Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10157

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
WAHV 200.175.209
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Termijn om op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, Awb te verstrekken bedraagt niet 6 weken. Dat op grond van het gelijkheidsbeginsel in de Grondwet de officier van justitie aan eenzelfde termijn zou zijn gebonden als de betrokkene bij het instellen van beroep is niet juist, alleen al omdat de officier van justitie een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 Awb en niet een natuurlijk persoon als bedoeld in

artikel 1 van de Grondwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.175.209

21 november 2017

CJIB 177168430

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland

van 24 juli 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft – nadat het hof de zaak had teruggewezen – het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 93,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom met 12 km/u (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 12 november 2013 om 18:03 uur op de Provincialeweg N242 te Alkmaar met het voertuig met het kenteken [YY-00-YY] .

2. De betrokkene stelt dat de sanctie moet worden geseponeerd, omdat de officier van justitie hem pas twaalf weken na zijn verzoek daartoe de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft toegestuurd. Volgens de betrokkene had dit binnen zes weken gemoeten. De betrokkene moest immers ook binnen zes weken beroep instellen. Vanwege de gelijkheid van personen, die in de Grondwet is vastgelegd, is volgens de betrokkene de termijn voor de officier van justitie om de stukken toe te zenden ook zes weken. De betrokkene stelt verder dat er sprake is van vier verschillende verbalisanten, die geen van allen de juiste papieren hebben. Ook daarom moet de sanctie wat de betrokkene betreft worden geseponeerd.

3. Het hof merkt in de eerste plaats op dat sancties als de onderhavige worden opgelegd op grond van de WAHV. Deze wet kent niet de mogelijkheid tot sepot. Wel kan een ingesteld beroep leiden tot vernietiging van de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd. Het hof zal het betoog van de betrokkene als daartoe strekkend beschouwen.

4. Met betrekking tot het verweer van de betrokkene dat de officier van justitie hem niet tijdig de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft doen toekomen, overweegt het hof dat de officier van justitie, gelet op artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gehouden is om op verzoek van een betrokkene hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem te doen toekomen. Anders dan de betrokkene stelt, schrijft geen rechtsregel echter voor dat dit binnen zes weken moet plaatsvinden. Dat de officier van justitie vanwege het gelijkheidsbeginsel uit de Grondwet aan dezelfde termijn is gebonden als de betrokkene,
is niet juist, alleen al omdat de officier van justitie een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 van de Awb, en niet een natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 1 van de Grondwet.

5. De stelling van de betrokkene dat sprake is van vier verbalisanten die geen van allen de juiste papieren hebben, kan het hof niet volgen. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd door een buitengewoon opsporingsambtenaar met verbalisantnummer [00000] wiens beëdiging is vastgelegd in de akte met nummer [00001] . Dat de verbalisant niet bevoegd zou zijn een sanctie op te leggen, is niet gebleken.

6. Nu de beroepsgronden falen, wordt de beslissing van de kantonrechter bevestigd.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.