Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9854

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
08-12-2016
Zaaknummer
200.162.963/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot betaling van meerwerk omdat niet voldaan is aan artikel 7:755 BW. Geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.162.963/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2770945 / CV EXPL 14-1391)

arrest van 6 december 2016

in de zaak van

Haarsma en De Bruin Bouwbedrijf V.O.F.,

gevestigd te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Haarsma,

advocaat: mr. I.J. Woltman, kantoorhoudend te Leeuwarden, voor wie heeft gepleit
mr. J.W. de Vries, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,
wonende te [B] ,

2. [geïntimeerde2],
wonende te [B] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. T. Binnema, kantoorhoudend te Leeuwarden, die ook heeft gepleit.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 maart 2016 hier over.

1.2

Ter uitvoering van het tussenarrest van 22 maart 2016 heeft op 20 oktober 2016 een meervoudige comparitie van partijen plaatsgehad. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken.

1.3

Na afloop van de comparitie hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier.

1.4

Haarsma vordert in het hoger beroep:
om het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 07 november 2014 geheel te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair :

1. [geïntimeerden] hoofdelijk, des de een betalende de ander tot het beloop dier

betaling zal zijn bevrijd, uit hoofde van de tussen partijen (mondeling) gesloten

overeenkomst van aanneming van werk en/of het overeengekomen meerwerk, te

veroordelen tot betaling aan Haarsma een bedrag van € 15.337,78, dan wel een in goede justitie nader te bepalen bedrag, nog te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 19 juni 2013, derhalve vanaf 03 juli 2013, dan wel vanaf 04 februari 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.
Subsidiair :

2. Voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten

koste van Haarsma, terzake waarvan [geïntimeerden] schadeplichtig zijn jegens

Haarsma.

3. [geïntimeerden] hoofdelijk, des de een betalende de ander tot het beloop dier

betaling zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van de door Haarsma geleden

schade met een totaal beloop van € 15.332,78, althans een in goede justitie nader te

bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 19 juni

2013, derhalve vanaf 03 juli 2013, dan wel vanaf 04 februari 2014, tot aan de dag

der algehele voldoening.

Zowel primair als subsidiair :

4. [geïntimeerden] hoofdelijk, des de een betalende de ander tot het beloop dier

betaling zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke

incassokosten aan Haarsma welke overeenkomstig de toepasselijke algemene

voorwaarden zijn gefixeerd op € 1.533,78, dan wel een ander bedrag aan

buitengerechtelijke incassokosten, één en ander in goede justitie te bepalen.

5. [geïntimeerden] hoofdelijk, des de een betalende de ander tot het beloop dier

betaling zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten en de nakosten van beide
procedures.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis van de kantonrechter van
7 november 2014, nu tegen de vaststelling van die feiten geen grieven zijn gericht en ook overigens niet van bezwaren daartegen is gebleken. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder nog is komen vast te staan, gaat het om het volgende.

2.2

Haarsma heeft op 18 december 2012 met [geïntimeerden] een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot het vergroten dan wel aanpassen van de woning van [geïntimeerden] tegen een bedrag van € 98.239,-- inclusief BTW.

2.3

Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden van Aanneming in het

Bouwbedrijf 1992 (hierna te noemen de AVA 1992) en de Consumentenvoorwaarden voor
Verbouwingen 2010 (hierna te noemen de COVO 2010) van toepassing.

2.4

Artikel 13 van de AVA 1992 luidt:

Wijzigingen in de overeenkomst dan wel de voorwaarden van uitvoering zullen schriftelijk

worden overeengekomen. (....). Bij gebreke van een schriftelijke opdracht rust het bewijs

van de wijziging op degene die de aanspraak maakt.

en artikel 8 van de COVO 2010 bepaalt:

Meer- en minderwerk wordt - behoudens spoedeisende omstandigheden - voorafgaand aan de

uitvoering schriftelijk of elektronisch overeengekomen. In geval van door de consument opgedragen meerwerk kan de ondernemer alleen aanspraak maken op een verhoging van de prijs, indien hij de consument tijdig heeft gewezen op de daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de consument deze prijsverhoging zelf had moeten begrijpen.

2.5

In verband met de handicap van mevrouw [geïntimeerde2] zijn de werkzaamheden deels uitgevoerd onder de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, waarbij financiering plaatsvond door de gemeente. Het ging daarbij om het realiseren van een slaapkamer en badkamer op de begane grond. De overige werkzaamheden geschiedden in opdracht en voor rekening Van [geïntimeerden] .

2.6

Partijen zijn overeengekomen dat de heer [geïntimeerde1] zelf zou zorgdragen voor het verwijderen van de dekvloer in de kamer en keuken, het aanleggen van een loze leiding ten behoeve van audio en het installatiewerk. Partijen hebben daarnaast afgesproken dat [geïntimeerde1] zou meewerken met de medewerkers van Haarsma bij het uitvoeren van de werkzaamheden en dat daardoor een aantal extra wensen gerealiseerd kon worden.

2.7

De bouw is begonnen op 9 januari 2013 en de werkzaamheden hebben voortgeduurd tot medio april. Er zijn door of namens Haarsma meer werkzaamheden verricht dan vermeld staan in de overeenkomst.

2.8

[geïntimeerde1] heeft met de medewerkers van Haarsma meegewerkt. Op 20 februari 2013 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden waarbij [geïntimeerde1] heeft aangegeven dat hij tot op dat moment 151 uren had meegewerkt.

2.9

Op 23 mei 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen partijen waarbij

Haarsma heeft aangegeven dat er nog een bedrag ter zake meerwerk door [geïntimeerden] betaald diende te worden. Bij brief van 19 juni 2013 heeft Haarsma dit (nogmaals) toegelicht. Tevens heeft Haarsma [geïntimeerden] daarbij een factuur gezonden voor meerwerk ten bedrage van € 15.337,78.

2.10

Bij brief van 25 juli 2013 heeft de advocaat van [geïntimeerden] aan Haarsma laten weten dat [geïntimeerden] geen bedrag ter zake meerwerk aan Haarsma verschuldigd is, omdat dit meerwerk verrekend zou worden met het voordeel dat Haarsma zou hebben doordat de heer [geïntimeerde1] heeft meegeholpen met de bouw.

2.11

Partijen hebben in de nadien gevoerde correspondentie in hun standpunten volhard.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Haarsma heeft in eerste aanleg dezelfde vorderingen ingesteld als in dit hoger beroep.

3.2

De kantonrechter heeft de vorderingen van Haarsma afgewezen en daartoe – kort samengevat – het volgende overwogen. Het verweer van [geïntimeerde1] dat zijn meewerken niet was begrepen in het overeengekomen bedrag slaagt, nu zulks niet uit de tekst van de overeenkomst blijkt en Haarsma ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft verklaard dat het meewerken bedoeld was voor het realiseren van extra wensen. Haarsma heeft zijn stelling dat partijen meerwerk zijn overeengekomen onvoldoende onderbouwd. Uitgangspunt van de wet is dat de aannemer de opdrachtgever tijdig dient te waarschuwen indien meerwerk leidt tot verhoging van de prijs. Nu kennelijk nimmer over bedragen is gesproken heeft Haarsma niet aan die verplichting voldaan.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

Haarsma heeft vijf grieven opgeworpen tegen het vonnis van de kantonrechter.
Grief II strekt ten betoge dat een groot deel van de extra werkzaamheden die Haarsma heeft uitgevoerd – te weten grondwerk tuin, tuinmuur, straatwerk tuin, tegelvloer slaapkamer en bijkeuken – niet bij wijze van meerwerk is verricht, maar uit hoofde van afzonderlijke, mondeling gesloten overeenkomsten van aanneming van werk. Alleen het kozijn bij de voordeur, de nissen in de badkamer en het sanitair kunnen worden gekwalificeerd als meerwerk, aldus Haarsma.

4.2

[geïntimeerde1] heeft ten stelligste betwist dat partijen separate overeenkomsten hebben gesloten. Hij heeft aangevoerd dat in geval Haarsma separate overeenkomsten had willen aangaan hij dat duidelijk had moeten maken en ook een prijs had moeten noemen, maar dat is nooit gebeurd. Haarsma heeft dit standpunt voor het eerst in appel ingenomen en heeft tot dan toe alle extra werkzaamheden zelf steeds gekwalificeerd als meerwerk. Partijen zijn nooit iets anders overeengekomen dan dat er in ruil voor het meewerken door [geïntimeerde1] extra opties gerealiseerd konden worden, aldus [geïntimeerden] .

4.3

Het hof overweegt als volgt. Het standpunt dat Haarsma in hoger beroep inneemt, staat haaks op zijn stellingname in eerste aanleg. In de inleidende dagvaarding heeft Haarsma immers zelf het standpunt ingenomen dat het bij de betreffende werkzaamheden om meerwerk ging. Het staat Haarsma op zichzelf vrij in hoger beroep een afwijkend standpunt in te nemen nu het hoger beroep mede dient tot het herstel van fouten uit de eerste aanleg.
Naar het oordeel van het hof heeft Haarsma, die de betreffende werkzaamheden bij factuur van 19 juni 2013 (productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg) als meerwerk aan [geïntimeerden] in rekening heeft gebracht, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden] evenwel niet naar behoren onderbouwd dat het geen meerwerk betrof, maar werkzaamheden die op basis van separate, mondeling gesloten overeenkomsten zijn verricht. Haarsma heeft gesteld dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de tuin en de woning, maar vanwege de op grond van de aanneemovereenkomst te realiseren aanbouw, diende er sowieso al grondwerk in de tuin te worden verricht, zodat niet valt in te zien waarom extra grondwerk ten behoeve van het aanleggen van de tuinmuur niet als meerwerk gekwalificeerd zou kunnen worden. Evenmin valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, in te zien waarom het aanbrengen van een extra kozijn en het betegelen van nissen in de badkamer wel als meerwerk gekwalificeerd kan worden, maar het betegelen van de keukenvloer en extra werkzaamheden aan de bijkeuken niet.
Haarsma heeft ook in het geheel niet duidelijk gemaakt waar en wanneer deze separate overeenkomsten tussen partijen zijn gesloten. Een daarop gericht, specifiek bewijsaanbod ligt evenmin voor. Voor bewijslevering is daarom geen plaats.

4.4

Grief II faalt voor zover daarin is betoogd dat sprake is van separate overeenkomsten.

4.5

Haarsma heeft in het kader van grief II verder nog betoogd dat [geïntimeerden] gehouden is tot betaling van de meerwerkfactuur omdat hij opdracht heeft gegeven tot het meerwerk en op de hoogte was van de consequenties voor de prijs. Het hof zal dit deel van de grief bespreken in samenhang met de grieven I, III, IV en V die alle zijn gericht tegen de afwijzing van de meerwerkvordering van Haarsma door de kantonrechter.

4.6

In de toelichting op grief I heeft Haarsma er op gewezen dat in de aanneemovereenkomst rekening is gehouden met het feit dat [geïntimeerde1] bepaalde werkzaamheden zelf zou verrichten, namelijk het verwijderen van dekvloer kamer keuken, het aanbrengen van een loze leiding ten behoeve van audio en installatiewerk.
Tussen partijen staat vast evenwel dat is afgesproken dat [geïntimeerde1] daarnaast zou meewerken met de medewerkers van Haarsma bij het uitvoeren van de werkzaamheden die Haarsma volgens de aannemingsovereenkomst diende uit te voeren en dat daardoor een aantal extra wensen van [geïntimeerden] gerealiseerd kon worden. Niet in geschil is dat [geïntimeerde1] dat ook heeft gedaan. Partijen twisten echter over het aantal uren dat [geïntimeerde1] heeft meegewerkt.
heeft Haarsma op 20 februari 2013 medegedeeld dat hij tot op dat moment 151 uur had meegewerkt. Haarsma betwist dat aantal uren, maar betoogt dat voor zover dat aantal uren juist is, dat – uitgaande van een uurtarief van € 25,- – in verhouding is met het tot op dat moment verrichte meerwerk dat niet door hem in rekening is gebracht en dat is vermeld in het overzicht dat als productie 22 bij memorie van grieven in het geding is gebracht. [geïntimeerde1] heeft de inhoud van dat overzicht betwist en heeft onweersproken gesteld dat Haarsma dat overzicht voor de procedure in hoger beroep nimmer aan hem heeft verstrekt.
heeft benadrukt dat partijen ook nooit een uurtarief zijn overeengekomen voor de uren dat hij meewerkte. Volgens [geïntimeerden] hebben partijen slechts in algemene termen besproken dat er in ruil voor zijn meewerken extra wensen konden worden gerealiseerd. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep heeft [geïntimeerde1] verklaard dat hij Haarsma op 20 februari 2013 nadrukkelijk heeft gevraagd of hij door mee te werken financieel uit zou komen met zijn wensen en dat Haarsma daarop toen bevestigend heeft geantwoord in die zin dat het eventueel € 1000,- lager of hoger kon uitvallen, maar dat hij in dat geval wel een klusje voor [geïntimeerde1] had waarmee dat zou kunnen worden verrekend, aldus [geïntimeerden] .
[geïntimeerde1] heeft betoogd dat hij na 20 februari 2013 nog 200 uur heeft meegewerkt. Haarsma heeft aangevoerd dat [geïntimeerde1] dat niet heeft aangetoond dat hij dat aantal uren heeft gewerkt, zodat het meerwerk dat na die datum is verricht – en dat bij factuur van 19 juni 2013 in rekening is gebracht – niet voor verrekening in aanmerking komt en door [geïntimeerden] betaald dient te worden.

4.7

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Haarsma meer werkzaamheden heeft uitgevoerd dan partijen bij de aannemingsovereenkomst van 18 december 2012 (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) waren overeengekomen.
Zoals het hof hiervoor, bij de bespreking van grief II heeft overwogen, dienen deze werkzaamheden te worden gekwalificeerd als meerwerk.
Ingevolge artikel 7:755 BW, een bepaling van dwingend recht, kan een aannemer in geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk slechts dan een verhoging van de prijs vorderen wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.

4.8

Vast staat dat partijen zijn overeengekomen dat er in ruil voor het meewerken door [geïntimeerde1] meerwerkopties gerealiseerd konden worden. Haarsma heeft zich op het standpunt gesteld dat de tot 20 februari 2013 door [geïntimeerde1] gewerkte uren zijn verrekend met het tot dan toe verrichte meerwerk en dat er voor verrekening van meerwerk na die datum geen grond is. Waarom daarvoor geen grond meer zou bestaan, heeft Haarsma naar het oordeel van het hof niet duidelijk gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat de betreffende overeenkomst is opgezegd of ontbonden en Haarsma heeft niet, althans niet gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde1] na 20 februari 2013 nog heeft meegewerkt. Haarsma heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep in dat verband alleen verklaard dat [geïntimeerde1] er tot 20 februari altijd was en na die datum minder en dat Haarsma niet kan controleren dat [geïntimeerde1] in die periode nog 200 uur heeft gewerkt, zoals hij heeft gesteld.

4.9

Uit het verhandelde tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep is gebleken dat partijen geen duidelijke afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop de verrekening zou plaatsvinden. Haarsma heeft weliswaar gesteld dat is gesproken over een uurtarief voor [geïntimeerde1] van 25 euro, maar [geïntimeerde1] heeft dat gemotiveerd betwist. Dat een dergelijke afspraak is gemaakt, blijkt ook nergens uit en een daarop gericht bewijsaanbod is door Haarsma niet gedaan. Bovendien is gesteld noch gebleken dat partijen afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop zou worden bijgehouden hoeveel uren [geïntimeerde1] meewerkte en of en in hoeverre die uren gelijke tred hielden met de stand van het meerwerk.

4.10

Gelet op de in r.o. 4.8 en 4.9 geschetste omstandigheden is het hof van oordeel dat Haarsma [geïntimeerde1] in niet mis te verstane bewoordingen had moeten waarschuwen op het moment dat hij van mening was dat het te realiseren meerwerk niet langer in verhouding was met de door [geïntimeerde1] meegewerkte uren. Haarsma had immers, in tegenstelling tot [geïntimeerden] , inzicht in de kosten van het meerwerk. Bovendien had hij, nu [geïntimeerde1] meewerkte met zijn medewerkers, inzicht in de omvang van de werkzaamheden van [geïntimeerde1] . Haarsma moet derhalve worden geacht in staat te zijn geweest om te beoordelen of die werkzaamheden in verhouding stonden tot het meerwerk dat [geïntimeerden] gerealiseerd wenste te zien. Daarbij had Haarsma [geïntimeerden] overeenkomstig artikel 7:755 BW uitdrukkelijk moeten wijzen op de noodzaak van de daaruit voortvloeiende prijsverhoging.

4.11

Dat Haarsma dat heeft gedaan, is gesteld noch gebleken. Ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep heeft Haarsma weliswaar verklaard dat hij [geïntimeerde1] op
20 februari 2013 heeft gezegd dat al het meerwerk dat na die datum zou worden uitgevoerd, door [geïntimeerden] betaald diende te worden, maar [geïntimeerde1] heeft dat gemotiveerd betwist.
Hij heeft verklaard dat Haarsma hem desgevraagd heeft verzekerd dat zijn extra wensen gerealiseerd konden worden door mee te werken en dat er hooguit sprake zou zijn van een verschil van € 1000,- maar dat zo nodig verrekend zou kunnen worden met een klus die [geïntimeerde1] voor Haarsma kon doen.
Haarsma, die ook op dit punt geen gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, heeft bovendien niet gesteld dat hij [geïntimeerden] op 20 februari 2013 – of op enig ander moment – duidelijk heeft gemaakt dat hij rekening diende te houden met een meerwerknota in de orde van grootte van € 15.000,-.

4.12

Haarsma heeft aangevoerd dat [geïntimeerde1] de noodzaak van de uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging zelf had moeten begrijpen, omdat het [geïntimeerde1] duidelijk had moeten zijn dat het uitvoeren van werkzaamheden die aanvankelijk niet waren overeengekomen extra kosten met zich meebrengt. Verder heeft Haarsma ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep gesteld dat [geïntimeerde1] bekend was met de prijzen van materialen en werkzaamheden, omdat de prijzen in de aannemingsovereenkomst aan de hand van een open begroting waren gegeven.

4.13

Het hof overweegt als volgt. Maar wat daarvan ook zij: Haarsma gaat met zijn betoog helemaal voorbij aan het feit dat partijen hadden afgesproken dat er meerwerk zou worden gerealiseerd in ruil voor de uren die [geïntimeerde1] meewerkte. Naar het oordeel van het hof mocht [geïntimeerde1] er in het licht van die afspraak – en zolang Haarsma hem niet op het tegendeel wees – van uit gaan dat de kosten van het meerwerk werden gedekt door de uren die hij met de medewerkers van Haarsma meewerkte. Nu partijen geen duidelijke afspraken hadden gemaakt over het registeren van de door [geïntimeerde1] gemaakte uren in relatie tot de kosten van het meerwerk, was het voor [geïntimeerde1] als leek niet inzichtelijk op welk moment een en ander niet meer met elkaar in verhouding was. Haarsma heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep verklaard dat [geïntimeerde1] nooit een overzicht te zien heeft gekregen van de wijze waarop verrekening plaatsvond. Haarsma heeft dan ook in het geheel niet duidelijk gemaakt hoe [geïntimeerde1] had kunnen begrijpen dat hij met een meerwerknota van maar liefst
€ 15.337,78 geconfronteerd zou worden.

4.14

De vordering van Haarsma die strekt tot betaling van zijn meerwerknota stuit af op hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 4.7 tot en met 4.13 is overwogen.

4.15

Haarsma heeft ten slotte nog betoogd dat [geïntimeerden] uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking gehouden is tot betaling van het bedrag van € 15.337,78.

4.16

Dienaangaande overweegt het hof het volgende.
Voor zover [geïntimeerde1] door het door Haarsma uitgevoerde meerwerk al zou zijn verrijkt, is geen sprake van een ongerechtvaardigde verrijking, aangezien de uitvoering van dit meerwerk zijn grondslag vond in de tussen partijen gesloten overeenkomst dat [geïntimeerde1] met de medewerkers van Haarsma zou meewerken ter bekostiging van het meerwerk. Vast staat dat [geïntimeerde1] dat ook daadwerkelijk heeft gedaan. In zoverre is de eventuele ‘verrijking’ van [geïntimeerde1] niet ten koste van Haarsma gegaan. Daarbij komt nog dat uit de stellingen van Haarsma zelf blijkt dat er ter zake van de uren die [geïntimeerde1] na 20 februari 2013 heeft verricht geen verrekening met het meerwerk heeft plaatsgevonden, terwijl niet gesteld of gebleken is dat Haarsma de overeenkomst heeft opgezegd. . Nu het aantal uren dat door [geïntimeerde1] is gewerkt en de wijze waarop die uren moeten worden gewaardeerd tussen partijen in geschil is, valt niet vast te stellen of en in hoeverre sprake is van een discrepantie tussen die uren en het door Haarsma verrichte meerwerk. Maar ook als er een discrepantie zou bestaan is van een ongerechtvaardigde verrijking nog geen sprake nu, zoals hiervoor is overwogen, Haarsma heeft nagelaten [geïntimeerde1] op die discrepantie te wijzen en hem duidelijk te maken dat daaruit een meerwerknota zou voortvloeien. Voor zover Haarsma zijn vordering heeft gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, stuit deze op het hiervoor overwogene af.

4.17

De grieven I tot en met IV falen. Grief V heeft geen zelfstandige betekenis en volgt het lot van de overige grieven.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Het hof zal Haarsma als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerden] worden vastgesteld op:

- griffierecht € 704,-

- salaris advocaat € 1.788,- (2 punten x tarief II)

Totaal € 2.492,-

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep;

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 7 november 2014;

veroordeelt Haarsma in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 704,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. O.E. Mulder en mr. W.Th. Braams en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 december 2016.