Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9849

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
200.141.531/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest na tussenarrest waarin appellant is toegelaten tot bewijslevering. Appellant heeft geen getuigen voorgebracht en heeft ook het strafdossier betreffende de mishandelingszaak niet in het geding gebracht. Bewijs niet geleverd. Bekrachtiging vonnis rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0009
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.141.531/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/07/194832 / HZ ZA 12-50)

arrest van 6 december 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: onttrokken.

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse, kantoorhoudend te Deventer.

Het hof neemt het tussenarrest van 19 juli 2016 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof [appellant] een bewijsopdracht gegeven. De zaak is verwezen naar de rol voor opgave verhinderdata. Nadat [appellant] tot tweemaal toe geen opgave had gedaan van de te horen getuigen en de verhinderdata heeft het hof hem nog eenmaal de gelegenheid geboden opgave te doen. Vervolgens is 18 oktober 2016 bepaald als datum voor de getuigenverhoren.

1.2

Op 5 oktober 2016 heeft de procesadvocaat van [appellant] zich onttrokken. [appellant] is in de gelegenheid gesteld een nieuwe procesadvocaat te stellen, maar hij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3

De getuigenverhoren hebben niet plaatsgevonden.

1.4

[geïntimeerde] heeft om arrest gevraagd.

2 Verder over de grieven

2.1

Het hof heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld om aanvullend tegenbewijs te leveren tegen het door de rechtbank bewezen geachte feit dat hij [geïntimeerde] op 28 januari 2010 heeft mishandeld. Het hof heeft [appellant] tevens in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het dwingend bewijs dat hij [geïntimeerde] op 28 januari 2010 heeft bedreigd.

2.2

Nu [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid tegenbewijs te leveren tegen het dwingend bewijs dat hij [geïntimeerde] op 28 januari 2010 heeft bedreigd, is deze bedreiging bewezen.

2.3

De rechtbank heeft, na het horen van getuigen, bewezen geacht dat [appellant] [geïntimeerde] op
28 januari 2010 met gebalde vuisten op het hoofd en/of het gezicht heeft geslagen. In hoger beroep zijn, ofschoon [appellant] daartoe wel in de gelegenheid is gesteld, geen andere getuigen gehoord. [appellant] heeft het strafdossier niet in het geding gebracht, ondanks dat het hof hem dat uitdrukkelijk heeft verzocht (met de aantekening dat indien hij daarin nalatig blijft het hof daaraan de conclusies kan verbinden die het geraden acht, bijvoorbeeld voor wat betreft de waardering van het bewijs omtrent de mishandeling). Hij heeft niet duidelijk gemaakt waarom hij het strafdossier niet in het geding heeft gebracht en al helemaal niet aannemelijk gemaakt dat hij daartoe redelijkerwijs niet in staat is geweest.

2.4

Het hof verenigt zich met de waardering van het bewijs door de rechtbank. Gelet op hetgeen de door de rechtbank gehoorde getuigen hebben verklaard, is het hof met de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat [appellant] [geïntimeerde] op 28 januari 2010 op het hoofd en/of in het gezicht heeft geslagen. Hetgeen [appellant] daartegen heeft aangevoerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] heeft nagelaten zijn stellingen te onderbouwen met (verklaringen van getuigen uit) het strafdossier, ofschoon dat wel op zijn weg had gelegen.

2.5

De slotsom is dat de grieven 1 (gedeeltelijk), 3 en 4, die zich keren tegen de bewijswaardering door de rechtbank, falen.

2.6

De grieven 5 en 6 bouwen voort op de grieven betreffende de bewijswaardering en hebben geen zelfstandige betekenis. Zij delen het lot van die grieven.

2.7

De slotsom is dat alle grieven falen. Het hof zal de vonnissen, waarvan beroep, bekrachtigen. [appellant] is in hoger beroep in het ongelijk gesteld. Hij zal om die reden worden verwezen in de proceskosten (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief 2), te vermeerderen met de nakosten.

3 De beslissing
het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 308,- aan verschotten en op € 894,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak zal voldoen én betekening heeft plaatsgevonden;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. B.J.H. Hofstee en mr. I.F. Clement, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 december 2016.