Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9989

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
21-003810-14
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht niet geloofwaardig dat sprake is geweest van de door verdachte beweerde nadronk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003810-14

Uitspraak d.d.: 9 december 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 26 juni 2014 met parketnummer 18-830020-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 6 november 2015, 16 juni 2016 en 25 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde en veroordeling ter zake van deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. F. Gosselaar, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 8 januari 2014, te [plaats 1] , althans in de gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, merk Peugeot, daarmede rijdende over de [weg] , terwijl hij verdachte, onder invloed verkeerde van het gebruik van alcoholhoudende drank, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, genoemde auto te besturen en/of genoemde weg te berijden zonder voldoende uit te wijken voor en/of voldoende afstand te houden van een zich op de (voor verdachte) rechterkant van genoemde weg bevindende voetganger, waardoor een aanrijding/botsing tussen de door verdachte bestuurde auto en die voetganger is ontstaan, ten gevolge waarvan aan die voetganger, genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken middenvoetsbeentjes van de rechtervoet en/of gebroken rechteroogkas en/of gebroken schedel en jukbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2 primair:
hij op of omstreeks 8 januari 2014, te [plaats 1] , althans in de gemeente [gemeente] , als bestuurder van een voertuig, (personenauto, merk: Peugeot), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 595 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 8 januari 2014 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , als bestuurder van een voertuig, (personenauto, merk Peugeot), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

3:
dat hij, als degene door wiens gedraging als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, merk Peugeot, een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in [plaats 1] , althans in de gemeente [gemeente] op de [weg] , op of omstreeks 8 januari 2014 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft bij de rechter in eerste aanleg en ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij op de dag van het ongeval in de middag (tussen 14:00 uur en 16.00 uur) drie borrels Beerenburg heeft gedronken, dat hij rond 20:30 uur broodjes shoarma heeft gehaald in [plaats 2] (waar hij het slachtoffer op de [weg] heeft aangereden) en dat hij na thuiskomst (rond 21:00 uur) nog ongeveer een kwart liter (6 à 7 borrels) Beerenburg heeft gedronken. Door en namens verdachte is aangevoerd dat het ten laste gelegde alcoholpromillage kan worden verklaard uit de nadronk van verdachte en dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken van het rijden onder invloed van alcohol en het veroorzaken van een ongeval terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte heeft bij zijn politieverhoor op 9 januari 2014, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

Op woensdag 8 januari 2014 heb ik in de loop van de middag 4 glaasjes Beerenburg gedronken. Het laatste glas heb ik omstreeks 18.15 uur gedronken. Dit was het laatste glas. Hierna heb ik geen alcohol meer gedronken.

(…)

Ik hoor van u dat ik ook nu nog te veel alcohol in mijn bloed heb om te mogen rijden. Ik had dit niet in de gaten.

Het hof stelt vast dat hier gelegenheid en aanleiding was geweest voor verdachte om, indien daarvan sprake zou zijn geweest, te verklaren dat hij na het ophalen van de broodjes shoarma opnieuw alcohol had gedronken. Uit de stukken blijkt niet van een dergelijke verklaring van verdachte.

Verdachte heeft eerst ter zitting in eerste aanleg aangevoerd dat hij bij thuiskomst, na het halen van de broodjes shoarma, opnieuw alcohol heeft genuttigd.

Daarnaast heeft een van de verbalisanten op 9 januari 2014 in het Turks specialiteitenrestaurant [naam] in [plaats 2] een foto laten zien van verdachte, met daarbij de vraag of deze man op 8 januari 2014 in het restaurant was geweest. Daarop antwoordde het personeel: 'Oh, die dronken man'. Volgens het personeel was verdachte behoorlijk dronken. Het voorgaande in samenhang bezien acht het hof niet geloofwaardig dat sprake is geweest van de door verdachte beweerde nadronk.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 januari 2014 ten tijde van het ongeval zodanig onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde, dat het ademalcoholgehalte meer dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op 8 januari 2014, te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, merk Peugeot, daarmede rijdende over de [weg] , terwijl hij verdachte, onder invloed verkeerde van het gebruik van alcoholhoudende drank, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, genoemde auto te besturen en genoemde weg te berijden zonder voldoende uit te wijken voor en voldoende afstand te houden van een zich op de (voor verdachte) rechterkant van genoemde weg bevindende voetganger, waardoor een aanrijding tussen de door verdachte bestuurde auto en die voetganger is ontstaan, ten gevolge waarvan aan die voetganger, genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken middenvoetsbeentjes van de rechtervoet en gebroken rechteroogkas en gebroken schedel en jukbeen werd toegebracht;

2 primair:
hij op 8 januari 2014, te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Peugeot), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3:
hij, als degene door wiens gedraging als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, merk Peugeot, een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] op de [weg] , op 8 januari 2014 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), letsel was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van alcohol en in die toestand met zijn auto een wandelaar aangereden. Verdachte is vervolgens doorgereden zonder zijn identiteit bekend te maken. Aan de hand van een ter plaatse aangetroffen wrakstuk van de auto kon de politie verdachtes betrokkenheid bij het ongeval naspeuren. Verdachte heeft aldus de belangen van de verkeersveiligheid, daaronder tevens begrepen die van medeweggebruikers, ernstig veronachtzaamd. Door na de aanrijding niet te stoppen en zijn identiteit behoorlijk kenbaar te maken bij de betrokkenen bij het ongeval, zijn deze niet in de gelegenheid gesteld de schade op hem te verhalen. Het slachtoffer, [slachtoffer] , heeft als gevolg van de aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij heeft lang moeten revalideren. In haar schriftelijke verklaring van 6 november 2015 beschrijft zij de ingrijpende gevolgen van het ongeval op haar dagelijkse leven.

Het hof heeft bij de straftoemeting een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 oktober 2016 betrokken. Daaruit is gebleken dat verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk tot een straf of maatregel is veroordeeld.

Het hof acht zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte als bestuurder onder invloed van alcohol verkeerde, maar anders dan de rechtbank, niet dat zijn ademalcoholgehalte 595 microgram per liter uitgeademde lucht bedroeg. Daarom komt het hof tot een andere straftoemeting. Het hof is van oordeel dat een taakstraf van maximale duur passend is. Daarnaast is het, in verband met het ernstig gevaarzettend gedrag van verdachte op de weg en uit het oogpunt van verkeersveiligheid, noodzakelijk dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 18 maanden wordt ontzegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,

en op 9 december 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.