Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:980

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
200.154.120/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende gesteld voor het kunnen aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid, nu de niet nakomende partij geen vennootschap is maar een vof. Een vof heeft geen bestuurder maar vennoten die reeds als zodanig aansprakelijk zijn voor schulden van de vof. Voor zover bedoeld is te stellen dat de wederpartij feitelijk aan de touwtjes trok bij de beide vennoten (besloten vennootschappen) van de vof, zou van aansprakelijkheid mogelijk sprake kunnen zijn indien de bewuste persoon bij het laten aangaan van de verbintenis door de vof dan wel bij het bewerkstelligen of toelaten van de niet nakoming daarvan weet of behoort te weten dat niet alleen de vof maar ook haar vennoten, die immers hoofdelijk verbonden zijn voor de schulden van de vof, de contractuele verplichtingen niet kunnen nakomen en geen verhaal zullen bieden voor de daaruit voortvloeiende schade. Dat zulks hier het geval is, is echter gesteld noch gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/374
RO 2016/29
JONDR 2016/568
OR-Updates.nl 2016-0053
INS-Updates.nl 2016-0091
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.154.120/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2671863 CV EXPL 14-59)

arrest van 9 februari 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudend te [woonplaats] ,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 20 mei 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Privaatrecht (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 29 juli 2014,

- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek,

- de memorie van grieven (met producties).

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] , zoals geformuleerd in de memorie van grieven, luidt:

"bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, het vonnis dat op 20 mei 2014 door de Rechtbank Noord- Nederland, afdeling Privaatrecht, locatie Leeuwarden, tussen partijen is gewezen, te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellant te betalen een bedrag van € 25.000,= te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 december 2013 tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

3 De feiten

3.1

Als gesteld en niet weersproken staan de volgende feiten tussen partijen vast.

3.2

[appellant] , destijds student, heeft op 24 december 2008 van Koopstudio Noord Nederland (hierna: KNN), een lidmaatschap van de Woonvereniging [adres] (hierna: de Woonvereniging) gekocht.

3.3

KNN is de handelsnaam waarmee de vennootschap onder firma State Invest naar buiten toe optreedt of optrad. De vennoten van die vof zijn Meervliet B.V. (voorheen: Hooghduin Invest B.V.) en Hi B.V. (voorheen: [naam B.V.] ). Zij zijn tevens de oprichters van de Woonvereniging.

3.4

Het hiervoor onder 3.2 genoemde lidmaatschap van de Woonvereniging geeft [appellant] het exclusieve gebruiksrecht van een studio in het pand aan de [adres] te [woonplaats] , dat eigendom is van de Woonvereniging. Het gebruiksrecht is persoonlijk van aard. De koopprijs (het 'inleggeld') bedroeg € 134.500,-.

3.5

Bij notariële akte van 24 december 2008 is [appellant] als lid toegetreden tot de Woonvereniging. De koopsom heeft [appellant] gefinancierd door een lening bij de Rabobank te Venlo, waarvoor zijn ouders garant stonden. Aan de Rabobank is het lidmaatschap verpand.

3.6

In genoemde akte is tevens als verklaring van State Invest opgenomen dat de Woonvereniging geen andere schulden kent dan die uit hoofde van een “eerste (paraplu) hypothecaire inschrijving ten behoeve van de Rabobank (…) tot zekerheid van alles wat de Rabobank van de woonvereniging, haar huidige leden en/of haar toekomstige leden te vorderen heeft of zal hebben.

3.7

Ook andere studenten maakten gebruik van de diensten van KNN, dat haar concept presenteerde als mogelijkheid voor studenten zonder noemenswaardig inkomen om toch een “koopstudio” te verwerven, hoewel dus van enig zakelijk recht geen sprake was.

3.8

Onderdeel van de overeenkomst is dat [appellant] iedere maand een zogenaamde 'lastendemper' en een 'belastingdemper' van KNN zal ontvangen ter hoogte van in totaal € 339,-. De lastendemper is een maandelijkse tegemoetkoming in de woonlasten. Het betreft hier een renteloze lening die de koper kan aangaan voor een periode van 36 of 60 maanden. Die renteloze lening dient alleen dan terugbetaald te worden wanneer bij de verkoop van de studio een overwaarde wordt gerealiseerd.

De belastingdemper is een constructie waarbij door KNN aan de koper/student een bedrag wordt uitgekeerd vooruitlopend op de renteaftrek die de koper 'spaart' bij de belastingdienst totdat hij over een belastbaar inkomen beschikt. De belastingdemper moet door de koper aan KNN worden terugbetaald op het moment dat hij die studio weer verkoopt of als er sprake is van een vast inkomen op basis van minimaal 24 uur.

3.9

Daarnaast hebben KNN en [appellant] nog een overeenkomst gesloten, te weten het zogenaamde 'Garantplan'. Deze overeenkomst komt er in het kort op neer dat indien [appellant] zijn lidmaatschap na drie jaar wil verkopen, KNN zal trachten de verkoop te realiseren en dat zij anders zelf het lidmaatschap zal terugkopen voor de oorspronkelijke aankoopprijs. Bij terugkoop ingevolge het Garantplan hoeft de hiervoor genoemde lastendemper (de lening) niet te worden terug betaald. Voor het afsluiten van het Garantplan heeft [appellant] eenmalig een bedrag van € 1.495,- betaald.

3.10

Van meet af aan heeft KNN de belastingdemper niet volledig uitbetaald. Vanaf oktober 2009 zijn er haperingen gekomen in het betalen van de lastendemper. [appellant] had ter zake van beide 'dempers' in totaal dienen te ontvangen € 12.204,- maar heeft ontvangen € 6.364, derhalve € 5.804,- te weinig.

3.11

Op 23 augustus 2011 en op 3 december 2012 heeft [appellant] een beroep gedaan op het Garantplan. KNN is haar verplichtingen uit hoofde van dit plan niet nagekomen. Nadat zij er niet in geslaagd was 'de studio' (lees: het lidmaatschap van de Woonvereniging) te verkopen heeft zij verzuimd deze zelf terug te kopen.

3.12

De door [appellant] ingeschakelde makelaar [naam] heeft de waarde van het lidmaatschap per 1 december 2014 getaxeerd op € 50.000,-. (bij onbewoonde staat van de studio).

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en op de grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid vergoeding gevorderd van de door hem geleden schade die hij stelt op meer dan € 25.000- doch die hij tot genoemd bedrag beperkt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

4.2

De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

5 De bespreking van de grieven

5.1

Grief I (bestaande uit de delen A, B en C) strekt ten betoge dat de vordering alsnog moet worden toegewezen omdat deze wel voldoende was onderbouwd en voor zover dat niet het geval is, die onderbouwing in de toelichting op de grief alsnog is gegeven.

5.2

[appellant] baseert zijn vordering op bestuurdersaansprakelijkheid. Hij stelt ten aanzien van de positie van [geïntimeerde] het volgende (MvG 99 tot en met 101):

De exacte positie van [geïntimeerde] is derhalve dat hij via de besloten vennootschappen Meervliet B.V. en HI B.V. de juridische bestuurder van Koopstudio Noord-Nederland is geweest.

Daarnaast was [geïntimeerde] via diezelfde besloten vennootschappen de indirecte bestuurder van State Invest, die de handelsnaam Koopstudio Noord-Nederland voerde.

De feitelijke kant van het bestuurderschap van [geïntimeerde] is gelegen in de stelling dat [geïntimeerde] het uithangbord, aanspreekpunt en degene was die informatie verstrekte aan de deelnemers van het Koopstudio project over het Koopstudio verhaal.

Zowel via zijn besloten vennootschapen als feitelijk had [geïntimeerde] wel degelijk daadwerkelijk zeggenschap als bestuurder over gedragingen van Koopstudio Noord-Nederland, de partij met wie [appellant] zowel de koopovereenkomst van het lidmaatschap als het Garantplan heeft gesloten.”

5.3

Ten aanzien van de grondslag voor de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] heeft [appellant] , samengevat, het volgende gesteld (inleidende dagvaarding 53 tot en met 74):

Aangezien eiser daartoe in de eerste plaats stelt dat gedaagde als bestuurder van State Invest en [het hof leest: bij] het tekenen van het garantplan (18 november 2008) wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat State Invest niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden;

aangezien (..) het hele Koopstudio project in feit een piramidespel betrof (…)

aangezien (…) het garantplan dus een schijnzekerheid biedt (…)

aangezien het ernstig verwijt ook aan gedaagde kan worden gemaakt doordat hij in de daarop volgende jaren keer op keer het richting eiser heeft doen voorkomen alsof er niets aan de hand was (…)

aangezien eiser (…) gedaagde ook verwijt en het ook als onrechtmatig ziet dat gedaagde de inkomsten, die hij in State Invest ontving ter zake van de verkoop van studio's van kopers die na eiser zijn gekomen niet heeft aangewend voor het betalen van de belasting- en lastendempers maar voor andere doeleinden (…)”.

5.4

In hoger beroep (MvG 45 e.v. en 116 e.v.) heeft hij daaraan toegevoegd, samengevat, dat de gehele constructie complex was en risicovol omdat (i) de nakoming afhankelijk was van de betaling van de dempers, (ii) slechts een persoonlijk recht is verleend en (iii) KNN voor de Woonvereniging een hypothecaire lening heeft gesloten bij dezelfde Rabobank als waar het lidmaatschapsrecht is gefinancierd en dit hypotheekrecht mede tot zekerheid strekte van al hetgeen de Rabobank van Meervliet B.V., Hi B.V. en de Woonvereniging te vorderen heeft. Voor deze risico’s is [appellant] , naar hij verder stelt, nooit gewaarschuwd, in tegendeel: met het Garantplan is bij hem de verkeerde indruk gewekt dat er geen risico bestond.

5.5

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K.

5.6

In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006: AZ0758, NJ 2006, 659, Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, NJ 2000, 295).

5.7

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (De zogenoemde Beklamelnorm naar HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990, 286,). In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. In dit onder (ii) bedoelde geval draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.

5.8

Wat hiervoor is overwogen, geldt in gelijke mate voor de indirect bestuurder van een vennootschap. (zie HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204, rechtsoverweging 3.3.3).

5.9

Het hof begrijpt uit zijn hiervoor onder 5.2 tot en met 5.4 aangehaalde stellingen dat [appellant] zich beroept op beide hiervoor onder (i) en (ii) bedoelde gevallen. [appellant] ziet echter daarbij een cruciaal aspect over het hoofd, althans hij besteedt er geen aandacht aan: in het onderhavige geval is de niet nakomende en geen verhaal biedende schuldenaar geen rechtspersoon (met een of meer bestuurders) maar een vof (en haar vennoten). Het hof zal daarop hieronder verder ingaan.

5.10

Het hof kan [appellant] niet volgen in zijn stelling dat [geïntimeerde] via Meervliet B.V. en Hi B.V. de “juridische bestuurder” van KNN is geweest. KNN (Koopstudio Noord-Nederland) is immers de handelsnaam van State Invest en State Invest is, volgens de eigen (niet weersproken) stellingen van [appellant] (o.a. CvR 4 en MvG 57) de naam van een vennootschap onder firma waarvan Meervliet B.V. en Hi B.V. de vennoten zijn. Een vennootschap onder firma is geen rechtspersoon en heeft geen bestuurder. Een vennoot is als zodanig reeds hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vof. Voor zover [appellant] bedoeld heeft te stellen dat [geïntimeerde] bestuurder was van Meervliet B.V. en Hi B.V. heeft hij, daargelaten de vraag welke betekenis daaraan kan toekomen in de context van de grondslag van de vordering, die stelling niet onderbouwd in het licht van de door hem overgelegde stukken. Uit de door [appellant] overgelegde uittreksels Handelsregister (prod. 15 MvG) blijkt immers dat niet [geïntimeerde] maar respectievelijk Vijvervliet B.V. en [naam B.V.] de bestuurders zijn van genoemde besloten vennootschappen. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] de bestuurder is van laatstgenoemde vennootschappen, zodat het hof daar niet van uit kan gaan. Als productie 15 is overigens tevens een uittreksel overgelegd van de besloten vennootschap met de naam State Invest en met als bestuurder [naam B.V.] Hieraan gaat het hof voorbij omdat die productie niet aansluit bij de stellingen van [appellant] .

5.11

Daarmee komt het hof toe aan de stelling dat [geïntimeerde] als “feitelijk bestuurder”, degene met de feitelijke zeggenschap binnen State Invest (KNN), aansprakelijk gehouden kan worden voor de schulden van KNN. Hiervoor is reeds overwogen dat State Invest (KNN) als vof geen bestuurder kent. Het zijn de vennoten die namens de vof handelen. Mogelijk bedoelt [appellant] met zijn stelling dat, indien de vennoten, zoals dat hier het geval is, rechtspersonen zijn, degene die het bij die rechtspersonen feitelijk voor het zeggen heeft (en dat zou dan [geïntimeerde] zijn, zo begrijpt het hof [appellant] ) onrechtmatig kan handelen door (i) het ertoe te leiden dat de vennoten namens de vof verplichtingen aangaan terwijl hij weet of behoort te weten dat de vof deze niet zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden voor de daaruit voortvloeiende schade, dan wel (ii) te bewerkstelligen of toe te laten dat de vof haar verplichtingen niet nakomt en geen verhaal biedt voor de daaruit ontstane schade. Het hof is van oordeel dat van aansprakelijkheid via deze constructie (die door [appellant] niet is uitgewerkt in concrete stellingen) hooguit dan sprake zou kunnen zijn indien de bewuste persoon bij het laten aangaan van de verbintenis door de vof dan wel bij het bewerkstelligen of toelaten van de niet nakoming daarvan weet of behoort te weten dat niet alleen de vof maar ook haar vennoten, die immers hoofdelijk verbonden zijn voor de schulden van de vof, de contractuele verplichtingen niet kunnen nakomen en geen verhaal zullen bieden voor de daaruit voortvloeiende schade. Dat zulks hier het geval is, is door [appellant] niet gesteld, noch gebleken. Door [appellant] is niets gesteld omtrent de financiële gesteldheid van Meervliet B.V. en Hi B.V. ten tijde van het aangaan van de overeenkomst en ten tijde van het door hem gewraakte handelen of nalaten. Door [appellant] is niet meer aangevoerd dan dat hij voorafgaand aan deze procedure van zijn huisgenoten heeft begrepen dat Meervliet B.V. en Hi B.V. geen verhaal bieden (MvG 72)

5.12

Aldus faalt de grief. Grief II mist daarnaast zelfstandige betekenis, zodat ook deze grief faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 20 mei 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, waarvan beroep;

veroordeelt Doorbos in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op nihil.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse , mr. O.E. Mulder en mr. G. van Rijssen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

9 februari 2016.