Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10082

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
21-003944-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in haar verblijf in een TBS-instelling, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Centrale vraag in hoger beroep is of volstaan kan worden met de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrechtmaatregel, zoals door de rechtbank is beslist en in hoger beroep is bepleit door de verdediging, of dat oplegging van straf en van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna TBS) passend en noodzakelijk is. Oplegging van TBS is - naast de oplegging van een gevangenisstraf - de inzet van het hoger beroep van de officier van justitie en is in hoger beroep gevorderd door de advocaat-generaal.

Het gerechtshof legt op een gevangenisstraf conform de duur van het door de verdachte in deze zaak ondergane voorarrest, te weten honderdnegenenzestig dagen, met aftrek van dat voorarrest, alsmede de TBS-maatregel en motiveert dit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003944-17

Uitspraak d.d.: 17 november 2017

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 12 juli 2017 met het parketnummer 16-659306-17 in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te [plaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 3 november 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte ter zake van het aan haar ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, en dat het gerechtshof zal opleggen de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Het gerechtshof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens de verdachte door haar raadsman, mr. H. Gase, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank ex artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte geen straf of maatregel opgelegd ter zake van de bewezen verklaarde brandstichting. Het gerechtshof zal dat vonnis om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair
zij op of omstreeks 24 maart 2017 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in kamer [kamernummer] in de [kliniek] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker kleding en/of beddengoed en/of een stoel aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met kleding en/of beddengoed en/of een stoel, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die kleding en/of dat beddengoed en/of die stoel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (andere) goederen in die kamer en/of (andere) kamers en/of (andere) goederen in/van de [kliniek] en/of (andere) goederen van medepatiënten, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor medepatiënten en/of medewerkers van de [kliniek] , in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

subsidiair
zij op of omstreeks 24 maart 2017 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in kamer [kamernummer] in de [kliniek] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was, met dat opzet met een aansteker kleding en/of beddengoed en/of een stoel aangestoken, in elk geval met dat opzet (open) vuur in aanraking gebracht met kleding en/of beddengoed en/of een stoel, althans met (een) brandbare stof(fen), zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

meer subsidiair:
zij op of omstreeks 24 maart 2017 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk kleding en/of beddengoed en/of een stoel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [kliniek] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair aan haar ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


zij op 24 maart 2017 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht in kamer [kamernummer] , in de [kliniek] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker kleding en beddengoed aangestoken, ten gevolge waarvan die kleding en dat beddengoed en een stoel geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor andere goederen in andere kamers en/of andere goederen in/van de [kliniek] en/of goederen van medepatiënten en levensgevaar voor medepatiënten en/of medewerkers van de [kliniek] te duchten was.

Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte is een rapport van 22 mei 2017 opgemaakt door A.W.M.M. Stevens, psychiater, en is een rapport van 1 juni 2017 opgemaakt door drs. A. Witvliet, psycholoog. De conclusies van deze rapporten zijn - zakelijk weergegeven - dat de onderzoekers geen antwoord kunnen geven op de diagnostische vraagstelling omdat de verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan het onderzoek.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte is daarnaast een rapport van

23 mei 2016 opgemaakt door J. Marx, psychiater en M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht (hierna te noemen: PBC-rapport).

De conclusie van de psycholoog is dat het onwaarschijnlijk is dat de verdachte volledig in staat is geweest haar wil in vrijheid te bepalen en dienovereenkomstig te handelen.

Het advies van de psycholoog is de verdachte als ten minste enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, met de kanttekening dat niet uitgesloten is dat de motieven en gedragingen van de verdachte meer verdergaand of volledig door de aanwezige psychiatrische problematiek werden bepaald.

Op grond van het bovenstaande acht het gerechtshof de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Gelet hierop acht het gerechtshof de verdachte strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en maatregel

De centrale vraag in dit hoger beroep is of volstaan kan worden met de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrechtmaatregel, zoals door de rechtbank is beslist en in hoger beroep is bepleit door de verdediging, of dat oplegging van straf en van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna TBS) passend en noodzakelijk is.

Oplegging van TBS is - naast de oplegging van een gevangenisstraf - de inzet van het hoger beroep van de officier van justitie en is in hoger beroep gevorderd door de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft hiertoe gesteld dat een delict als brandstichting in een TBS-kliniek, waar mensen verblijven die zich niet vrij kunnen bewegen, niet straffeloos kan blijven. Daarnaast eist de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van TBS. De omstandigheid dat aan de verdachte uit andere hoofde reeds TBS is opgelegd acht de advocaat-generaal geen goede reden om dat niet opnieuw te doen. Hiertoe is gesteld dat:

  • -

    een TBS-behandeling altijd wordt vormgegeven op basis van de feiten en omstandigheden van het delict ter zake waarvan de maatregel wordt opgelegd;

  • -

    dit zogenaamde indexdelict hier andere feitelijkheden kent;

  • -

    het van wezenlijk belang is - met het oog op het vormgeven van de bescherming van de samenleving die de TBS beoogd te bieden - dat het delict ter zake waarvan thans een bewezenverklaring volgt de basis vormt voor de feitelijke uitvoering van de opgelegde TBS.

De verdediging heeft aangevoerd dat er rekening mee dient te worden gehouden dat het begeleidingsteam in de [kliniek] - ondanks dat bekend was dat de verdachte reeds eerder op identieke wijze brand had gesticht en daarvoor was veroordeeld - een volledig onjuiste inschatting heeft gemaakt door de verdachte toe te staan over een aansteker te beschikken. Voorts is aangevoerd dat de verdachte psychisch ernstig ziek is, dat zij dientengevolge niets aan haar gedrag kan doen en dat sprake is van zuiver dwangmatig gedrag dat zij zelf niet kan beïnvloeden. Strafoplegging heeft dan geen enkele zin.

Bij de beantwoording van bovengenoemde vraag heeft het gerechtshof acht geslagen op het volgende.

Oplegging van een straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict en de omstandigheden waaronder dit delict is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde delict heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

* de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; in dit verband wijst het gerechtshof er op dat de maximumstraf voor brandstichting waarvan levensgevaar te duchten is (vijftien jaren gevangenisstraf) door de wetgever gelijk is gesteld aan de maximumstraf voor doodslag;

* de mate waarin door de bewezen verklaarde brandstichting gevaar is veroorzaakt voor het leven van de zich in de [kliniek] bevindende personen;

* de mate waarin door de bewezen verklaarde brandstichting gevaar is veroorzaakt voor de algemene veiligheid en de bezittingen van anderen;

* de omstandigheid dat het hier gaat om een delict waardoor de rechtsorde wordt geschokt en een dergelijk delict in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg pleegt te brengen.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof acht geslagen op:

* de omstandigheid dat de verdachte blijkens het haar betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 oktober 2017 eerder (zowel in 2007 als in 2016) onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijke brandstichting;

* de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, waaronder met name de (ernstige) psychische problematiek waaronder verdachte gebukt gaat en de omstandigheid dat de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Het gerechtshof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

In het bijzonder gelet op het onberekenbare en onbeheersbare risico van een brand, waardoor het leven van personen in gevaar kan worden gebracht, acht het gerechtshof gelet op het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en algemene en speciale preventie passend en noodzakelijk de oplegging van een gevangenisstraf conform de duur van het door de verdachte in deze zaak ondergane voorarrest, te weten honderdnegenenzestig dagen, met aftrek van dat voorarrest. De verdachte hoeft derhalve niet terug naar de gevangenis.

TBS-maatregel

Daarnaast dient TBS te worden opgelegd. Het gerechtshof grondt deze beslissing op het volgende.

Actualiteit van de rapporten

In het hierboven genoemde PBC-rapport is door de onderzoekers van het PBC onder meer gebruik gemaakt van onderdelen uit oudere rapporten over de verdachte, waaronder een rapport van P.A. de Mon, psychiater, van 30 november 2006, een rapport van J.P.M. van der Leeuw, psycholoog, van 8 december 2006, een trajectconsult van C.A.J. Veldman, psychiater, van 2 september 2013, een trajectconsult van A.H.A.C. van Brakel, psychiater, van 12 augustus 2015, alsmede een rapport van J.W. Hummelen, psychiater, en S. Labrijn, psycholoog, van 19 december 2015.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging - daarnaar gevraagd door het gerechtshof - te kennen gegeven er mee in te stemmen dat het gerechtshof gebruik maakt van onderdelen van genoemde oudere rapporten, zoals die zijn aangehaald en samengevat in het PBC-rapport, zonder dat die rapporten (alsnog) integraal worden gevoegd in het strafdossier. Ook de advocaat-generaal heeft hiermee ingestemd. Door de verdediging is de inhoud van de eerdere rapporten niet betwist. Ook dit vormt een grond voor het gerechtshof die eerdere rapporten nu in de beoordeling te betrekken.

Inhoud van het PBC-rapport

De onderzoeksmogelijkheden zijn door het gedrag van de verdachte beperkt geweest, waardoor het niet mogelijk is gebleken met voldoende zekerheid een diagnose te stellen. Overwogen zijn de diagnoses persoonlijkheidsstoornis, eetstoornis, psychotische stoornis (schizofrenie of een schizoaffectieve stoornis), stemmingsstoornis, hersenorganische afwijkingen, of een combinatie van verschillende stoornissen, aldus de PBC-onderzoekers Marx en Van Willigenburg. Zij hebben in de door hen uitgebrachte rapport geconcludeerd dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde delict een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling als aanwezig kan worden beschouwd.

Het gerechtshof neemt deze conclusie over, mede nu uit het PBC-rapport volgt dat de psychiater De Mon in 2006 heeft geconcludeerd dat de verdachte onder meer kampt met een ernstige persoonlijkheidsstoornis (borderline, anti-sociaal), de psycholoog Van der Leeuw in 2006 heeft geconcludeerd dat onder meer sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis, de psychiater Hummelen in 2015 heeft geconcludeerd dat zeer waarschijnlijk sprake is van schizofrenie van het paranoïde type. De verdediging heeft deze conclusies niet betwist.

Uitspraken over de kans op herhaling en over mogelijke gedragsdeskundige interventies en het juridisch kader waarbinnen dit laatste zou moeten plaatsvinden kunnen volgens de onderzoekers van het PBC niet worden gegeven.

Eerder, in 2006, heeft zowel de psychiater De Mon als de psycholoog Van der Leeuw het recidiverisico ingeschat als groot. De verdediging heeft deze conclusies niet betwist.

Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juni 2016 is aan de verdachte TBS met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd, onder meer ter zake van brandstichting in haar cel in de penitentiaire inrichting in Zwolle op 17 december 2015, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het gerechtshof grondt de kans op herhaling en het juridisch kader waarbinnen gedragsinterventies dienen plaats te vinden op identieke gronden als is verwoord in het vonnis van de rechtbank van 15 juni 2016, in een eerdere strafzaak waarin TBS is opgelegd aan de verdachte, te weten:

De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van TBS. Ook in de rechtsgang van deze zaak heeft de verdachte - evenals in de rechtsgang in de zaak die heeft geleid tot bovengenoemd vonnis van 15 juni 2016 - bij herhaling verklaard dat zij nog steeds moordlustig is en iedereen wil vermoorden. Dat deze bewoordingen van de verdachte niet haar echte wil weerspiegelen, zoals de verdediging heeft aangevoerd, moge wellicht zo zijn, maar dat maakt haar beslist niet minder gevaarlijk.

Zij kan immers haar wil niet volledig in vrijheid bepalen en de kans op herhaling is reeds daardoor prominent en evident aanwezig. De mogelijkheid dat zij (opnieuw) uitvoering zal willen of zal proberen te geven aan deze - reeds gedurende langere tijd aanwezige -gedachten is bepaald niet denkbeeldig. Dat blijkt reeds uit de recidive in deze zaak. Daarnaast is van belang dat niet is gebleken dat inmiddels een diagnose is gesteld met betrekking tot de psychische problematiek van de verdachte of dat een gerichte behandeling mogelijk is geweest.

Ingrijpmedicatie werkt maar kortdurend en de verdachte verblijft op de intensieve behandelafdeling, waar individuele zorg wordt geboden. Dit laatste blijkt uit de door de verdediging overgelegde behandelinformatie met betrekking tot de verdachte, zoals verwoord in een brief van de [kliniek] van 18 oktober 2017.

Het gevaar voor herhaling is derhalve onverminderd aanwezig. Er is sprake van een uitgebreide psychiatrische voorgeschiedenis, zonder dat enige vorm van behandeling tot nog toe enig soelaas heeft geboden. Een langer durende behandeling in een instelling met een hoog beveiligingsniveau is gelet op het bovenstaande nodig. Die behandeling kan - gelet op de reeds gedurende langere tijd manifeste psychische gesteldheid van de verdachte, zoals daarvan blijkt uit haar (behandel)geschiedenis volgens het PBC-rapport - alleen op veilige en verantwoorde wijze plaatsvinden binnen het kader van de TBS.

Het gerechtshof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De aard en ernst van zowel de thans bewezen verklaarde brandstichting, als de psychiatrische problematiek van de verdachte, laten daartoe geen ruimte.

Aan de formele vereisten voor oplegging van TBS is voldaan.

Nu het bewezen verklaarde delict een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, oplegging van TBS eist, zal het gerechtshof deze maatregel, conform de eis van de advocaat-generaal, opleggen, op identieke gronden als de advocaat-generaal heeft aangevoerd. Het gerechtshof acht die gronden alleszins zuiver en ook in het belang van de verdachte zelf.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht stelt het gerechtshof vast dat het bewezen verklaarde feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

169 (honderdnegenenzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gewezen door

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 17 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.