Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1020

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
200.202.022/01 en 200.205.129/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.202.022/01 en 200.205.129/01

(zaaknummers rechtbank C/17/143825 / FA RK15-1457, C/17/149186 / FA RK 16/850 en C/17/150785 / FA RK 16-1330)

beschikking van 7 februari 2017

ten aanzien van de zaken met de nummers 200.202.022/01 en 200.205.129/01

inzake

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K.B. Spoelstra, kantoorhoudend te Groningen,

en

Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: het LJ&R.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

ten aanzien van de zaak met nummer 200.202.022/01

1. Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

verder te noemen: het regiecentrum,

ten aanzien van de zaken met de nummers 200.202.022/01 en 200.205.129/01

2. De pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ,

wonende op een geheim adres.

1 Het geding in eerste aanleg

ten aanzien van de zaak met nummer 200.202.022/01

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 november 2015, 15 maart 2016, 1 april 2016 en 3 augustus 2016, uitgesproken onder zaaknummers C/17/143825 / FA RK 15-1457 en C/17/149186 / FA RK 16/850.

ten aanzien van de zaak met nummer 200.205.129/01

1.2

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 november 2016, uitgesproken onder zaaknummer C/17/150785 / FA RK 16-1330.

2 Het geding in hoger beroep

ten aanzien van de zaak met nummer 200.202.022/01

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 25 oktober 2016;

- het verweerschrift van het regiecentrum met productie(s);

- een journaalbericht van 18 mei 2016 van mr. Spoelstra met productie(s);

- een brief van 2 november 2016 van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad);

- het brief van 29 december 2016 met productie(s) van het LJ&R.

ten aanzien van de zaak met nummer 200.205.129/01

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 30 november 2016;

- een brief van 14 december 2016 van de raad met productie(s).

- een journaalbericht van 16 december 2016 van mr. Spoelstra met productie(s);

- een journaalbericht van 2 januari 2017 van mr. Spoelstra met productie(s).

ten aanzien van beide zaken

2.3

De minderjarige [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2004, is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 11 januari 2017 plaatsgevonden. Gelet op de onderlinge samenhang zijn de zaken met nummers 200.202.022/01 en 200.205.129/01 gevoegd behandeld. Verschenen zijn de moeder en mr. Spoelstra. Namens het regiecentrum zijn verschenen mevrouw mr. [A] en de heer [B] en namens het LJ&R mevrouw [C] en mevrouw [D] . Namens de raad was de heer [E] aanwezig. Mr. [A] en mevrouw [C] hebben het woord gevoerd mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

De moeder en de heer [F] zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] ;

- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2005.

De moeder oefent sinds 2014 het gezag over hen alleen uit. De vader heeft alleen met [de minderjarige2] contact.

3.2

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 16 november 2012 onder toezicht. Sinds 2 juni 2014 zijn zij uit huis geplaatst. Vanaf december 2015 verblijven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in het huidige pleeggezin.

3.3

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 31 augustus 2015, heeft het regiecentrum voor-laatstelijk verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens is verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.4

Bij beschikking van 11 november 2015 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verlengd tot 16 november 2016. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg is bij die beschikking verlengd tot uiterlijk 16 maart 2016. Iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing is aangehouden. De raad is verzocht een onderzoek in te stellen en de kinderrechter te adviseren omtrent het aangehouden verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

3.5

Bij beschikking van 15 maart 2016 heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, tot uiterlijk 6 april 2016. Iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden.

3.6

Bij beschikking van 1 april 2016 heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, met ingang van 6 april 2016 tot uiterlijk 6 augustus 2016. Iedere verdere beslissing op het verzoek van het regiecentrum tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is aangehouden. De raad is opnieuw verzocht een onderzoek in te stellen en te adviseren omtrent het aangehouden verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing.

3.7

Bij beschikking van 3 augustus 2016 heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, tot uiterlijk 16 november 2016. Tevens is het regiecentrum vervangen door het LJ&R. Ook is bepaald dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op minimaal één keer per twee weken, gedurende vier uren, kan plaatsvinden, waarbij het aan het LJ&R is om te bepalen of de omgang onbegeleid kan plaatsvinden. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

3.8

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 20 september 2016, heeft het LJ&R laatstelijk verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verlengen voor de duur van een jaar alsmede de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.9

Bij beschikking van 11 november 2016 heeft de kinderrechter in de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verlengd tot 16 november 2017. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, tot uiterlijk 16 november 2017.

4 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de zaak met nummer 200.202.022/01

* Het hoger beroep inzake de beschikkingen van de rechtbank van 11 november 2015, 15 maart 2016 en 1 april 2016

4.1

Voor zover de moeder hoger beroep heeft ingesteld van de beschikkingen van de rechtbank van 11 november 2015, 15 maart 2016 en 1 april 2016 overweegt het hof als volgt.

4.2

Artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat van tussenbeschikkingen hoger beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Van een eindbeschikking is sprake indien in het dictum uitdrukkelijk wordt beslist omtrent enig deel van het verzochte en daarmee in zoverre een einde aan de rechtsstrijd wordt gemaakt. Naar het oordeel van het hof is in de beschikkingen van 11 november 2015, 15 maart 2016 en 1 april 2016 sprake van een eindbeslissing voor zover de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen met een bepaalde termijn is verlengd, omdat door middel van de beslissing in het dictum van de beschikking een eind is gemaakt ten aanzien van een deel van het verzochte. Naar het oordeel van het hof moeten de beschikkingen van 11 november 2015, 15 maart 2016 en 1 april 2016 dan ook worden aangemerkt als eindbeschikkingen voor zover het de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een bepaalde termijn betreft.

4.3

Het beroepschrift is bij het hof binnengekomen op 25 oktober 2016. Ingevolge artikel 358 lid 2 Rv bedraagt de termijn waarbinnen hoger beroep van de beschikkingen van 11 november 2015, 15 maart 2016 en 1 april 2016 kon worden ingesteld drie maanden, te rekenen van de dag van de betreffende uitspraak. Die termijn was ten aanzien van deze drie beschikkingen op het moment van indiening van het beroepschrift reeds verstreken. Derhalve dient de moeder niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar hoger beroep van de beschikkingen van 11 november 2015, 15 maart 2016 en 1 april 2016. De grieven van de moeder inzake deze beschikkingen behoeven derhalve geen bespreking meer.

Ten aanzien van de zaak met nummers 200.202.022/01 en 200.205.129/01

* De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (de beschikkingen van 3 augustus 2016 en 11 november 2016)

4.4

De moeder heeft aangevoerd dat sinds juni 2015 ten onrechte niet meer is ingezet op thuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Volgens de moeder heeft het regiecentrum ten onrechte nagelaten om beleid te ontwikkelen ten aanzien van thuisplaatsing van de kinderen. Op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt er een zware plicht op de overheid om toe te werken naar de hereniging van ouder en kind, aldus de moeder. De moeder heeft tevens aangevoerd dat de door het regiecentrum genomen kernbeslissing dat het perspectief van de kinderen in een perspectief biedend pleeggezin is gelegen, een beslissing is die haar burgerlijke rechten raakt, te weten het recht op gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM en het recht om haar kinderen te verzorgen en op te voeden (artikel 1:247 BW). De moeder is van mening dat haar recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM is geschonden, nu de kernbeslissing van het regiecentrum een intern genomen beleidsbeslissing betreft waartegen geen rechtsgang open staat.

Dat sinds de kernbeslissing in juni 2015 geen beleid meer is ontwikkeld gericht op thuisplaatsing, acht de moeder bovendien strijdig met de uitgangspunten van de Jeugdwet. Voorts wordt door het nemen van de kernbeslissing onvoldoende uitvoering gegeven aan het uitgangspunt zoals neergelegd in de VN richtlijnen voor alternatieve zorg voor kinderen.

4.5

Het hof gaat evenals de rechtbank aan deze stellingen voorbij. Het hof neemt de motivering van de rechtbank in de beschikking van 11 november 2016 op dit punt - na eigen onderzoek - over en maakt deze tot de zijne.

4.6

Voorts zal het hof voorbij gaan aan de grief van de moeder met betrekking tot artikel 6 EVRM, aangezien de duur van de procedure in eerste aanleg voor het grootste deel het gevolg is van twee raadsonderzoeken die noodzakelijk waren om meer inzicht te verkrijgen in de mogelijkheden tot terugplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de moeder, mede ook in relatie tot de problematiek van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

4.7

Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ten aanzien van de periode vanaf 6 augustus 2016 dient te worden verlengd. Bij de beoordeling hiervan dient het hof uit te gaan van de actuele situatie, ook wel ex nunc toetsing genoemd, en het belang van de minderjarigen tot uitgangspunt te nemen mede gelet op het bepaalde in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

4.8

Uit de stukken en de behandeling ter zitting komt naar voren dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een hechte band met de moeder hebben en dat er tussen hen sprake is van veel affectie. Hoewel de moeder twee maal de kans heeft gehad om te laten zien dat zij in staat is de kinderen een veilig en stabiel opvoedingsklimaat te bieden, is dit beide keren niet van de grond gekomen vanwege de toenmalige situatie van de moeder. De moeder heeft de intense wens om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] weer op zich te nemen en heeft gesteld dat zij de afgelopen periode een aanzienlijke positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, waardoor zij zichzelf hiertoe in staat acht. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn echter reeds ruim tweeëneenhalf jaar geleden uit huis geplaatst en gedijen sindsdien naar omstandigheden goed. Het hof staat dan ook voor een zeer lastige afweging waarbij het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een eerste overweging dient te vormen.

4.9

Vast staat dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een zeer belaste voorgeschiedenis hebben. Zij zijn destijds uit huis geplaatst vanwege onder andere de (forse) echtscheidingsproblematiek van de ouders. De kinderen groeiden in de thuissituatie bij de ouders langdurig op in een zeer onveilig opvoedingsklimaat. Er waren regelmatig en stelselmatig ruzies en spanningen tussen de ouders. Tussen november 2006 en september 2007 hebben de ouders hulp en begeleiding gehad vanwege hun relatie- en communicatieproblemen. In 2009 is hulpverlening in de vorm van [G] ingeschakeld, aangezien de kinderen verschillende keren getuige waren geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. In oktober 2010 zijn de ouders uit elkaar gegaan, waarna de kinderen bij de moeder zijn gaan wonen. Bij de moeder was sprake van een enorme angst voor de vader. Zij heeft diverse aangiftes gedaan van onder meer mishandeling en bedreiging door de vader en is verschillende keren met de kinderen gevlucht voor de vader. Hoewel in het voorjaar van 2012 [H] is ingezet om - onder andere - afspraken over het contact tussen de ouders onderling en over de omgang tussen de vader en de kinderen te bewerkstelligen, heeft dat niet tot het gewenste resultaat geleid. De ouders zijn verwikkeld gebleven in een hevige echtscheidingsstrijd. Hun onderlinge verhouding is ernstig verstoord en zij uiten zich zeer negatief over elkaar. Ook hebben de ouders geen enkel vertrouwen in elkaar als opvoeders.

4.10

De kinderen werden in de thuissituatie voorts belast met de persoonlijke problematiek van de moeder. De moeder heeft in haar jeugd weinig liefde en veiligheid gekend. Zij is in haar jeugd langdurig getuige maar ook slachtoffer geweest van ernstig huiselijk geweld waarbij zij door haar vader is mishandeld. Dit alles lijkt grote invloed te hebben gehad op haar persoonlijkheid. Ten tijde van de uithuisplaatsing waren er grote zorgen over haar draaglast en draagkracht. De moeder was regelmatig angstig, gespannen en wantrouwend, waardoor zij voor de kinderen emotioneel beperkt beschikbaar was.

4.11

Het voorgaande heeft geleid tot een negatieve weerslag op het functioneren van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Bij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is sprake van een aanzienlijk loyaliteitsconflict, hetgeen een ernstige bedreiging is in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. [de minderjarige1] wijst haar vader volledig af. Sinds 2011 heeft zij geen contact meer met haar vader volgens de moeder vanwege het feit dat zij seksueel is misbruikt door de vader. De hulpverlening geeft daarentegen aan dat [de minderjarige1] zeer loyaal is aan de moeder en om die reden haar vader afwijst. Doordat [de minderjarige1] zich sterk identificeert met haar moeder, lijkt er te weinig ruimte te zijn voor haar eigen gevoelens, hetgeen een bedreiging vormt voor haar identiteitsontwikkeling. De angsten en het wantrouwen van de moeder waren voelbaar voor de kinderen en werden op hen overgebracht. Doordat de moeder vanwege haar angsten en wantrouwen te beschermend naar de kinderen was, ontwikkelden zij weinig eigenheid. Bij [de minderjarige1] is sprake van internaliserende problemen. Zij vertoonde angstig gedrag en had grote moeite om haar gevoelens te uiten. Lastige situaties probeerde ze te ontwijken. Bij veel spanning heeft [de minderjarige1] psychosomatische klachten. Ook is bij [de minderjarige1] sprake van hechtingsproblematiek. [de minderjarige2] vertoonde externaliserende gedragsproblemen. Bij [de minderjarige2] was sprake van agressief gedrag. Hij reageerde in stressvolle situaties veelvuldig met grensoverschrijdend, chaotisch en druk gedrag. Hij had grote moeite zijn emoties op adequate wijze te uiten en was onvoldoende in staat om hulp te vragen. [de minderjarige2] voelde zich snel gekwetst.

4.12

De kinderen ontwikkelen zich positief sinds zij uit huis zijn geplaatst. [de minderjarige2] is een vrolijke jongen die gemakkelijk contact maakt. Ook [de minderjarige1] maakt een vrolijke indruk. [de minderjarige2] is veel rustiger geworden. Het chaotische, ongestructureerde en drukke gedrag dat hij vertoonde, is aanzienlijk afgenomen. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] kunnen weer kind zijn en worden niet belast met de echtscheidingsproblematiek en de persoonlijke problematiek van de moeder. Het blijft nog lastig voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om hun emoties te uiten. [de minderjarige2] voelt zich in situaties nog snel slachtoffer en heeft moeite om naar zijn eigen rol en inbreng te kijken. [de minderjarige1] voelt nog geen ruimte om zich een beeld te vormen van haar vader.

4.13

De moeder heeft de afgelopen periode stappen gezet op verschillende gebieden en een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hoezeer deze positieve ontwikkeling van de moeder ook te prijzen is, in deze zaak gaat het primair niet om de ontwikkelingen ten goede van de moeder, maar staat het belang van de kinderen voorop. Gelet op de omstandigheid dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vanaf zeer jonge leeftijd langdurig zijn blootgesteld aan een zeer onveilig opvoedingsklimaat, hetgeen hun functioneren behoorlijk negatief heeft beïnvloed, zij zich sinds de uithuisplaatsing - thans reeds tweeëneenhalf jaar - naar omstandigheden goed ontwikkelen en nu de rust ervaren die voor hun ontwikkeling van belang is, is het hof van oordeel dat het perspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet meer bij de moeder ligt. De huidige positieve ontwikkelingen van de moeder herstellen helaas niet het verleden waarin zij bij herhaling onbetrouwbaar is gebleken en de belangen van haar kinderen in ernstige mate heeft veronachtzaamd. Daarbij komt dat de verhouding tussen de ouders onderling onverkort als zeer problematisch moet worden geduid en het vertrouwen van de vader in de moeder als opvoeder geheel ontbreekt. Het spreekt voor zich dat het niet in het belang is van de kinderen en meer in het bijzonder van [de minderjarige2] , die van de contacten met zijn vader geniet, dat zij/hij daar wederom tussen komen/komt te staan. Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging de continuïteit van en veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet is gewaarborgd en de verlenging van de uithuisplaatsing in hun belang noodzakelijk is.

Ten aanzien van de zaak met nummer 200.202.022/01

* de omgangsregeling

4.14

Het hof acht de bij beschikking van 3 augustus 2016 vastgestelde omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen het meest in het belang van de kinderen. Het hof neemt de motivering van de rechtbank in de beschikking van 3 augustus 2016 op dit punt - na eigen onderzoek - over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen de moeder heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

5 De slotsom

ten aanzien van de zaak met nummer 200.202.022/01

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de beschikking van 3 augustus 2016, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen. Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren inzake het door haar ingestelde beroep van de beschikkingen van 11 november 2015, 15 maart 2016 en 1 april 2016.

ten aanzien van de zaak met nummer 200.205.129/01

5.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de beschikking van 11 november 2016, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

ten aanzien van de zaak met nummer 200.202.022/01

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep van de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 november 2015, 15 maart 2016 en 1 april 2016;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 3 augustus 2016 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

ten aanzien van de zaak met nummer 200.205.129/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 11 november 2016 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, I.A. Vermeulen en M.P. den Hollander en is op 7 februari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.