Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10041

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
WAHV 200.183.245
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als fietser niet stoppen voor rood licht. Het verkeerslicht moet worden aangemerkt als een voor de betrokkene bestemd verkeerslicht, omdat het de bedoeling heeft het door haar bereden wegvak af te sluiten voor verkeer in beide richtingen. Dat de betrokkene geen zicht had op het verkeerslicht en niet kon zien dat het verkeerslicht rood licht uitstraalde, is een omstandigheid

die aan de betrokkene zelf te wijten is, doordat zij tegen het verkeer in reed. Deze omstandigheid komt voor haar rekening en risico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.183.245

16 november 2017

CJIB 187575629

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland

van 17 december 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van met een fiets “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 6 februari 2015 om 08.02 uur op de Keern te Hoorn.

2. De gemachtigde (de vader van de betrokkene) voert aan dat zijn dochter de gedraging niet heeft verricht, omdat zij tegen de normale rijrichting van het fietsverkeer in reed en daardoor op de kruising geen verkeerslicht tegen kwam dat voor haar rijrichting bestemd was. Zij had zicht op de achterzijde van het verkeerslicht waar de verbalisanten zicht op hadden. Op de achterzijde van dit verkeerslicht bevindt zich geen verklikkerlichtje. Het enige verwijt dat de betrokkene kan worden gemaakt is dat zij niet de juiste rijrichting heeft gevolgd, aldus de gemachtigde.

De gemachtigde heeft zijn beroep onderbouwd met enkele foto's van de betreffende kruising.

3. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Gedragingsgegevens: Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat deze ongeveer 2 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. Plaatsaanduiding verkeerslicht: kruising Keern / Van Dedemstraat / Dampten.

Betrokkene reed tegen de richting in door rood licht over het fietspad. Hierdoor kon betrokkene niet zien welke kleur het verkeerslicht had. Betrokkene stak het Keern over in de richting van het Dampten. (…)

Verklaring betrokkene: Ik heb niet gezien dat het licht rood was, ik fietste achter de rest aan.”

5. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat het licht op de kruising Keern / Van Dedemstraat / Dampten rood licht uitstraalde op het moment dat de betrokkene de kruising overstak.

Uit de verklaringen van de verbalisant en de betrokkene blijkt dat de betrokkene tegen het verkeer in fietste en daardoor geen zicht had op dit rood licht uitstralende verkeerslicht. De zaak draait om de vraag of de betrokkene desondanks de gedraging heeft verricht.

6. Het hof is van oordeel dat het verkeerslicht wel moet worden aangemerkt als een voor de betrokkene bestemd verkeerslicht. Dit verkeerslicht heeft immers de bedoeling het door haar bereden wegvak af te sluiten voor verkeer in beide richtingen. Dat de betrokkene geen zicht had op dit verkeerslicht en niet kon zien dat dit verkeerslicht rood licht uitstraalde, is een omstandigheid die aan de betrokkene zelf te wijten is, doordat zij tegen het verkeer in reed. Deze omstandigheid komt derhalve voor haar rekening en risico.

7. Weliswaar had de verbalisant in dit specifieke geval ook een sanctie op kunnen leggen voor een andere gedraging, bijvoorbeeld het niet zoveel mogelijk rechts houden, dit neemt echter niet weg dat de verbalisant ook de bevoegdheid had om een sanctie uit te schrijven ter zake van het niet stoppen voor rood licht.

8. Naar de overtuiging van het hof is gelet op het voorgaande komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

9. Gelet op het bovenstaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.