Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9856

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
08-12-2016
Zaaknummer
200.163.819/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering op grond van schending zorgplicht assurantietussenpersoon. Bewijsopdracht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3698
AR 2017/1146
JA 2017/18 met annotatie van mr. H.J. Delhaas
NTHR 2017, afl. 3, p. 147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.163.819/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/103648/ HA ZA 14-51)

arrest van 6 december 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. D.R. Kamps, kantoorhoudend te Assen,

tegen

Assurantiekantoor Koster B.V.,

gevestigd te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Koster,

advocaat: mr. W.M. Stolk, kantoorhoudend te Rotterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 februari 2016 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 9 november 2016 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.11 van het bestreden vonnis. Deze feiten luiden als volgt.

2.2

[appellant] is een particulier en was eigenaar van een auto, merk Citroën.

2.3

Koster is een assurantietussenpersoon.

2.4

[appellant] had in het verleden de auto verzekerd op naam van zijn toenmalige schoonmoeder. Deze verzekering is beëindigd nadat de relatie van [appellant] met zijn partner was verbroken.

2.5

De auto is per 4 oktober 2012 door tussenkomst van Koster bij Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. (hierna: Delta Lloyd) verzekerd.

2.6

De verzekeringnemer van deze verzekering was [C] , de oma van [appellant] . [C] heeft geen rijbewijs B.

2.7

Nadat de verzekering is afgesloten, is de auto omstreeks 31 december 2012 door brand verloren gegaan.

2.8

[C] heeft de schade aan de auto bij Delta Lloyd geclaimd.

2.9

Bij brief van 12 maart 2013 heeft Delta Lloyd geweigerd uit te keren op de grond dat bij de aanvraag is verzwegen dat er een andere 'regelmatige bestuurder' van de auto is, [C] niet in het bezit is van een rijbewijs B en zij geen eigenaar van de auto is.

2.10

Bij brief van 6 augustus 2014 heeft [appellant] Koster aansprakelijk gesteld voor de schade die hij lijdt doordat de verzekeraar de claim heeft afgewezen.

2.11

Koster heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg - kort gezegd - betaling van Koster van een bedrag van € 35.375,- gevorderd, vermeerderd met rente en kosten.

3.2

Koster heeft de vordering van [appellant] betwist.

3.3

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten en de nakosten.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

[appellant] heeft in hoger beroep één grief opgeworpen die zich in de kern richt tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en dat dientengevolge aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

4.2

[appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Koster jegens hem niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht, zodat zij tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht in de zin van artikel 7:401 BW, althans dat Koster jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld.
stelt ter onderbouwing van zijn vordering het volgende. Nadat de relatie tussen [appellant] en zijn toenmalige partner was verbroken, diende de verzekering van zijn auto, die tot op dat moment op naam van zijn (voormalig) schoonmoeder stond, te worden gewijzigd. De moeder van [appellant] heeft daarop telefonisch contact opgenomen met Koster. De heer [D] (hierna: [D] ) heeft vervolgens namens Koster een huisbezoek afgelegd. Dit huisbezoek vond plaats omstreeks 4 oktober 2012 in de woning van de moeder van [appellant] , waar ook [appellant] en zijn vader aanwezig waren. Tijdens het gesprek heeft [D] aangegeven dat [appellant] vanwege zijn leeftijd de auto niet zelf kon verzekeren en heeft hij geopperd of de verzekering niet op naam van een opa of oma van [appellant] kon worden afgesloten. Besloten is toen om de verzekering op naam van de oma van [appellant] , [C] , af te sluiten. Van de zijde van [appellant] is vervolgens aangegeven dat [C] niet over een rijbewijs B beschikte, waarop [D] aangaf dat dit geen probleem was omdat dit in de praktijk toch niet werd gecontroleerd. [D] heeft vervolgens in verband met het afsluiten van de verzekering verschillende vragen gesteld die hij nog tijdens het huisbezoek op zijn laptop heeft ingevuld. De digitale aanvraag van de verzekering is daarna op het kantoor van Koster uitgeprint en naar [C] toegezonden. [C] , die niet kan lezen en schrijven, heeft de aanvraag in het bijzijn van de moeder van [appellant] ondertekend en per post teruggezonden naar Koster.
Door [appellant] te adviseren de verzekering op naam van [C] af te sluiten terwijl Koster wist, althans behoorde te weten dat [C] niet over een rijbewijs B beschikte en niet de 'regelmatig bestuurder' van de auto was, althans [appellant] niet (voldoende) te waarschuwen voor de gevolgen van het op dergelijke wijze afsluiten van de verzekering, is Koster naar de mening van [appellant] tekortgeschoten in de zorg die van haar als assurantietussenpersoon mocht worden verwacht, dan wel heeft zij onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld, ten gevolge waarvan zij gehouden is de door [appellant] geleden schade te vergoeden.

4.3

Koster heeft de door [appellant] geschetste gang van zaken betwist. Zij heeft in het kader van haar betwisting het volgende aangevoerd. Op 4 oktober 2012 is Koster, in de persoon van [D] , door [C] telefonisch benaderd met het verzoek een autoverzekering af te sluiten. [D] verkeerde op dat moment in de gerechtvaardigde veronderstelling dat de desbetreffende verzekering voor [C] zelf bedoeld was. Hoewel [D] (de familie van) [appellant] kende, was hem niet bekend dat [C] en [appellant] familie van elkaar zijn. [D] heeft met [C] de gebruikelijke vragenlijst voor een autoverzekeringsaanvraag doorlopen, waarbij [C] de daartoe benodigde gegevens al paraat had. De vraag of [C] over een geldig rijbewijs beschikte, is door haar bevestigend beantwoord en de vraag of er een afwijkende 'regelmatig bestuurder' was, werd door haar met "nee" beantwoord. [D] heeft de gegevens via het digitale systeem "Meeting Point' ingevoerd en op 4 oktober 2012 om 10:40 uur naar Delta Lloyd toegezonden. Op 8 oktober 2012 heeft [C] het aanvraagformulier voor akkoord ondertekend en daarmee heeft zij (dus ook) verklaard dat de antwoorden juist en volledig zijn. Koster betwist dat door [D] een huisbezoek is afgelegd. Zij wijst er daarbij op dat in de kantooragenda van Koster op 4 oktober 2012 geen huisbezoek van [D] noch van een andere werknemer van Koster vermeld staat, terwijl bovendien vast staat dat het verzekeringsaanvraagformulier op 4 oktober 2012 om 10:40 uur via het 'Meeting Point' systeem naar Delta Lloyd verstuurd is, terwijl dit digitale systeem alleen beschikbaar is op de kantoorlocatie van Koster, en niet via een laptop of tablet tijdens een huisbezoek. Ter onderbouwing van haar verweer dat [D] op 4 oktober 2012 geen huisbezoek aan [appellant] heeft afgelegd, voert Koster voorts aan dat zij op 4 oktober 2012 een kantoorbezoek heeft gehad van vertegenwoordigers, waarbij de collega's van [D] aanwezig waren, zodat [D] op die datum de gehele dag op kantoor moet zijn geweest aangezien er altijd iemand aanwezig diende te zijn voor het beantwoorden van de telefoon en het ontvangen van bezoekers.

4.4

Het hof overweegt dat indien vast zou komen te staan dat Koster, in de persoon van [D] , [appellant] heeft geadviseerd de verzekering op naam van [C] af te sluiten terwijl zij wist, althans behoorde te weten dat [C] niet over een rijbewijs B beschikte en niet de regelmatig bestuurder van de auto was, althans dat Koster [appellant] niet (voldoende) heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van het op dergelijke wijze afsluiten van de verzekering, Koster tekort is geschoten in de zorg die van haar als assurantietussenpersoon mocht worden verwacht, dan wel dat zij onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en gehouden is de dientengevolge door [appellant] geleden schade te vergoeden. [appellant] heeft naar het oordeel van het hof voldoende feiten en omstandigheden gesteld die, mits deze komen vast te staan, kunnen leiden tot de gehele of gedeeltelijke toewijzing van zijn daartoe strekkende vordering. Omdat Koster deze stellingen gemotiveerd heeft betwist, zal het hof [appellant] overeenkomstig zijn aanbod toelaten tot bewijslevering door (onder andere) getuigenverklaringen. Dat betekent dat de grief doel treft. Voor zover Koster zich nog op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet kan worden toegelaten tot bewijslevering omdat zijn bewijsaanbod onvoldoende is gespecificeerd, onderschrijft het hof deze stelling van Koster niet. Bovendien verliest Koster hierbij uit het oog dat de rechter ingevolge artikel 166 lid 1 Rv ook ambtshalve bewijs van betwiste stellingen kan opdragen.
De slotsom

4.5

Voordat het hof een nader oordeel zal geven, zal het een getuigenverhoor bevelen.

5 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

laat [appellant] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat Koster, in de persoon van [D] , [appellant] heeft geadviseerd de bedoelde autoverzekering op naam van [C] af te sluiten terwijl zij wist, althans behoorde te weten, dat die [C] niet beschikte over een rijbewijs B en zij niet de regelmatig bestuurder van de auto was, althans dat Koster, in de persoon van [D] , [appellant] niet (voldoende) heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van het op dergelijke wijze verzekeren van de auto;

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.N. Bartels die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdata van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum van dinsdag 3 januari 2017, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;

bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij tenminste een week voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.N. Bartels, voorzitter, mr. H. de Hek en mr. R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op dinsdag

6 december 2016