Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10092

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
200.218.677/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling. Geen basis voor voortzetting van de ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.218.677/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/174726 / JE RK 17-174)

beschikking van 14 november 2017

inzake

[verzoekster] en [verzoeker],

wonende te [A] gemeente Vlagtwedde,

verzoekers,

verder te noemen: de ouders,

advocaat: mr. F.B. Flooren te Groningen,

en

de gecertificeerde instelling Legers des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

kantoorhoudende te Groningen,

verweerder,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 29 juni 2017;
- het verweerschrift van de GI.

2.2

Verder heeft de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) bij brief van 11 juli 2017 desgevraagd medegedeeld niet te beschikken over voor deze zaak relevante (recente) rapportages.

2.3

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof gehouden te Leeuwarden op 5 oktober 2017, gezamenlijk met het hoger beroep van de ouders tegen de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van hun twee andere kinderen [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (zaaknummer 200.218.702/01). Verschenen zijn de ouders en hun advocaat, namens de GI mevrouw [B] en mevrouw [C] en daarnaast zijn in de andere zaak tevens de pleegouders van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] verschenen.

3 Feiten

3.1

De ouders hebben samen drie kinderen, te weten [de minderjarige1] , geboren [in] 2008 (hierna: [de minderjarige1] ) en haar zusjes [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , beiden geboren [in]

2009, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

3.2

De voornoemde kinderen zijn in mei 2012 door de kinderrechter onder toezicht gesteld. Aan de basis daarvan ligt een raadsrapport van 16 april 2012 waaruit meervoudige problematiek in het gezin van de ouders blijkt. Beide ouders hebben een belast (traumatisch) verleden en slagen er niet in te voorzien in de basale opvoedingsbehoeften van de kinderen zoals stabiliteit, structuur, hygiëne, aandacht en sturing. Alle drie de kinderen hebben een ontwikkelingsachterstand en vertonen gedragsproblemen die na onderzoek niet konden worden herleid tot (alleen) kindfactoren.

3.3

In december 2014 zijn alle drie de kinderen uit huis geplaatst, waarbij de dan zesjarige [de minderjarige1] in een ander pleeggezin is ondergebracht dan haar zusjes [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De inzet van diverse onderzoeken en jarenlange intensieve professionele hulpverlening heeft destijds de uithuisplaatsing niet kunnen voorkomen.

3.4

Sinds januari 2016 wonen de ouders in [A] bij stichting [D] (daarvoor in [E] ), een hulpverlenende instelling op religieuze grondslag. [de minderjarige1] is in januari 2016 naar de ouders teruggekeerd en woont sindsdien bij hen in [A] . [de minderjarige2] en [de minderjarige3] wonen nog steeds in het pleeggezin bij de familie [F] in [G] .

3.5

In de hier bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] verlengd tot
2 mei 2018.

4 De omvang van het geschil

4.1

De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] af te wijzen.

4.2

De GI heeft het verzoek van de ouders bestreden in het verweerschrift (en naar het hof begrijpt: verzocht dat af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking).

5
5. De motivering van de beslissing

5.1

Een ondertoezichtstelling kan door de rechter telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Het hof overweegt dat de GI noch in het inleidend verzoekschrift van 10 maart 2017 (waarin voornamelijk is verwezen naar verouderde informatie), noch in het in hoger beroep ingediend verweerschrift (waarin niet of nauwelijks op de actuele situatie van [de minderjarige1] is ingegaan maar vooral op de tweeling) noch ter zitting van het hof, concrete en actuele zorgen over [de minderjarige1] en/of de ouders heeft benoemd die voortzetting van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] rechtvaardigen. De GI heeft daarentegen bevestigd dat sprake is van een stijgende lijn sinds het verblijf bij stichting [D] ; de vader heeft een baan en de moeder is zich op een positieve manier aan het ontwikkelen. De relatie van ouders heeft eveneens een positieve ontwikkeling doorgemaakt en zij hebben aansluiting bij het sociale netwerk van de kerkelijke gemeente. In het verweerschrift vermeldt de GI dat zij ervan overtuigd is dat ouders een kind met de minst zware problematiek weer kunnen opvoeden. Tevens heeft de GI ter zitting desgevraagd verklaard dat de ouders naar verwachting zelf hulp zullen vragen via mw. [H] van stichting [D] wanneer dat nodig is en dat mevrouw [H] indien nodig professionele hulp zal inschakelen.

5.3

De GI heeft wel in algemene termen zorgen geuit over het verleden en vermeende gedragsproblematiek bij [de minderjarige1] (op basis van uitlatingen van de ouders over de gang van zaken na bezoek van de tweeling) maar ter zitting is vastgesteld dat er vanuit school geen zorgsignalen zijn over [de minderjarige1] . De moeder houdt op eigen initiatief samen met de school nauwlettend het gedrag en de ontwikkeling van [de minderjarige1] in de gaten. Zij hebben daarover blijkens de toelichting van de moeder ter zitting regelmatig contact. De ouders hebben voorts onbetwist gesteld dat de gezinsvoogd na een paar bezoeken kort na de thuisplaatsing in januari 2016 nauwelijks meer langs is geweest bij de ouders in [A] . Het hof ziet ook daarin een bevestiging dat de GI geen grote zorgen heeft over de situatie van [de minderjarige1] thuis. Er is in 2017 volgens de GI wel een melding gedaan bij Veilig Thuis in verband met vervuiling in de woning van de ouders maar de ouders hebben betoogd dat dit te maken had met een kinderfeestje. Het hof stelt vast dat het niet beschikt over stukken met betrekking tot die melding en tevens dat door de GI met de melding niets is gedaan. Voor het hof biedt dit daarom geen basis om te beslissen tot voortzetting van de ondertoezichtstelling.

5.4

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep van de ouders tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] . Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van de GI alsnog afwijzen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:


vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 april 2017;

en opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de voornoemde minderjarige [de minderjarige1] af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, G.M. van der Meer en J.L. Roubos en is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.