van dit artikel eist dat van afwijking van deze regel en de oorzaak daarvan in het vonnis (cursivering hof) melding wordt gemaakt. Van afwijking van het bepaalde in het tweede lid staat overigens geen voorziening open.

Dat brengt mee dat de grief reeds hierop afstuit (vgl. in dezelfde zin hof Den Bosch, ECLI:NL:GHSHE:2015:4426).

5.6

Het hof voegt nog het volgende toe. De in dit geval in het bewuste eindvonnis vermelde oorzaak geeft, in het licht van in het eerste lid neergelegde eis, geen helder inzicht in de noodzaak van een rechterswisseling. Voorstelbaar is dat [appellant] daaraan twijfelt wanneer hij reden heeft te denken dat de bewuste rechter nog steeds in de rechtbank werkzaam is. Het is het hof echter ambtshalve bekend dat de bewuste rechter sinds zijn beëdiging als raadsheer-plaatsvervanger op 8 juni 2015 werkzaam is bij dit hof, aanvankelijk op detacheringsbasis zodat hij terecht nog werd vermeld op de lijst van rechters, verbonden aan de rechtbank Midden-Nederland. Feitelijk kon deze rechter vanaf 8 juni 2015 geen zaken meer doen van eerste aanleg.

5.7

Voor zover [appellant] in de toelichting op zijn eerste grief heeft gewezen op een 'norm dat een dergelijke wisseling van rechter dient te worden medegedeeld opdat men kan verzoeken om voor de rechter die de einduitspraak zal wijzen ter zitting gehoord te worden', lijkt [appellant] te duiden op rechtspraak van de Hoge Raad over een rechterswisseling na comparitie of pleidooi (ECLI:NL:HR:2014:3076 en ECLI:NL:HR:2016:662). Een getuigenverhoor, waarvan terstond in aanwezigheid van de getuige proces-verbaal wordt opgemaakt dat door de getuige wordt getekend en dient als bewijsmiddel, is echter geen 'oral hearing' of mondelinge uitwisseling van standpunten van de procespartijen zoals bedoeld in deze uitspraken. De wet geeft ook nadrukkelijk de mogelijkheid dat een getuige door een andere rechter wordt gehoord dan de rechter die het bewijsmiddel beoordeelt, zie de artikelen 174 lid 1 en 176 Rv. Ook de rechter in hoger beroep heeft het te doen met de verklaringen van

getuigen zoals die in eerste aanleg zijn opgemaakt. Grief V faalt.

5.8

Met grief III betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte de pagina's 46 tot en met 130 van zijn conclusie van antwoord buiten beschouwing heeft gelaten. In randnummer 51 stelt [appellant] dat het tot zijn vrijheid en partijautonomie behoort om zijn processtukken in te richten zoals hij dat wenst.

Het hof verwerpt deze grief. De kantonrechter heeft er terecht op gewezen dat het opnemen van processtukken van voorgaande procedures met verzoek het daarin vermelde van overeenkomstige toepassing te beschouwen, niet voldoende is. De partij die zich op stellingen en feiten beroept, dient dat op een zodanige wijze te doen dat dit voor de rechter en de wederpartij duidelijk is (zie HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7201).

In hoger beroep heeft [appellant] in enkele pagina's een samenvatting gegeven van wat er in de eerdere procedures is voorgevallen. Met de enkele opmerking in randnummer 55 dat 'dit een en ander thans - hoe dan ook - alsnog in de beoordeling dient te worden betrokken' miskent [appellant] wederom dat hij duidelijke stellingen dient te betrekken die relevant zijn voor het concrete geschil en deze dient te onderbouwen. Het komt voor risico van [appellant] indien die stellingen onvoldoende kenbaar in de woordenbrij zijn te ontwaren.

5.9

In het tussenvonnis is overwogen dat:

a. a) [appellant] in beginsel gehouden is tot betaling van de factuur indien komt vast te staan dat hij aan PlasBossinade de opdracht heeft gegeven voor een second opinion en daarbij heeft meegedeeld dat hij daarvoor toestemming had van SRK, en

b) het verweer dat hij beter geïnformeerd had moeten worden over zijn betalingsverplichting indien SRK niet zou betalen, dan niet opgaat, en

c) het ontbreken van een opdrachtbevestiging, hoewel dat klachtwaardig is, niet aan de totstandkoming van een opdracht in de weg staat en

d) geen sprake is van gezag van gewijsde van de onder 3.15 bedoelde uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad met betrekking tot het dossier [appellant] / [C] .

[appellant] betoogt met zijn grief IV dat de kantonrechter ten onrechte niet meteen de vordering van PlasBossinade heeft afgewezen en zijn tegenvorderingen heeft toegewezen, maar eerst nog een bewijsopdracht heeft verstrekt.

5.10

In randnummer 74 heeft [appellant] herhaald dat gezag van gewijsde toekomt aan de beslissing van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 september 2009 (productie 16 bij dagvaarding in eerste aanleg) met betrekking tot het dossier- [C] .

Het hof acht dit onderdeel van de grief gegrond. In het bewuste vonnis wordt onder 4.3 overwogen dat [appellant] zich zowel heeft verweerd tegen de hoogte van de declaratie als ook andere verweren heeft gevoerd. De rechtbank overweegt onder 4.4 met betrekking tot de hoogte van de declaratie onbevoegd te zijn. In 4.5 staat dat zij wel bevoegd is met betrekking tot de andere verweren, waarna zij in een ten overvloede-redenering onder 4.9 oordeelt dat [appellant] wel opdracht heeft gegeven voor werkzaamheden in het dossier- [B] . Onder 4.11 oordeelt de rechtbank dat PlasBossinade de gestelde opdracht met betrekking tot het dossier- [C] niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd. Daarna volgt nog een overweging over de proceskosten, waarna in het dictum de vorderingen van PlasBossinade worden afgewezen. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel ingesteld.

Het bewuste vonnis is niet helder gemotiveerd, maar [appellant] heeft uit de wijze waarop de motivering is opgezet en uit het daarop gevolgde dictum mogen begrijpen dat overweging 4.11 (evenals de daarop volgende overweging) geen overweging ten overvloede was en de vordering inzake het dossier- [C] dus werd afgewezen.

Dat betekent dat het hof de bestreden vonnissen zal moeten vernietigen voor zover anders is geoordeeld en [appellant] is veroordeeld tot betaling van de declaratie inzake werkzaamheden in het dossier- [C] .

Het hof komt hier onder 5.22 op terug.

5.11

Volgens [appellant] staat het ontbreken van een opdrachtbevestiging wel in de weg aan het tot stand komen van een opdracht. Ook had PlasBossinade zelf moeten nagaan of juist was dat SRK de kosten zou dragen en moet zij van dat nalaten de gevolgen dragen, ook als [appellant] haar onjuist zou hebben geïnformeerd, wat hij overigens betwist.

[appellant] heeft niet verwezen naar een rechtsregel waarin staat dat een opdracht zonder opdrachtbevestiging niet geldig is. Het hof heeft deze ook niet aangetroffen in de Advocatenwet. [appellant] heeft zich voorts beroepen op artikel 6:248 leden 1 en 2 BW en gesteld dat sprake is van een gewoonte. Een toelichting waaruit blijkt van het bestaan van een gewoonte die meebrengt dat geen sprake is van een opdracht zolang de bevestiging van de opdrachtnemer uitblijft, heeft het hof niet in de stukken van [appellant] aangetroffen. Dat het tuchtrechtelijk laakbaar is wanneer een advocaat geen opdrachtbevestiging stuurt, brengt nog niet mee dat er een gewoonte is om pas van een opdracht te spreken wanneer deze schriftelijk bevestigd is. Ook valt niet in te zien dat dit voortvloeit uit de redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar in acht moeten nemen. [appellant] heeft voorts niet nadrukkelijk gesteld en onderbouwd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat PlasBossinade zich op een opdracht beroept zonder deze te hebben bevestigd.

Daarmee is niet, althans onvoldoende, onderbouwd waarom overweging c) in 5.9 onjuist zou zijn.

5.12

Het had partijen wellicht bewijsproblemen bespaard wanneer de advocaten van PlasBossinade niet aan het werk waren gegaan voordat [appellant] dan wel SRK een opdrachtbevestiging had ontvangen. En zeker achteraf bezien was het verstandiger geweest indien PlasBossinade voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden contact had opgenomen met SRK om te verifiëren of de (door haar gestelde) mededeling van [appellant] dat hij toestemming van SRK had, inderdaad juist was. Het achterwege laten daarvan leidt echter zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot verlies van het recht op betaling voor uitvoering van de opdracht, indien van een opdracht sprake is.

Door [appellant] is niet, althans niet voldoende duidelijk, gesteld (en al helemaal niet te bewijzen aangeboden) dat, àls hij opdracht voor de second heeft gegeven aan PlasBossinade onder mededeling dat SRK daarvoor toestemming had gegeven, PlasBossinade niet gerechtvaardigd had mogen vertrouwen op zijn wilsverklaring. De kantonrechter heeft dan ook terecht overwogen dat, indien PlasBossinade bewijst dat [appellant] haar opdracht heeft gegeven en daarbij heeft verklaard dat dat SRK hem daarvoor toestemming heeft gegeven, [appellant] in beginsel aansprakelijk is voor betaling en de overige verweren tegen die aansprakelijkheid voor betaling (door [appellant] samengevat in randnummer 63 van zijn appelmemorie) niet opgaan. [appellant] heeft dan immers zelf met onjuiste informatie PlasBossinade op het verkeerde been gezet.

In zoverre faalt grief IV.

5.13

Met de grieven VI en VII komt [appellant] op tegen het oordeel dat PlasBossinade is geslaagd in het haar opgedragen bewijs en tegen de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Die motivering is mede gestoeld op het uitgangspunt van de kantonrechter dat de getuigen Hoekstra en Timmer materieel partijgetuigen zijn, hetgeen PlasBossinade met haar grief in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep betwist. Het hof zal om proceseconomische redenen eerst deze grief bespreken, want als de grieven van [appellant] zouden slagen, zou het hof, indien ook de grief in incidenteel hoger beroep slaagt, het bewijs opnieuw moeten waarderen aan de hand van de dan geldende maatstaf.

5.14

[appellant] heeft er in zijn conclusie na enquête op gewezen dat zowel Hoekstra als Timmer partner bij PlasBossinade zijn en daarom in ieder geval materieel als partijgetuigen zijn aan te merken. De kantonrechter heeft aangenomen dat met 'partner' bedoeld zal zijn dat betrokkenen bestuursleden van PlasBossinade zijn en heeft hen daarom aangemerkt als partijgetuige, waarna bij de bewijswaardering de maatstaf van artikel 164 lid 2 Rv is aangelegd.

PlasBossinade heeft in hoger beroep uitdrukkelijk betwist dat Hoekstra en Timmer bestuursleden van haar zijn. [appellant] heeft dat in zijn memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep niet weersproken.

Wanneer een rechtspersoon de formele procespartij is, dienen als partijgetuige te worden aangemerkt de statutaire bestuurder alsmede degene die krachtens de wet of de statuten de rechtspersoon mag vertegenwoordigen (zie twee uitspraken van de Hoge Raad van

22 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1928 en ZC1932), op het moment dat deze persoon als getuige wordt gehoord (ECLI:NL:HR:2011:BO5804). Gesteld noch gebleken is dat Hoekstra en Timmer de bedoelde vertegenwoordigingsbevoegdheid hadden, zodat zij niet op die grond partijgetuigen zijn.

Daarnaast kan, indien een rechtspersoon de formele procespartij is, degene die door haar wordt vertegenwoordigd en daarmee materiële partij is, als partijgetuige worden aangemerkt (ECLI:NL:HR:2005:AT2449). Het enkele feit dat genoemde getuigen (middellijk) aandeelhouder in de vennootschap zijn, brengt niet mee dat zij met de formele procespartij op één lijn te stellen zijn en materieel procespartij zijn in deze procedure. Dat volgt evenmin uit het dreigement van persoonlijke aansprakelijkheidsstelling in randnummer 16 van de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

Bij de waardering van het bewijs in deze zaak geldt dan ook met betrekking tot de verklaringen van Hoekstra en Timmer niet de beperking van de bewijskracht op grond van artikel 164 lid 2 Rv. De grief in incidenteel hoger beroep is gegrond.

5.15

Hoekstra en Timmer hebben allebei, gehoord als getuige, verklaard dat [appellant] in het gesprek van medio 2005 erop is gewezen dat zij geen zaken op toevoegingsbasis doen. Getuige Timmer heeft verklaard dat hij dit in het volgende gesprek, dat hij eind 2006 samen met Hoekstra voerde met [appellant] , heeft herhaald en erop heeft gewezen dat [appellant] zelf zou moeten betalen als hij wilde dat zij gelijk aan het werk gingen en voorts tegen [appellant] heeft gezegd dat hij eraan twijfelde of [appellant] dat wel kon betalen. Zowel Hoekstra als Timmer verklaren dat toen aan [appellant] de mogelijkheid is voorgehouden dat eerst een second opinion zou worden uitgebracht, waarvoor [appellant] toestemming moest zien te krijgen van SRK. Volgens getuige Timmer heeft hij [appellant] er nog op gewezen dat hij zonder die toestemming zelf de kosten zou moeten betalen.

Volgens Hoekstra is hij op 15 of 16 januari 2007 door [appellant] gebeld met de mededeling dat het was geregeld en dat mevrouw [D] (destijds werkzaam bij SRK - hof) toestemming had verleend voor een second opinion. Ook vroeg [appellant] of Hoekstra wilde regelen dat de dossiers van mr. Koelemaij bij hem, Hoekstra, kwamen. Getuige Timmer verklaart dat Hoekstra hem in januari 2007 van dit telefoongesprek op de hoogte heeft gebracht. Uit de verklaring van beide getuigen blijkt dat zij in onderling overleg hebben besloten dat [appellant] zelf de dossiers zou opvragen, waarna de brief van 18 januari 2007 is gestuurd (zie 3.6).

Daarna heeft, volgens getuige Hoekstra, [appellant] hem op 22 januari 2007 gebeld en om een concept gevraagd voor een brief waarmee hij de dossiers bij mr. Koelemaij kon opvragen. Dat heeft Hoekstra gedaan met de onder 3.7 vermelde brief waarna [appellant] de dossiers op 25 januari 2007 bij PlasBossinade heeft afgegeven.

5.16

Volgens getuige Hoekstra heeft [appellant] ook bij de Raad van Discipline bevestigd dat hij naar een andere advocaat wilde voor een second opinion, daarover contact heeft gehad met mevrouw [D] die daarmee akkoord ging en dat hij dit aan hem, Hoekstra, heeft meegedeeld.

PlasBossinade heeft bij conclusie na enquête een schriftelijke en ondertekende verklaring overgelegd van de bij haar werkzame mr. D. Kuiken, gedateerd 15 april 2015. Daarin staat dat mr. Kuiken Hoekstra heeft bijgestaan tijdens de zitting bij de Raad van Discipline en:

"dat [appellant] , desgevraagd door de voorzitter van de Raad van Discipline, verklaarde:

- dat hij van SRK (de dame met wie hij telefonisch sprak) had begrepen dat er toestemming was voor het geven van een second opinion door PlasBossinade;

- dat hij dit ook telefonisch aan mr. Hoekstra van PlasBossinade had doorgegeven; en

- dat hij vervolgens de dossiers daarvoor bij PlasBossinade heeft afgegeven."

5.17

[appellant] heeft, gehoord als getuige, verklaard dat zijn geheugen hem sinds zijn hersenbloeding soms in de steek laat. Hij herinnert zich een keer een intakegesprek bij PlasBossinade over zijn geschil met de Friesland Bank, waarvoor hij nog geen dekking van SRK had gekregen. Afgesproken is toen dat als hij daarvoor geen dekking zou krijgen, een toevoeging mogelijk zou zijn. Over dat gesprek, dat volgens hem voor zijn hersenbloeding heeft plaatsgevonden, kan hij zich verder niets herinneren.

Over de gang van zaken rond de totstandkoming van de second opinion heeft [appellant] verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat dit woord door hem of PlasBossinade is gebruikt. Hij kan zich de ontvangst van de brief van 18 januari 2007 niet herinneren en evenmin of hij daarop heeft gereageerd. Ook de telefoongesprekken van 18 en

22 januari 2007 herinnert hij zich niet. Hij heeft wel de brief van 24 januari 2007 ontvangen en heeft de daarbij gevoegde conceptbrief naar mr. Koelemaij gestuurd. Of hij daarna de gevraagde dossiers heeft ontvangen weet hij niet. De brief van 25 januari 2007 is van hem, maar de inhoud kan hij zich niet herinneren.

Hij kent mw. [D] als contactpersoon van SRK. Zij heeft hem een keer gebeld over deze zaak en verwachtte dat er dekking zou komen voor de zaak tegen de Friesland Bank.

Geconfronteerd met het proces-verbaal van de zitting bij de Raad van Discipline heeft [appellant] verklaard dat hij het vreemd vindt dat hij gezegd zou hebben dat mevrouw [D] , werkzaam bij SRK, hem telefonisch heeft bevestigd dat er dekking was. Hij kan zich dat niet herinneren. Mogelijk is er sprake van verwarring. Hij heeft niet gezegd dat dossiers, waarvoor al dekking was verleend, overgenomen konden worden door PlasBossinade. Mevrouw [D] heeft alleen gezegd dat zij verwachtte dat er nog wel dekking zou komen voor het dossier van de Friesland Bank. PlasBossinade zou dat dossier dan kunnen behandelen.

Op de brief van 3 juli 2007 heeft hij niet gereageerd, want hij heeft de daarin vermelde opdracht niet verstrekt. Waarom hij niet in die zin gereageerd heeft, weet [appellant] niet; hij denkt dat hij daar toen niet toe in staat was.

Hij weet ook niet waarom hij in zijn reactie op de factuur (zie onder 3.14) wel heeft aangevoerd dat hij dacht dat er een toevoeging zou worden verleend, maar niet dat er geen opdracht is verstrekt aan PlasBossinade.

5.18

In contra-enquête is mr. Koelemaij als getuige gehoord. Hij heeft, voor zover relevant, verklaard dat hij na de hersenbloeding van [appellant] op verzoek van diens broer en zaakwaarnemer de zaken [B] en [C] heeft gesloten en dat heeft doorgegeven aan SRK. [appellant] bleek tegen de verwachting in goed uit zijn hersenbloeding te komen. Hij was het oneens met de beslissing genoemde dossiers te sluiten. Op een later verzoek van [appellant] heeft de getuige die dossiers aan hem afgegeven. Op enig moment daarna heeft hij [appellant] gebeld, die hem vertelde dat hij contact had gehad met PlasBossinade die wel een paar zaken wilde overnemen, maar dat hij geen opdracht voor werkzaamheden had gegeven.

5.19

Het hof acht PlasBossinade in haar bewijsopdracht geslaagd, gelet op de verklaring van Hoekstra over de telefonische mededeling van [appellant] op 15/16 januari 2007, het feit dat [appellant] daarna met gebruikmaking van een conceptbrief van PlasBossinade zijn dossiers bij mr. Koelemaij heeft opgevraagd, deze dossiers bij PlasBossinade heeft bezorgd met de door hem geschreven brief, weergegeven onder 3.7, en vervolgens nog contact heeft opgenomen met PlasBossinade met onder andere het verzoek om na te kijken of mr. Koelemaij in die dossiers wettelijke rente heeft aangezegd. Voorts heeft [appellant] bij de Raad van Discipline volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal opgemerkt dat SRK telefonisch heeft bevestigd dat er dekking zou zijn. Nu de klachtprocedure tegen mr. Hoekstra bij de Raad betrekking had op de door PlasBossinade verzonden declaratie voor de second opinion en op de daarin in rekening gebrachte werkzaamheden zonder informatie vooraf over het uurtarief, begrijpt het hof deze opmerking in de context van de werkzaamheden waarop de tuchtklacht betrekking had. Dit strookt met de verklaring van Hoekstra over het verhandelde bij de Raad voor Discipline. Daarbij sluit de schriftelijke verklaring van mr. Kuiken (over wie geen informatie is verstrekt waaruit het hof kan afleiden of hij wel of niet partijgetuige is) ook naadloos aan.

[appellant] heeft, gehoord als getuige, een weinig consistente verklaring afgelegd. De verklaring bevat veel lacunes omdat [appellant] zich weinig zegt te herinneren, met name omtrent gebeurtenissen die niet in zijn voordeel pleiten. Het bevreemdt het hof dat hij zich dan bepaalde andere punten juist heel goed zou herinneren, temeer nu de in contra-enquête gehoorde getuige Koelemaij verklaart dat [appellant] 'goed uit zijn hersenbloeding' is gekomen.

[appellant] heeft niet uitgelegd waarom hij meende dat PlasBossinade de door hem bezorgde dossiers zou bestuderen en zijn vraag zou beantwoorden of in die zaken al wettelijke rente was aangezegd, wanneer PlasBossinade geen opdracht voor werkzaamheden zou hebben. [appellant] heeft ook geen poging gedaan om zijn brief van 25 januari 2007 (zie 3.7) in een perspectief te zetten dat past bij zijn standpunt. Zijn subsidiaire stelling dat PlasBossinade de opdracht op toevoegingsbasis had moeten doen indien SRK niet zou betalen, spreekt zijn stelling tegen dat hij geen opdracht heeft verstrekt.

De grieven VI en VII falen.

5.20

[appellant] heeft zich tegen aansprakelijkheid voor de rekening verweerd met de stelling dat hij ervan uitging dat alsnog een toevoeging kon worden aangevraagd. De kantonrechter heeft dit verweer verworpen en daartegen keert [appellant] zich met zijn grief VIII.

Deze grief is ongegrond. Uit de getuigenverklaringen van Hoekstra en Timmer volgt dat [appellant] al bij zijn eerste bezoek is meegedeeld dat niet op toevoegingsbasis wordt gewerkt. Timmer heeft verklaard dat hij die boodschap nog heeft herhaald tijdens het gesprek eind 2006 en [appellant] te verstaan heeft gegeven dat, als SRK niet betaalt, de kosten voor rekening van [appellant] zelf komen. Deze verklaringen zijn consistent en geloofwaardig, terwijl de herinnering van [appellant] aan de mondelinge en schriftelijke contacten met PlasBossinade zo lacuneus en inconsequent is, dat het hof daaraan onvoldoende tegengewicht kan toekennen.

Het hof gaat er dan ook van uit dat PlasBossinade voor aanvang van de werkzaamheden heeft meegedeeld niet op toevoegingsbasis aan de slag te willen. Pas nadat [appellant] meedeelde dat hij van SRK toestemming had gekregen voor een second opinion, zoals hiervoor bewezen is geacht, zijn de werkzaamheden verricht. [appellant] kan dan na afloop niet verlangen dat alsnog een toevoeging wordt aangevraagd omdat zijn mededeling onjuist was.

Evenmin kan [appellant] daarop aanspraak maken om de enkele reden dat PlasBossinade sporadisch een zaak op toevoegingsbasis doet. Bepalend zijn de afspraken die hij met PlasBossinade gemaakt heeft en op basis daarvan mocht hij niet de veronderstelling hebben waarop hij zich nu beroept.

5.21

Grief IX keert zich tegen de oordeel van de kantonrechter dat er geen inhoudelijk bezwaar is gemaakt tegen de door de Raad van Toezicht begrote bedrag van de declaratie. De verwijzingen van [appellant] naar zijn verweren in die begrotingsprocedure en de daarop gevolgde, maar ingetrokken exequaturprocedure zijn door de kantonrechter als onvoldoende kenbaar en inzichtelijk buiten beschouwing gelaten.

Anders dan [appellant] in zijn toelichting op grief IX veronderstelt, is dit oordeel niet (door het slagen van zijn grief III) onjuist bevonden. Het (opnieuw in hoger beroep) verwijzen naar de pagina's 76 tot en met 80 en 89 tot en met 91 van zijn conclusie van antwoord, waarin grote delen van zijn processtukken in de begrotings- en exequaturprocedure zijn ingelast, wordt dan ook in hoger beroep als onvoldoende kenbaar en inzichtelijk terzijde gesteld.

[appellant] heeft voorts nog gewezen op randnummer 97 van zijn conclusie van antwoord, waarin hij stelt dat hij feitelijk niets heeft aan de brief van negen en een halve pagina's en dat het daarvoor gevorderde bedrag, ook na de begrotingsprocedure, daarmee niet in redelijke verhouding staat. [appellant] meent dat hem niet het recht onthouden kan worden dat een onafhankelijke rechter daarover oordeelt.

Het hof kan zich voorstellen dat het teleurstellend is wanneer ook een second opinion (kennelijk) geen goudgerand toekomstscenario schetst, althans niet tot het door [appellant] gewenste resultaat leidt. Maar ook al heeft [appellant] daar dan, in zijn woorden, feitelijk niets aan, ook voor dat advieswerk dient betaald te worden en de omvang van de tegenprestatie is niet afhankelijk van de mate waarin de uitkomst van het advies [appellant] bevalt.

Juist is dat met [appellant] geen tariefafspraak is gemaakt. In dat geval is op grond van artikel

7:405 lid 2 BW het gebruikelijke of, bij gebreke daarvan, redelijke loon verschuldigd.

[appellant] heeft echter niet (voldoende kenbaar) geconcretiseerd waarom de begroting door de Raad van Toezicht, getoetst aan die maatstaf, onjuist is.

Het hof verwerpt dan ook deze grief.

5.22

Gelet op het gedeeltelijk slagen van grief IV (aan de afwijzing van de vordering van PlasBossinade betreffende het dossier- [C] komt gezag van gewijsde toe) heeft PlasBossinade slechts recht op vergoeding voor haar werkzaamheden in het andere dossier.

[appellant] heeft als productie 1 tot en met 19 bij zijn conclusie van antwoord in conventie het op het oog complete dossier van de stukken voor de begrotingsprocedure overgelegd (een stapel papier van bijna 5 centimeter dikte), maar het hof heeft in het procesdossier geen verwijzing aangetroffen naar een concrete vindplaats waaruit kan blijken welk deel van de declaratie op het ene dan wel het andere dossier betrekking heeft. Een nauwkeurige vaststelling is daarmee niet mogelijk.

In hoger beroep verwijst [appellant] naar de randnummers 65 tot en met 67 van zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg. Daarin leest het hof dat [appellant] een pro rata benadering voorstaat op basis van het aantal pagina's in het advies dat aan de ene of de andere zaak is gewijd.

Het hof volgt deze benadering niet nu, zoals overigens ook deze zaak bewijst, het aantal geschreven pagina's geen weergave hoeft te zijn van daaraan voorafgegane werkzaamheden zoals aan bestudering van de stukken en aan nader (juridisch) onderzoek bestede tijd.

Gelet op a) de opmerking van mr. Van Mombergen in randnummer 142 van de memorie van grieven dat proces-economische motieven hem hebben weerhouden van extra procedurestappen, b) het relatief geringe zaaksbelang en c) het ontbreken van enig aanknopingspunt voor het hof waaruit de moeilijkheidsgraad van de problematiek in de beide dossiers blijkt, schat het hof de omvang van de werkzaamheden voor de second opinion per dossier op 50% van de begrote declaratie, waarmee de hoofdsom uitkomt op € 2.026,22.

5.23

In de toelichting op grief X wordt bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente over de toegewezen hoofdsom, tegen de toegewezen buitengerechtelijke kosten, de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordelingen en de veroordeling in de proceskosten van het geschil in conventie.

5.24

Bij het toesturen van de declaratie van 5 december 2007 is [appellant] een betalingstermijn gegeven tot en met 4 januari 2008. Nu PlasBossinade niet heeft gesteld dat deze betalingstermijn is overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit uit de aard van de overeenkomst in verband met de omstandigheden van het geval en daarom 'een voor de voldoening bepaalde termijn' is in de zin van artikel 6:83 onder a BW, leidt overschrijding van de termijn niet automatisch tot verzuim, als gevolg waarvan wettelijke rente verschuldigd wordt (vgl. HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593).

Anders dan de kantonrechter kan het hof daarom niet uitgaan van verzuim met ingang van

5 januari 2008.

PlasBossinade heeft, volgens de kantonrechter terecht, uit de brief van [appellant] van 18 december 2007 mogen afleiden dat hij in de nakoming tekort zou schieten, zodat het verzuim ingevolge artikel 6:83 sub c BW zonder ingebrekestelling intreedt. [appellant] schrijft:

"Deze facturen betwisten wij, gezien het feit dat dat ons te kennen is gegeven dat hier een 'toevoeging' op z'n plaats zou zijn geweest, waar U mij niets over heeft mede gedeeld."

Het hof leest in de passage geen mededeling niet te zullen nakomen of ontkenning van [appellant] dat op hem enige verplichting rust, maar eerder een verzoek om nadere toelichting. Die is vervolgens bij brief van 2 januari 2008 gegeven, waarna PlasBossinade [appellant] bij aangetekende brief van 28 oktober 2007 heeft gesommeerd uiterlijk op 7 november 2008 te betalen, bij gebreke waarvan hij zal worden gedagvaard en [appellant] wettelijke rente en incassokosten verschuldigd zal zijn.

Het verzuim is daarmee op 8 november 2008 ingetreden en niet, zoals [appellant] stelt, eerst op 15 maart 2012.

Voor de ingangsdatum van het verzuim is niet van belang dat de omvang van de vordering nadien op een lager bedrag is gesteld. Wettelijke rente is verschuldigd per 8 november 2008.

5.25

[appellant] betwist dat PlasBossinade buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht die vallen onder het toepasselijke Rapport Voorwerk II, afgezien van herhaalde aanmaningen. PlasBossinade heeft gewezen op diverse producties waaruit het tegendeel zou moeten volgen.

Het hof constateert dat PlasBossinade niet heeft gesteld dat sprake is van bedongen incassokosten. Het hof is van oordeel dat het opstellen van een sommatiedagvaarding, later gevolgd door het uitbrengen van een dagvaarding, behoort tot kosten ter voorbereiding van de procedure. Het moeten volgen van de begrotingsprocedure is geen incassomaatregel, maar het gevolg van een geschil over de hoogte van een declaratie.

Het hof wijst de post voor buitengerechtelijke incassokosten af. In zoverre is grief X gegrond.

5.26

[appellant] heeft niet concreet onderbouwd waarom het vonnis van de kantonrechter ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en welk belang hij bij deze grief heeft in afwachting van dit arrest. Het hof passeert daarom dit onderdeel van grief X.

5.27

Met grief XI betoogt [appellant] dat de kantonrechter zijn vorderingen in reconventie ten onrechte heeft afgewezen en hij bepleit alsnog toewijzing van zijn gewijzigde vorderingen.

Anders dan [appellant] aan die vorderingen ten grondslag legt is wel gebleken van een contractuele grondslag voor gedeclareerde werkzaamheden zonder toevoeging. Dat enkele tuchtklachten gegrond zijn bevonden, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat jegens [appellant] onrechtmatig is gehandeld of dat toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de opdracht, en dat PlasBossinade daarvoor aansprakelijk is. Deze gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen.

Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is er ook geen reden om voor recht te

verklaren dat PlasBossinade niets te vorderen heeft, PlasBossinade te verbieden haar vordering te incasseren (of variaties op dit thema) en te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen ter voldoening aan het bestreden vonnis mocht zijn voldaan.

Het petitum onder IX houdt in dat het hof de beslissingen mag geven die het in goede justitie nodig vindt. Dat is, separaat geformuleerd, te onbepaald voor toewijzing.

Grief XI faalt.

5.28

De grieven IV en X in principaal hoger beroep zijn gedeeltelijk gegrond, zodat de bestreden vonnissen in conventie zullen worden vernietigd. Het hof zal [appellant] veroordelen tot betaling van € 2.026,22 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2008 tot voldoening.

Gelet op de uitkomst van de procedure heeft de kantonrechter [appellant] in conventie ten onrechte als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, waar partijen over en weer ongelijk hadden. Het hof zal de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie alsnog compenseren, zodat iedere partij de aan eigen zijde gevallen kosten draagt.

Het vonnis in reconventie wordt bekrachtigd.

Hoewel in principaal hoger beroep slechts een gering deel van de grieven gegrond is, zijn partijen materieel over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. Het hof compenseert daarom de proceskosten in principaal hoger beroep.

Het incidentele hoger beroep is, met het oog op de devolutieve werking, nodeloos ingesteld. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer ECLI:NL:HR:2001:AB2737) kan een kostenveroordeling achterweg blijven.

5.29

[appellant] heeft nog gevorderd terugbetaling van hetgeen hij uit hoofde van de vonnissen waarvan beroep reeds aan PlasBossinade heeft voldaan voor het geval PlasBossinade hangende de procedure in hoger beroep tot executie van die vonnissen zou overgaan. Dat aan die voorwaarde is voldaan is gesteld noch gebleken. De vordering behoeft daarom geen (verdere) bespreking.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussenvonnis van 3 september 2014 en het eindvonnis van 21 oktober 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, voor zover in conventie gewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan PlasBossinade te betalen een bedrag van € 2.026,22, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 8 november 2008 tot voldoening;

compenseert de proceskosten in conventie, zodat iedere partij de aan eigen zijde gevallen kosten dient te dragen;

bekrachtigt het eindvonnis van 21 oktober 2015 in reconventie;

compenseert de proceskosten in principaal hoger beroep;

verklaart de veroordelingen in deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. W.P.M. ter Berg en mr. J.H. Kuiper en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

21 november 2017.