Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10143

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
16/01186
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:3744, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vakantiepark is voor de gebruikersbelasting OZB geen woning, omdat de WOZ-waarde niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan de recreatiewoningen van het park. Op de recreatiewoningen is wel de woondelenvrijstelling van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2781
V-N 2018/10.19.6
Viditax (FutD), 24-11-2017
FutD 2017-2971
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

nummer 16/01186

uitspraakdatum: 21 november 2017

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de vennootschap onder firma Vakantiepark “ [X] ” te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 augustus 2016, nummer LEE 15/2112, ECLI:NL:RBNNE:2016:3744, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westerveld (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 2 te [Z] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2013 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2014 vastgesteld op € 3.261.000. Tegelijk met deze beschikking is voorts onder meer de aanslag in de onroerendezaakbelasting voor 2014 (hierna: OZB) voor zover deze de gebruikersheffing betreft, vastgesteld.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de eerder vastgestelde waarde verminderd tot € 2.484.000 en de opgelegde aanslag dienovereenkomstig verminderd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 16 augustus 2016 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover de uitspraak de vastgestelde waarde van de onroerende zaak betreft, de waardebeschikking vernietigd, de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2013 verminderd tot een bedrag van € 2.050.000, de aanslag in de OZB dienovereenkomstig verminderd, bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven voor zover deze de daarin opgenomen proceskostenvergoeding in bezwaar betreft, bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar, de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 45 te vergoeden en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2017 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] , alsmede [C] , de heffingsambtenaar, bijgestaan door [D] en mr. [E] . De zaak is met toestemming van partijen gezamenlijk behandeld met de zaak met het nummer 16/01185.

1.7

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

De onroerende zaak is een op ruim 14 hectare grond gelegen vakantiepark, met de bedrijfsnaam vakantiepark " [X] " (hierna: het vakantiepark of de onroerende zaak). Het vakantiepark omvatte per 1 januari 2013 een camping met ongeveer 107 kampeerplaatsen en twee sanitairgebouwen, een bungalowpark met 57 bungalows, een vrijstaande bedrijfswoning, een groepsaccommodatie, een centrumgebouw (met receptie, kantoorruimten, diverse opslag- en archiefruimten, een restaurant met bar en bedrijfskeuken) een winkelruimte (met werkplaats, fietsenverhuur, kantine en recreatieruimte), een wasserette (met sanitaire ruimten en technische ruimte ten behoeve van het zwembad), een centrale speeltuin met diverse speeltoestellen, een jeu-de-boulesbaan, een midgetgolfbaan, een zwembad met kleuterbad, een volley-/voetbalveld en een kinderboerderij. Daarnaast beschikte het over diverse infrastructurele voorzieningen, zoals geasfalteerde en semiverharde wegen, oriëntatieverlichting, internet, een milieustraat, camperserviceplaatsen, diverse centrale parkeerplaatsen en nutsvoorzieningen.

2.2

Het vakantiepark is gezamenlijk eigendom van [F] en [G] , ieder voor de helft. Het vakantiepark wordt geëxploiteerd door belanghebbende (hierna ook: de v.o.f.). De vennoten van de v.o.f. zijn [F] en zijn echtgenote, [G] .

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is de waarde van het vakantiepark op waardepeildatum. Tevens is in geschil of de onroerende zaak als woning dan wel als niet-woning moet worden gekwalificeerd.

3.2

Belanghebbende bepleit een waarde van € 1.800.000 per waardepeildatum en meent dat de onroerende zaak een woning is, althans dat de woondelenvrijstelling van artikel 220e van de Gemeentewet van toepassing is. Zij concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van waarde vervat in de bestreden beschikking tot € 1.800.000.

3.3

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van de onroerende zaak worden bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. In het onderhavige geval geldt als waardepeildatum 1 januari 2013. Als toestandsdatum geldt 1 januari 2013.

4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat het vakantiepark één onroerende zaak vormt. Ook is de objectafbakening tussen partijen niet in geschil. De heffingsambtenaar heeft in hoger beroep evenwel gesteld dat niet artikel 16, aanhef en onderdeel e, van de Wet WOZ (gelezen in verbinding met artikel 220a, eerste lid, van de Gemeentewet) op het vakantiepark van toepassing is, maar artikel 16, aanhef en onderdeel d, van de Wet WOZ, aangezien voor artikel 16, aanhef en onderdeel e, van de Wet WOZ als voorwaarde zou gelden dat sprake is van een recreatiepark met vaste standplaatsen (seizoens- of jaarplaatsen), terwijl daarvan in het onderhavige geval geen sprake zou zijn. Het Hof volgt de heffingsambtenaar niet in zijn standpunt.

4.3

Ingevolge artikel 16, aanhef, onderdeel e, Wet WOZ wordt voor de toepassing van die wet als één onroerende zaak aangemerkt een geheel van twee of meer gebouwde eigendommen, ongebouwde eigendommen, afzonderlijk te gebruiken gedeelten daarvan of samenstellen daarvan, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd.

4.4

Noch in de tekst van de wet van artikel 16, aanhef, onderdeel e, Wet WOZ, noch in de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling, noch in de arresten HR 16 september 2016, nr. 15/04476, ECLI:NL:HR:2016:2084 en HR 16 september 2016, nr.15/05193, ECLI:NL:HR:2016:2085, vindt het Hof steun voor de voorwaarden die de heffingsambtenaar voorstaat, anders dan dat sprake moet zijn van een geheel van onroerende zaken, zoals recreatiewoningen en stacaravans, dat samen een terrein vormt dat voor verblijfsrecreatie is bestemd en als zodanig wordt geëxploiteerd, aan welke laatstgenoemde voorwaarden in casu is voldaan. Het vakantiepark moet dan ook worden aangemerkt als “een geheel” als bedoeld in artikel 16, aanhef, onderdeel e, Wet WOZ.

4.5

De heffingsambtenaar dient, bij betwisting door belanghebbende, aannemelijk te maken dat de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum is vastgesteld op de waarde in het economische verkeer per die datum.

4.6

De Rechtbank heeft dienaangaande onder meer overwogen, waarbij het Hof omwille van de leesbaarheid “eiseres” heeft vervangen door “belanghebbende” en
“verweerder” door “de heffingsambtenaar”: “21. Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde verwijst de heffingsambtenaar onder meer naar de door taxateur [D] op basis van de taxatiewijzer en kengetallen recreatie gemaakte berekening van de WOZ-waarde, alsmede een opgestelde matrix met gestelde vergelijkingsobjecten. Door de heffingsambtenaar is ter zitting medegedeeld dat de door hem verdedigde waarde is bepaald met toepassing van de DCF-methode. De matrix is enkel opgesteld om te laten zien dat de aldus berekende waarde niet tot een te hoge waarde leidt. De heffingsambtenaar stelt dat de camping is gewaardeerd op basis van cijfers die gebruikelijk zijn voor een camping met de omvang van het vakantiepark en dat dat vervolgens is getoetst aan de jaarcijfers 2010, 2011 en 2012 van de ondernemer. De berekende waarde is gelijk aan de prijs die bij aanbieding ter verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde, onder de meest gunstige omstandigheden zou zijn besteed, aldus de heffingsambtenaar. 22. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de door hem overgelegde, ter zitting nader toegelichte berekening, mede in het licht van de betwisting van de juistheid daarvan door belanghebbende, niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de waarde van € 2.484.000 niet te hoog is vastgesteld. Daartoe overweegt de rechtbank dat de DCF-methode een hulpmiddel is om tot een waardebepaling te komen. Deze methode gaat uit van een geobjectiveerde, te verwachten omzet bij voortgezet gebruik. De economische waarde wordt bepaald door een fictieve, geobjectiveerde winst- en verliesrekening, welke vervolgens wordt gekapitaliseerd. Die berekening moet echter wel zijn gebaseerd op een realistische, haalbare omzet, waartoe een vergelijking met de cijfers van de ondernemer gemaakt kan worden ter controle. De door de heffingsambtenaar voorgestane waarde van het vakantiepark groot € 2.484.000 is voor zover het betreft de waarde exclusief de bedrijfswoning, gebaseerd op de uitgevoerde DCF-berekening. Die berekening is uitgevoerd aan de hand van in de taxatiewijzer en kengetallen recreatie vermelde cijfers. De uitkomst van die berekening is € 2.320.000. De heffingsambtenaar heeft die uitkomst bij de waardebepaling van het vakantiepark onverkort overgenomen en gehandhaafd. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onverkort overnemen van die uitkomst voor de waardebepaling realistisch is en niet tot een te hoge waarde heeft geleidt, mede gelet op de waarde die volgt uit de eigen cijfers van de onderneming. Uitgaande van het gemiddelde van de werkelijke cijfers van de onderneming over 2010 tot en met 2012 (rekening houdend met de ter zitting besproken telfout in de heffingsambtenaars opstelling over 2010) komt de waarde via de rekenmethode van de heffingsambtenaar uit op circa € 1.411.000. Niet aannemelijk is gemaakt dat de waardebepaling van de heffingsambtenaar gelet op die uitkomst op basis van de werkelijke cijfers (hetgeen met zijn fictieve berekening een verschil oplevert van ruim 9 ton) realistisch is en niet zou nopen tot ten minste enige verlaging van het door de heffingsambtenaar op basis van de theoretische kengetallen berekende uitkomst groot € 2.320.000. Dit klemt te meer nu uit de werkelijke cijfers blijkt dat sprake is van een afnemende omzet en de DCF-methode toekomstgericht is. De door de heffingsambtenaar overgelegde matrix maakt dat niet anders. Dit reeds omdat de daarin opgenomen objecten naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de volstrekt andere samenstelling, omvang en ligging niet als vergelijkbaar kunnen worden aangemerkt.”.

4.7

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank geen (principaal of incidenteel) hoger beroep ingesteld. Vaststaat derhalve de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast, en in hoger beroep volstaat met zich te verenigen met de waardering in goede justitie door de Rechtbank.

4.8

Belanghebbende heeft in hoger beroep bepleit dat de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum € 1.800.000 bedraagt. Nu de heffingsambtenaar niet is geslaagd in het van hem verlangde bewijs, dient belanghebbende de door haar bepleite waarde aannemelijk te maken (vgl. HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005: AU4300).

4.9

De Rechtbank heeft dienaangaande onder meer overwogen, waarbij het Hof omwille van de leesbaarheid “eiseres” heeft vervangen door “belanghebbende” en “verweerder” door “de heffingsambtenaar”: “Door belanghebbende is ter onderbouwing gewezen op het door [H] opgestelde taxatierapport. Ook [H] heeft zijn taxatie, zo is op de zitting bevestigd, gebaseerd op de DCF-methode. [H] heeft zich bij de door hem uitgevoerde berekening echter gebaseerd op de daadwerkelijke omzet in 2011 en 2012 van de ondernemer, alsmede de door de ondernemer gemaakte prognose van de omzet voor 2013. Daarnaast is [H] uitgegaan van geprognosticeerde kosten, zonder daar inzicht in te geven. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt derhalve niet dat en zo ja, op welke wijze en in welke mate, er objectivering door [H] heeft plaatsgevonden. Dat is voor de WOZ-waarde wel vereist, omdat het daarbij gaat om de objectieve waarde in het economische verkeer. Er moet worden uitgegaan van als realiseerbaar veronderstelde geobjectiveerde exploitatiegegevens, die een zakelijk handelende koper in aanmerking zou nemen. Dat [H] in zijn rapport heeft verwezen naar vergelijkingsobjecten maakt dat niet anders. Daargelaten dat de rechtbank niet inziet dat die objecten wat betreft samenstelling, omvang en ligging voldoende vergelijkbaar zouden zijn, is ter zitting gemeld dat deze objecten alleen zijn vermeld om te laten zien dat de berekende waarde niet te laag zou zijn, alsmede grond zouden zijn geweest om als kapitalisatiefactor 11 te hanteren. Niet inzichtelijk is echter gemaakt hoe uit die objecten precies kan blijken dat de berekende waarde groot € 1.800.000 niet te laag zou zijn, noch hoe deze tot een kapitalisatiefactor van 11 hebben geleid. 25. Gelet op het voorgaande is belanghebbende er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd de door haar voorgestane waarde aannemelijk te maken. “.

4.10

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank met haar hiervoor – onder 4.9 – aangehaalde rechtsoverwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep naar voren heeft gebracht, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Belanghebbendes betoog omtrent de bruikbaarheid van het taxatierapport van [H] voor de onderhavige zaak volgt het Hof derhalve niet, reeds niet omdat in de daarin gehanteerde waardedefinitie, anders de Wet WOZ voorschrijft, niet wordt uitgegaan van de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4.11

Gelet op het vorenoverwogene schat het Hof de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum, in navolging van de Rechtbank, in aanmerking genomen al hetgeen partijen over en weer in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren hebben gebracht, in goede justitie op € 2.050.000.

4.12

Belanghebbende heeft voorts primair gesteld dat voor de toepassing van de gebruikersheffing OZB de onroerende zaak als woning moet worden aangemerkt en subsidiair dat de woondelenvrijstelling van artikel 220e van de Gemeentewet toepassing vindt.

4.13

Artikel 220 van de Gemeentewet bepaalt onder meer dat ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken onder de naam onroerende-zaakbelastingen kunnen worden geheven: (a.) een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken. Van belanghebbende is deze belasting (hierna: de gebruikersheffing OZB) geheven.

4.14

Op grond van het bepaalde in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet dient een onroerende zaak in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet WOZ is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

4.15

Aldus dient te worden vastgesteld welke delen van het vakantiepark tot woning dienen dan wel volledig, dat wil zeggen: voor 100 percent, dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Anders dan de Rechtbank kennelijk heeft geoordeeld, staan, naar het oordeel van het Hof, de artikelen 16, aanhef en onderdeel e, van de Wet WOZ gelezen in verbinding met de artikelen 220a, eerste lid en tweede lid, en 220b, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Gemeentewet er niet aan in de weg dat binnen de onroerende zaak (het vakantiepark) delen bestaan die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

4.16

Ter zitting van het Hof hebben partijen eenparig verklaard dat in dit kader slechts de kwalificatie van de recreatiewoningen in geschil is, waarbij heeft te gelden dat ook de groepsaccommodatie als recreatiewoning moet worden aangemerkt. Ter zake van de overige onderdelen van het vakantiepark (voorzieningen) staat vast dat deze mede dienstbaar zijn aan de camping en derhalve niet volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Ter zake van de bedrijfswoning met ondergrond zijn partijen het erover eens dat deze volledig dient tot woning.

4.17

De bungalows en de groepsaccommodatie als hiervoor – onder 2.1 – bedoeld, beschikken over een woonkamer, slaapkamers, keuken, douche en toilet en zijn derhalve recreatiewoningen, bestemd om daarin te verblijven, te slapen en de overige woonfaciliteiten en voorzieningen te gebruiken. De recreatiewoningen zijn aldus op zichzelf beschouwd naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen. Zij zijn daarom aan te merken als woning. De omstandigheid dat permanente bewoning ingevolge gemeentelijke voorschriften niet is toegestaan, brengt geen wijziging in de aard en de inrichting, en daarmee de bestemming van de woning (vgl. HR 2 maart 1994, nr. 29642, ECLI:NL:HR:1994:ZC5609, BNB 1994/115). De feitelijke aanwending van de bungalows voor volgtijdelijke verhuur doet aan het vorenoverwogene niet af, noch de bestemming in het bestemmingsplan.

4.18

De heffingsambtenaar heeft in hoger beroep het Hof verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad om – naar het Hof begrijpt – een verduidelijking van de arresten HR 16 september 2016, nr. 15/04476, ECLI:NL:HR:2016:2084 en 16 september 2016, nr.15/05193, ECLI:NL:HR:2016:2085. Het Hof ziet daartoe geen noodzaak, aangezien de in de bedoelde arresten gegeven rechtsregels voldoende duidelijk zijn.

4.19

Naar het oordeel van het Hof, volgt uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting niet dat ten minste 70 percent van de vastgestelde waarde, zoals hiervoor – onder 4.11 – door het Hof is vastgesteld op € 2.050.000, is toe te rekenen aan de delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, dat wil zeggen: aan de bedrijfswoning met ondergrond, de groepsaccommodatie en de recreatiewoningen. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep een overzicht gegeven van de onderscheiden onderdelen van de onroerende zaak. Partijen verschillen niet van mening ten aanzien van de samenstelling van die onderdelen. Ofschoon in het overzicht wordt uitgegaan van een onjuiste waarde voor het geheel, namelijk de waarde zoals deze na bezwaar is vastgesteld, zijn, naar het oordeel van het Hof, de daaruit voortvloeiende verhoudingsgetallen niettemin bruikbaar. In het bedoelde overzicht heeft de heffingsambtenaar de waarde, zoals deze na bezwaar is vastgesteld, verdeeld over de respectieve onderdelen, waarbij de bedrijfswoning, de bungalows en de groepsaccommodatie tezamen 61,5 percent van het geheel vormen. Het Hof acht, gelet op deze verhoudingsgewijze verdeling, aannemelijk dat aan de onderdelen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden 61,5, althans minder dan 70, percent van de vastgestelde waarde is toe te rekenen. Hetgeen belanghebbende daartegenover heeft gesteld, doet daaraan, naar het oordeel van het Hof, niet af. Weliswaar heeft belanghebbende ter zitting van het Hof een plattegrond overgelegd, waaruit zou blijken dat de waardeverhouding van de heffingsambtenaar volstrekt onjuist zou zijn, aangezien de waarde van onbebouwde grond, gelet op de verhouding in oppervlaktes, alsdan dezelfde waarde zou hebben als de bebouwde grond, maar belanghebbende heeft niet alleen niets aangedragen dat deze conclusie ondersteunt, maar heeft tevens gesteld dat 76 percent van de waarde zou moeten worden toegerekend aan de woondelen, hetgeen slechts een marginaal verschil zou betekenen. Deze conclusie staat, naar het oordeel van het Hof, haaks op de stelling dat de waardeverhouding van de heffingsambtenaar volstrekt onjuist zou zijn. Ook de enkele verklaring van de taxateur van belanghebbende ter zitting van de Rechtbank dat 76 percent van de waarde aan de woondelen zou moeten worden toegerekend, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

4.20

Het vakantiepark dient derhalve niet in hoofdzaak tot woning, aangezien de op grond van de Wet WOZ vastgestelde waarde niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, zodat belanghebbende terecht een aanslag in de gebruikersheffing OZB opgelegd heeft gekregen.

4.21

Artikel 220e van de Gemeentewet bepaalt dat in afwijking van artikel 220c bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelasting bedoeld in artikel 220, onderdeel a, buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

4.22

Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de zogenoemde “woondelenvrijstelling” van artikel 220e van de Gemeentewet van toepassing is. Te dien aanzien heeft belanghebbende niet voldoende gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, welke onderdelen van de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De heffingsambtenaar heeft evenwel in zijn verweerschrift in hoger beroep, zoals hiervoor – onder 4.19 – reeds is overwogen, een overzicht gegeven van de onderdelen van het vakantiepark en de toerekening aan die onderdelen van de WOZ-waarde, zoals deze na bezwaar is vastgesteld, zodat in zoverre niet is betwist dat (afgerond) 61,5 percent van waarde van het vakantiepark is toe te rekenen aan de bedrijfswoning met ondergrond, de groepsaccommodatie en de recreatiewoningen. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat andere onderdelen van het vakantiepark in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden, oordeelt het Hof, mede gelet op het hiervoor overwogene, dat de heffingsgrondslag voor de gebruikersheffing OZB met 61,5 percent dient te worden verminderd, en derhalve moet worden vastgesteld op € 789.250. De opgelegde aanslag in de gebruikersheffing OZB dient dienovereenkomstig te worden verminderd.

4.11

Belanghebbende is in hoger beroep ook opgekomen tegen de door de Rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding. De Rechtbank heeft aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 1.520,50 (€ 1.488 (2 punten x € 496 x wegingsfactor 1,5 wegens zwaarte van de zaak), vermeerderd met € 32,50 (aanwezigheid taxateur ter zitting van de Rechtbank 0,5 uur x € 65)). Daarnaast had belanghebbende bij uitspraak op bezwaar reeds toegekend gekregen een vergoeding ter zake van de kosten van bezwaar van € 486 (2 punten x € 243). De kosten van het deskundigenrapport (taxatierapport en plausibiliteitsverklaring) zijn niet in de onderhavige zaak vergoed, maar in de met de onderhavige zaak samenhangende zaak met nummer 16/01185. Belanghebbende heeft gesteld dat de zwaarte van de zaak had moeten leiden tot de toekenning van een factor 2. Het Hof volgt belanghebbende niet in haar stelling. De Rechtbank heeft, naar het oordeel van het Hof, de zwaarte van de zaak niet te laag ingeschat. Voor het overige is het hoger beroep op het punt van de proceskosten, naar belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard, beperkt tot het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de kosten van het deskundigenrapport, met name de plausibiliteitsverklaring. Naar het Hof begrijpt, heeft belanghebbende, mede gelet op de omstandigheid dat deze kosten slechts eenmaal zijn gemaakt, zich niet verzet tegen de toerekening aan de met de onderhavige zaak samenhangende zaak met nummer 16/01185 in plaats van (ten dele mede) aan de onderhavige zaak. De Rechtbank heeft wel de aan de desbetreffende verklaring bestede uren vergoed, maar tegen een lager uurtarief dan in rekening is gebracht. Het vergoede uurtarief is evenwel in overeenstemming met de Richtlijnen van de belastingkamers bij de gerechtshoven. Het hoger beroep kan derhalve ook op dit punt niet slagen.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 990 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (indienen hogerberoepschrift en bijwonen van de zitting) x € 495). Anders dan belanghebbende betoogt, is, naar het oordeel van het Hof, de zaak niet dermate zwaar dat een hogere factor dan 1 gerechtvaardigd is.

6 Beslissing

Het Hof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de gebruikersheffing OZB,

– verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond voor zover deze betrekking heeft op de aanslag in de gebruikersheffing OZB,

– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar in zoverre,

– vermindert de heffingsgrondslag van de gebruikersheffing OZB tot € 789.250 en vermindert de bestreden aanslag in de gebruikersheffing OZB tot een aanslag die is vastgesteld naar deze grondslag,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 990, en

– gelast dat de gemeente Westerveld aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 503 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 21 november 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 november 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.