Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9904

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
200.186.271
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor verhuizing naar buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.186.271

(zaaknummer rechtbank Gelderland 286662)

beschikking van 8 december 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Jonkman te Capelle aan den IJssel,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.J. Looijen te Zetten, gemeente Overbetuwe.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 september 2015 en 16 november 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 februari 2016;

het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen op 24 maart 2016;

  • -

    een journaalbericht van mr. Looijen van 8 april 2016 met producties, ingekomen op 12 april 2016;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie, ingekomen op 4 mei 2016;

  • -

    een journaalbericht van mr. Looijen van 3 juni 2016, ingekomen op 8 juni 2016.

2.2

Op 12 september 2016 is na te noemen [kind 1] verschenen, die buiten aanwezigheid van de ouders en de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) door het hof is gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 13 september 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is N. van Oirschot verschenen, vergezeld van haar collega S. Gubbels.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de partijen is op 1 oktober 2010 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1] (verder: [kind 1]), geboren op

[geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], en

- [kind 2] (verder: [kind 2]), geboren op [geboortedatum] 2005

te [geboorteplaats],

(hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen). De ouders oefenen over hen gezamenlijk het gezag uit.

3.3

Bij beschikking van 17 september 2015 heeft de rechtbank de raad verzocht te rapporteren en te adviseren over de in die beschikking vermelde vragen.

3.4

De raad heeft op 15 oktober 2015 rapport uitgebracht.

3.5

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 16 november 2015 heeft de rechtbank:

  • -

    de beschikking van 18 juli 2014 gewijzigd en bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn;

  • -

    de moeder toestemming verleend met de kinderen naar Frankrijk te verhuizen;

de beschikking van de rechtbank Arnhem van 15 juni 2010 gewijzigd in die zin dat als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders wordt vastgesteld dat voornoemde kinderen bij de vader verblijven (waarbij als uitgangspunt de schoolvakanties van de minderjarigen in Frankrijk is genomen; zone A-vakantieplanning):

  • -

    in de vakanties die twee weken duren, zijn de kinderen de eerste week bij vader en de tweede week van de vakantie bij de moeder. Een uitzondering hierop is de kerstvakantie;

  • -

    in principe brengen de minderjarigen de kerstdagen bij de moeder door en oud en nieuw bij de vader. Afhankelijk van hoe de dagen in de kerstvakantie vallen, zullen de ouders een verdeling maken. Wanneer de kinderen nadrukkelijk aangeven dat ze kerst en/of oud en nieuw in Nederland of Frankrijk willen doorbrengen, zullen de ouders dit respecteren;

  • -

    in de vakantie die één week duurt, verblijven de kinderen bij de vader. In 2016 betreft het de meivakantie;

  • -

    in de zomervakantie verblijven de kinderen drie weken bij de vader. In 2016 zal dit zijn van 16 juli tot 6 augustus. De moeder zal met betrekking tot de zomervakantie het halen en brengen voor haar rekening nemen en de vader zal het brengen en halen met betrekking tot de overige vakanties voor zijn rekening nemen,

waarbij de vader voorafgaand aan iedere vakantie van de moeder en/of van de kinderen wil horen dat de kinderen daadwerkelijk met de vader naar Nederland willen en een bevestiging ontvangen dat ze de vader verwachten. De vader wil voordat hij naar Frankrijk reist een brief van het Frans consulaat ontvangen, waarin wordt bevestigd dat zij de vader een veilig in- en uitreizen naar en vanuit Frankrijk garanderen. De moeder heeft toegezegd dat ze hiervoor zal zorgdragen; zij zal haar best doen een schriftelijke verklaring van het Consulaat te verkrijgen. Zolang de moeder geen verklaring kan overleggen en dit voor vader aanleiding is om niet in Frankrijk te reizen, zal de moeder zorgdragen voor het brengen en halen van de kinderen naar de vader in Nederland,

en in zoverre het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil de door de moeder in eerste aanleg verzochte vervangende toestemming om met de kinderen naar Frankrijk te verhuizen.

4.2

De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 november 2015. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende (zo begrijpt het hof:), het verzoek van de moeder tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor een verhuizing met de kinderen naar Frankrijk af te wijzen, kosten rechtens.

4.3

De moeder heeft verweer gevoerd en is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Deze grief ziet op het verblijf van de moeder in nabijheid van de woning van de vader en zijn gezin, anders dan wanneer zij de kinderen in het kader van de contactregeling haalt of brengt. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, behoudens het punt waarop de grief van de moeder zich richt en deze gegrond te verklaren.

4.4

De vader heeft verweer gevoerd in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof het incidentele verzoek van de moeder af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.2

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders zijn belast met het gezamenlijk gezag over de kinderen en zij een verschil van mening hebben over een verhuizing van de verzorgende ouder met de kinderen, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Daarbij geldt dat, hoezeer het belang van de kinderen ook een overweging van de eerste orde dient te zijn, andere belangen toch zwaarder kunnen wegen.

5.3

Overeenkomstig vaste rechtspraak zal het hof bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en alle betrokken belangen afwegen, waaronder:

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

  • -

    de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

  • -

    de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • -

    de rechten van de andere ouder en de kinderen op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

  • -

    de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • -

    de frequentie van het contact tussen de kinderen en de andere ouder voor en na de verhuizing;

  • -

    de leeftijd van de kinderen, hun mening en de mate waarin de kinderen zijn geworteld in hun omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

  • -

    de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.4

Voorts geldt als uitgangspunt dat de ouder bij wie de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben, in beginsel de gelegenheid dient te krijgen met de kinderen elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Hierna zal worden beoordeeld of de keuze van de moeder om te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging te rechtvaardigen valt.

5.5

De vader stelt in zijn eerste grief dat de moeder de financiële noodzaak voor haar verhuizing onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De moeder heeft een academische studie kunstmatige intelligentie afgerond. Tijdens de eerder gevoerde procedures in 2014 en 2015 heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij geen baan kan vinden in Nederland. De moeder heeft nimmer sollicitatiebrieven en/of afwijzingen overgelegd. De moeder is tijdens het huwelijk bovendien werkzaam geweest als schoonheidsspecialiste en als sportlerares. Ook deze werkzaamheden kan ze thans weer oppakken. Volgens de website van de Rijksoverheid komt de moeder eventueel in aanmerking voor een bijstandsuitkering. De moeder heeft de Franse nationaliteit en is dus gemeenschapsonderdaan. Ze verbleef tijdens de echtscheidingsprocedure reeds langer dan vijf jaar onafgebroken en legaal in Nederland. Ze had een langdurig verblijfsrecht, een arbeidsverleden en was de verzorgende ouder van twee minderjarige kinderen.

De moeder zou bovendien in aanmerking zijn gekomen voor een woning in Nederland. Zij had zich in 2014, toen zij geen woonruimte meer had maar wel de zorg over har minderjarige kinderen, bij de gemeente kunnen melden, zodat zij een urgentieverklaring had kunnen krijgen. Dat heeft ze niet gedaan. De vader heeft de moeder bewust een lange periode gegeven om een woning te zoeken in de buurt van de school van de kinderen en hij heeft haar bovendien gevrijwaard voor de negatieve overwaarde van de voormalige echtelijke woning.

De moeder heeft langer dan vijftien jaar in Nederland gewoond en ze heeft er een breed sociaal netwerk opgebouwd. Haar netwerk in Frankrijk bestaat uitsluitend uit de ouders van de moeder, die al op leeftijd zijn. In Nederland had de moeder een beroep kunnen doen op de vader en op de ouders van vriendjes en vriendinnetjes.

De vader stelt voorts in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte niet heeft nagegaan of de kinderen de Franse taal voldoende machtig zijn. Hoewel de vader hierom had verzocht hebben de raad en de rechtbank dit niet onderzocht. Volgens de vader had de rechtbank niet zomaar mogen afgegaan op de mededelingen van de moeder.

In zijn derde grief betoogt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende aannemelijk is dat de moeder de verhuizing naar Frankrijk onvoldoende heeft doordacht en voorbereid en voorts dat onvoldoende aannemelijk is sprake is van onvoldoende stabiliteit in de woonplaats. Hierbij worden, aldus de vader, zaken omgedraaid. Nagegaan moet immers worden de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid. De moeder heeft in 2014 een verzoek ingediend. Ze vertelde de vader dat ze werk en een woning in Frankrijk had. Aan ouders op school vertelde moeder echter dat ze werk in de Verenigde Arabische Emiraten had, terwijl de kinderen op school vertelden dat ze naar Duitsland zouden gaan verhuizen en [kind 2] op zijn beurt heeft gemeld dat zij naar Cyprus gingen verhuizen. Ook hebben de kinderen verschillende verhalen verteld over de woning van de moeder. De kinderen vonden het heel fijn om deels bij de vader en deels bij de moeder te wonen. Hieruit volgt volgens de vader dat geen sprake was van een weloverwogen beslissing.

Voorts merkte de vader in het kader van zijn vierde grief nog het volgende op. De kinderen verblijven op 16 februari 2016 al meer dan zestien weken in Frankrijk en de vader heeft nagenoeg geen contact met hen. Sporadisch ontvangt hij een WhatsApp-bericht van [kind 1]. Ze hebben (nog) niet geskypet, ondanks de daarover tussen partijen gemaakte afspraken. De vader hoort ook niets over de vorderingen van de kinderen op school. Er heeft volgens de vader wel een discussie plaatsgevonden over de voorjaarsvakantie, waarbij de moeder de vader heeft laten weten dat hij de kinderen dient op te halen, omdat ze anders niet naar Nederland zouden komen.

Omdat de moeder in eerste aanleg heeft gesteld dat ze de Franse autoriteiten op de hoogte heeft gesteld van problemen tussen partijen, vreest de vader dat hij wordt opgepakt als hij afreist naar Frankrijk. Daarom wil de vader een verklaring van het Franse Consulaat, waarin hem een veilige in- en uitreis wordt gegarandeerd. Hij acht dit niet onredelijk.

De vader voert voorts aan dat de moeder de contacten tussen de vader en de kinderen niet stimuleert. Van belang is dat beide ouders een rol spelen in leven van de kinderen. Het is niet in het belang van de kinderen dat ze geen contact met de vader hebben. De vader maakt zich voorts ernstige zorgen over het welzijn van de kinderen. De kinderen zijn beschadigd en hij had professionele hulp voor hen gezocht. Door de verhuizing naar Frankrijk is er geen hulp meer voor de kinderen. De moeder erkent de problematiek van de kinderen niet, aldus nog steeds de vader.

5.6

De moeder betwist de stellingen van de vader. Zij stelt in de eerste plaats dat er na het uiteengaan van partijen, toen beide partijen en de kinderen nog in Nederland woonden, een periode is geweest dat de vader de omgangsregeling met de kinderen in het geheel niet nakwam. Hij liet niets van zich horen en onttrok zich aan de omgang. De vader gaf destijds zelfs aan dat hij de kinderen niet meer wilde ophalen of zien, ook niet in de vakanties.

In reactie op grief I van de vader stelt de moeder het volgende. Ten tijde van de relatie van partijen is de moeder thuis geweest om voor de kinderen te zorgen, zodat de vader carrière kon maken. Haar opleiding en kennis is inmiddels niet meer up-to-date. De informatie die de vader overlegt, ziet op pas-afgestudeerden en technische studies zijn door de snelle ontwikkelingen al na een paar jaar niet meer actueel. De moeder heeft schoonheidsproducten verkocht en sportlessen gegeven, maar dat zette financieel geen zoden aan de dijk. De onderneming liep niet, waardoor veel producten over de datum raakten. Moeder moest haar onderneming dan ook om financiële redenen stoppen. Daarbij komt volgens de moeder dat de verkoop plaatsvond in de garage van de voormalige echtelijke woning en toen zij deze verliet, had zij geen verkooplocatie meer. De moeder kan voorts geen sportlessen meer geven in verband met een afwijking aan haar voeten. Zij dient hiervoor een operatie te ondergaan. Ten tijde van de procedure in eerste aanleg had de moeder via een uitzendbureau een tijdelijke baan in Frankrijk. Echter, als gevolg van de procedures heeft zij deze baan niet kunnen volhouden. Nu ontvangt zij een soort bijstandsuitkering in Frankrijk. Het vinden van een baan heeft volgens de moeder tijd nodig.

De moeder heeft in Nederland informatie bij de gemeente ingewonnen over het in aanmerking kunnen komen voor een bijstandsuitkering. Omdat ze geen Nederlandse is, moest zij aan meer voorwaarden dan een Nederlander voldoen om een uitkering te krijgen. Eén van die voorwaarden is dat zij niet langer dan vier weken aaneengesloten in het buitenland zou mogen verblijven. Ze voldeed niet aan die voorwaarde, omdat zij in Frankrijk verbleef in verband met haar (tijdelijke) baan, waar zij bij haar familie verbleef omdat zij in Nederland geen woning had. De moeder wilde uit deze vicieuze cirkel raken. De kansen voor de moeder liggen in Frankrijk en niet in Nederland. Anders dan de vader stelt, wordt een urgentieverklaring niet zo makkelijk afgegeven, voor bijstand is een eigen adres nodig en wat niet lukte, want huren in de particuliere sector was voor haar onbetaalbaar.

De moeder stelt in reactie op de tweede grief van de vader het volgende. Zij is Française. De kinderen hebben de Franse en Nederlandse nationaliteit. Het huwelijk van de ouders is gesloten in Frankrijk en partijen gingen er destijds van uit dat zij in Frankrijk zouden gaan wonen. De grootouders van de kinderen wonen in Frankrijk en hebben eveneens de Franse nationaliteit. De schoolvoorzieningen in Frankrijk zijn goed en gratis. De kinderen zijn vertrouwd met Franse cultuur. De raad had ook geen twijfel over dit aspect. Uit de twee door de moeder overgelegde verklaringen van de scholen van de kinderen blijkt dat het goed gaat met hen op school.

In haar reactie op de derde grief van de vader stelt de moeder dat zij de verhuizing naar Frankrijk wel degelijk goed heeft doordacht. Door de omstandigheden heeft de moeder deze keuze moeten maken. In Nederland zag zij geen mogelijkheden meer en had zij financieel gezien geen perspectief. In Frankrijk had zij geen huisvestingsprobleem, omdat de ouders van de moeder een appartement voor haar beschikbaar hadden.

Het wijzigen van het hoofdverblijf van de moeder naar Nederland of de wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen naar de vader is volgens de moeder niet in het belang van de kinderen. De kinderen willen dat ook niet. De omgang tussen de vader en de kinderen is geen probleem voor de moeder, maar het is de vader die niet wil niet halen of brengen. Dit stimuleert de kinderen ook niet om contact te onderhouden met de vader.

In reactie op de vierde grief van de vader merkt de moeder ten slotte nog het volgende op. De raad heeft volgens de moeder de mogelijkheid contact op te nemen met haar zusterorganisatie in Frankrijk om vast laten stellen dat wel degelijk sprake is van stabiliteit en dat er geen problemen zijn ten aanzien van de school en de woonsituatie. De vader kan dit zelf ook komen vaststellen. De moeder biedt de kinderen alle ruimte om contact te leggen en te onderhouden met de vader, maar de vader moet daarvoor ook open staan. De vader kan als EU-burger vrij reizen naar Frankrijk en heeft hiervoor geen vrijgeleidebrief nodig, aldus de moeder.

5.7

Anders dan de rechtbank, is het hof - in aanmerking genomen de hiervoor onder 5.3 en 5.4 bij de beoordeling van zaken als de onderhavige in aanmerking te nemen beoordelingscriteria en gezichtspunten - van oordeel dat de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar belang bij een verhuizing met de kinderen naar Frankrijk ten tijde van het voeren van de procedure in eerste aanleg voldoende zwaarwegend was.

De moeder stelde toen dat zij om financiële redenen naar Frankrijk wilde verhuizen, omdat zij in Nederland geen woning had en geen werk kon krijgen en zij in Frankrijk een baan had en gebruik kon maken van een woning van haar ouders. Gebleken is evenwel dat deze baan een uitzendbaan betrof, dat de moeder deze baan inmiddels is kwijtgeraakt en dat zij thans een Franse bijstandsuitkering ontvangt. De moeder heeft - tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader - onvoldoende onderbouwd dat zij, mede gezien haar vooropleiding, in Nederland geen kansen had op werk of voor een bijstandsuitkering in aanmerking kon komen, dan wel dat haar carrièreperspectief in Frankrijk aanzienlijk beter zou zijn. De moeder heeft geen enkel stuk overgelegd waaruit is gebleken dat zij had gesolliciteerd. Voorts heeft het hof ernstige twijfels of de verhuizing van de moeder met de kinderen in de zomer van 2014 voldoende is doordacht en voorbereid. Zo is de moeder die zomer alleen vertrokken naar Frankrijk, de kinderen bij de vader achterlatend. Dit heeft een grote impact gehad op de kinderen. De kinderen hebben de moeder toen erg gemist en moesten wennen aan het fulltime verblijf bij de vader en zijn nieuwe gezin; in dit gezin waren de verhoudingen niet optimaal en was sprake van spanningen. Deze beslissing van de moeder is voor de kinderen belastend en schadelijk geweest.

Daarbij komt dat de verhuizing van de moeder en de kinderen naar Frankrijk per 30 oktober 2015, mede door de afstand tussen de nieuwe woonplaats [woonplaats] en [woonplaats], de woonplaats van de vader, een grote negatieve invloed heeft gehad op het contact dan wel de contactmogelijkheden van de kinderen met de vader. De vader stelt dan ook terecht dat hij zijn grootste vrees werkelijkheid heeft zien worden, te weten dat hij sinds het vertrek van de kinderen naar Frankrijk, afgezien van een sporadisch WhatsApp-bericht, nagenoeg geen contact meer met de kinderen heeft, terwijl hij voor hun verhuizing naar Frankrijk de kinderen voor de helft van de tijd zag, dan wel de kinderen bij zich had wonen. Ondanks de gemaakte afspraken, heeft nog geen Skype-contact tussen de vader en de kinderen plaatsgevonden. De vader blijft bovendien verstoken van informatie over de vorderingen van de kinderen op school. Voorts is gebleken dat de omgangsregeling zoals deze door de ouders was overeengekomen en door de rechtbank was neergelegd in de bestreden beschikking, door de moeder niet wordt nagekomen. Dit betekent dat niet kan worden geoordeeld dat door de verhuizende ouder: de moeder, aan de andere ouder: de vader, voldoende alternatieven en maatregelen zijn aangeboden om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren en evenmin dat de rechten van de andere ouder en de kinderen op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving voldoende zijn gewaarborgd. Verder is nog van belang dat de ouders al sinds de echtscheidingsprocedure veel strijd over de kinderen hebben en dat sprake is van een steeds verder gaande verharding van de wederzijdse standpunten, met meerdere voor de kinderen zeer belastende incidenten tot gevolg. De communicatie tussen partijen is ernstig verstoord, de ouders wantrouwen elkaar, maken elkaar verwijten en zijn nauwelijks in staat constructief met elkaar te overleggen. De moeder heeft de vader na haar verhuizing naar Frankrijk in de zomer van 2014 zelfs niet geïnformeerd over haar nieuwe adres.

5.8

Hoewel het voorgaande tot de slotsom zou moeten leiden dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, zal het hof niet dienovereenkomstig beslissen, nu bij de beslissing ook rekening moet worden gehouden met de situatie zoals die inmiddels is ontstaan. Gebleken is immers dat de moeder, nadat de rechtbank haar verzoek tot het verkrijgen van toestemming tot verhuizing bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking had toegewezen, op 30 oktober 2015 met de kinderen naar Frankrijk is verhuisd. Dit betekent dat de kinderen op dit moment reeds meer dan een jaar in Frankrijk wonen. Verder is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling gebleken dat de kinderen, gezien de nationaliteit en achtergrond van de moeder en die van hun grootouders aan moederszijde, al langer vertrouwd waren met de Franse cultuur en dat zij evenals de moeder de Franse nationaliteit bezitten. De kinderen wonen in [woonplaats] en gaan daar naar een Franse school. Uit de door de moeder overgelegde schoolverklaringen van de Franse school van de kinderen blijkt dat de kinderen het goed doen op school en dat zij de Franse taal steeds beter beheersen. Uit het kinderverhoor van [kind 1] blijkt dat zij Franse vrienden en vriendinnen heeft en dat zij het erg naar haar zin heeft. Zij heeft haar leven in [woonplaats] desgevraagd op een hoger cijfer gewaardeerd dan haar leven in Nederland bij de vader. De moeder woont samen met haar nieuwe partner, met wie zij een bestendige relatie lijkt te hebben, en met [kind 1] en [kind 2] in [woonplaats] in de directe nabijheid van de ouders van de grootouders van moederszijde. Gebleken is dat de kinderen in het afgelopen jaar zijn ingegroeid in de gemeenschap van [woonplaats].

Van belang is verder dat het zwaartepunt van de opvoeding van de kinderen, met uitzondering van de periode waarin de kinderen bij de vader verbleven, altijd bij de moeder heeft gelegen. De kinderen hebben de moeder, toen de moeder naar Frankrijk was verhuisd maar de kinderen in Nederland bij de vader moesten achterblijven, erg gemist en [kind 1] heeft verklaard dat zij het fijn vindt bij de moeder. De raad heeft in zijn rapport van 15 oktober 2015 bevestigd dat het verblijf van de kinderen bij de moeder het meest in het belang van de kinderen is. In de opvoedingssituatie bij de moeder ervaren de kinderen de meeste veiligheid en vertrouwen. De kinderen zijn het meest gehecht aan de moeder en zij vertrouwen en missen haar het meest. De vele ingrijpende gebeurtenissen in het leven van de kinderen, zoals de scheiding van de ouders, het wonen in een ander huis met de moeder, het wonen bij de vader en zijn nieuwe partner en de moeder alleen in vakanties zien, heeft volgens de raad voor veel onrust en onzekerheid bij de kinderen gezorgd, mede vanwege het minder goed acclimatiseren bij de vader en een ontbrekende goede oudercommunicatie. Door met de moeder naar Frankrijk te gaan ontstaat volgens de raad een grotere ‘vrije ruimte’ voor de kinderen om het goed bij de moeder te hebben en hierin rust te ervaren. De raad heeft daarbij vertrouwen dat de woonomgeving en de school goede mogelijkheden bieden en goed aansluiten bij wat de kinderen nodig hebben. De raad heeft zich bij zijn advies laten leiden door wat de kinderen vanuit hun belevingen hebben uitgesproken en wat de raad hierbij voor hen het meeste in hun belang acht.

5.9

De belangen van de vader, de moeder en de kinderen tegen elkaar afwegende, met inachtneming van het advies van de raad, dat het hof overneemt en tot het zijne maakt, komt het hof tot de conclusie dat het verzoek van de moeder tot het verkrijgen van toestemming voor verhuizing naar Frankrijk bij de huidige stand van zaken dient te worden gehonoreerd. Het belang van de kinderen bij rust, ruimte en het verblijven bij de moeder dient in dit geval zwaarder te wegen dan het belang van de vader.

5.10

Het hof overweegt nog ten overvloede het volgende. Het is, met de raad, van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij omgang hebben met de vader en dat het schadelijk voor hen is dat geen omgang tussen de vader en de kinderen tot stand kan komen doordat de ouders niet in staat blijken te zijn hierover op constructieve wijze afspraken te maken. Het hof benadrukt dat de ouders in dit opzicht goed dienen samen te werken. De ouders hebben in eerste aanleg op het kantoor van de raad omgangsafspraken gemaakt, die in de bestreden beschikking zijn vastgelegd. Zij dienen zich thans aan de gemaakte afspraken te houden, zonder elkaar verwijten te maken. Dit geldt temeer nu zij geen grieven hebben gericht tegen de in de bestreden beschikking vastgelegde omgangsregeling. Het hof wijst de ouders er voorts op dat beiden ervoor verantwoordelijk zijn dat de afgesproken omgangsregeling ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd, of de kinderen het nu wel of niet leuk vinden, nu een goed contact tussen de kinderen en beide ouders in het belang van de kinderen moet worden geacht. De ouders dienen beiden te investeren in een goede onderlinge communicatie om het contact tussen de vader en de kinderen mogelijk te maken en, zo mogelijk verder vorm te geven en uit te bouwen. Dat het zelfs niet mogelijk is gebleken een Skype-contact tussen de vader en de kinderen tot stand te brengen, acht het hof onaanvaardbaar en in strijd met het belang van de kinderen.

5.11

Het incidenteel beroep van de moeder dient te worden afgewezen, nu dit beroep niet is gericht tegen het dictum van de bestreden beschikking, maar is gericht tegen een overweging in die beschikking die veeleer moet worden gekwalificeerd als een aanbeveling die de moeder zich ernstig ter harte zou moeten nemen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven in het principaal en het in incidenteel hoger beroep en zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Gelet op de aard van de procedure, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 november 2015;

compenseert de proceskosten van het geding in het principaal en het in incidenteel hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, J.B. de Groot en M.S. van Gaalen, bijgestaan door mr. M. Ligtenberg-Vastenholt als griffier, en is op 8 december 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.