Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:974

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
200.137.728-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inning van studiebeursschuld , toegekend door het Eilandgebied Curaçao op 21 juni 1971, waarna gepoogd is tot stuiting van 30 jarige verjaringstermijn van artikel 1986 Oud BW van de Nederlandse Antillen door middel van openbaar exploot ex artikel 54 lid 4 Rv (Ned.)

Naar het oordeel van het hof veronderstelt de “bekendheid” van de woonplaats dat zij door navraag langs de gebruikelijke kanalen (zoals de Gemeentelijke Basis Administratie persoonsgegevens of het centraal bevolkingsregister) moet kunnen worden vastgesteld.

Gesteld, noch anderszins is gebleken dat in december 2001 door of namens appellante daadwerkelijk de GBA of het centraal bevolkingsregister is geraadpleegd, terwijl dit redelijkerwijs van haar mocht worden gevergd. Aldus heeft appellante voor het mogen aannemen dat de woon- of verblijfplaats van geïntimeerde in Nederland in december 2001 onbekend was onvoldoende onderzoek gedaan of doen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.137.728/01

(zaaknummer rechtbank 651891 MC EXPL 13-2229)

Arrest van 9 februari 2016

in de zaak van

Stichting Studiefinanciering Curaçao,

gevestigd te Willemstad, Curaçao,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: SSC,

advocaat: E. Douma, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

advocaat: mr. E.R. van Schaik, kantoorhoudend te Lelystad.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 10 juli 2013 en 4 september 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere (hierna verder te noemen: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 november 2013,

- de memorie van grieven (met één productie),

- de memorie van antwoord,

- een akte (met producties) van de zijde van SSC en

- een antwoordakte van de zijde van [geïntimeerde] .

2.2

Vervolgens heeft SSC de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.2

De vordering van SSC luidt:

" om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis (…) van 4 september 2013, gewezen tussen appellante en als eiseres en geïntimeerde als gedaagde, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van appellante alsnog toe te wijzen en geïntimeerde mitsdien alsnog te veroordelen tot betaling van de in de dagvaarding in eerste aanleg gevorderde bedragen en geïntimeerde voorts te veroordelen in de kosten van het geding on ede instantie.”

De beoordeling

3.De tussen partijen vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans onvoldoende (gemotiveerd) weersproken en op grond van de overgelegde stukken, voor zover niet weersproken, staan de volgende feiten tussen partijen vast.

3.1

Het (toenmalige) openbaar lichaam Curaçao heeft op 21 juni 1971 aan [geïntimeerde] een studiebeurs verstrekt op grond waarvan [geïntimeerde] van 1 augustus 1971 tot 1 april 1972 in Nederland een studie/opleiding computer programmeuse/systeemanaliste heeft gevolgd.

3.2

Bij besluit van 4 september 1972 heeft het eilandgebied Curaçao deze studiebeurs ingetrokken, gerekend te zijn ingegaan op 1 april 1972, en terug te vorderen alle uitgaven welke in verband met deze studiebeurs ten laste van de eilandskas zijn gedaan, verminderd met hetgeen (…) is betaald en bovendien vermeerderd met samengestelde interest, hetwelk wordt berekend over het openstaande bedrag en tegen de op dat tijdstip geldende rentevoet voor langlopende geldleningen.

3.3

Het (toenmalige) openbaar lichaam Eilandgebied Curaçao heeft de vordering die zij heeft op [geïntimeerde] overgedragen aan SSC.

3.4

[geïntimeerde] woonde vanaf 7 mei 1990 aan [adres] en vanaf 23 januari 2004 aan de [adres] . Zij stond ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie op deze adressen ingeschreven.

3.5

Op 27 december 2001 is per deurwaardersexploot, doende aan het parket van de E.A. Heer/Vrouwe Officier van Justitie bij de rechtbank te ’s-Gravenhage en met melding in dagblad De Telegraaf van vrijdag 28 december 2001 van een stuiting. In deze advertentie werden circa 350 namen genoemd, waaronder die van [geïntimeerde] . Bij inleidende dagvaarding heeft SSC aan [geïntimeerde] mededeling van voormelde cessie gedaan.

3.6

Op 2 april 2003 heeft SSC aan [geïntimeerde] een stuitingsbrief verzonden, waarbij als haar adres [adres] staat vermeld.

4.Het geschil en de beslissing van de kantonrechter

4.1

SSC heeft gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 2.148,01 aan hoofdsom, vermeerderd met primair de contractuele rente van 10% per jaar vanaf 27 januari 2002 tot aan de dag der algehele voldoening dan wel subsidiair de Nederlands-Antilliaanse wettelijke rente vanaf januari 2002 tot de dag der algehele voldoening, tot en met 5 maart 2013 primair berekend op € 4.042,65 en subsidiair op € 1.516,51, € 833,- aan buitengerechtelijke kosten dan wel subsidiair € 383,42 aan buitengerechtelijke kosten en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2

Na verweer door [geïntimeerde] , die zich onder meer heeft beroepen op verjaring van de vordering, heeft de kantonrechter de vordering afgewezen met veroordeling van SSC in de proceskosten.

5. De motivering van de beslissing

5.1

De grieven I en II zijn gericht tegen de overwegingen van de kantonrechter in voormeld vonnis van 4 september 2013, inhoudende dat SSC met het openbaar uitgebrachte exploot d.d. 27 december 2001 de verjaringstermijn niet heeft gestuit, nu SSC onvoldoende heeft aangetoond dat [geïntimeerde] geen bekende woon- of verblijfplaats had en dat SSC onvoldoende heeft gedaan wat van haar mocht worden verwacht om het juiste adres van [geïntimeerde] te achterhalen. De strekking van grief IV is dat SSC in 2001 slechts beperkte onderzoeksmogelijkheden ten dienste stond om te achterhalen op welk adres [geïntimeerde] in Nederland woonde. Grief V is gekeerd tegen de conclusie die de kantonrechter verbindt aan het gegeven dat SSC op 2 april 2003 wel de verblijfplaats van [geïntimeerde] bekend was, te weten dat SSC zich voor de stuiting van de verjaring niet kan beroepen op het openbaar uitgebrachte exploot d.d. 27 december 2001. Grief VI is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat SSC de verjaringstermijn niet door het openbaar uitgebrachte exploot d.d. 27 december 2001 heeft gestuit, aangezien [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dit exploot niet te hebben ontvangen. Volgens grief III is de kantonrechter volgens SSC ten onrechte voorbijgegaan aan de destijds geldende lange verjaringstermijn van 30 jaar.

5.2

Tegen rechtsoverwegingen 2.3 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis van 4 september 2013 is niet gegriefd, noch zijn daartegen anderszins bezwaren geuit. Aldus gaat het hof ervan uit dat (krachtens artikel 4 leden 1 en 2 EVO-verdrag) op het onderhavige geschil het recht van het land Curaçao van toepassing is. Vóór de inwerkingtreding van het Nieuw Burgerlijk Wetboek in de Nederlandse Antillen per 1 januari 2001 gold krachtens artikel 1986 Oud BW van de Nederlandse Antillen voor de vordering van SSC tot terugbetaling van de ter beschikking gestelde gelden een verjaringstermijn van 30 jaar. Krachten artikel 3:307 lid 1 BW van de Nederlandse Antillen geldt er thans een verjaringstermijn van vijf jaar, terwijl blijkens de Landsverordening Algemene Overgangsregeling Wetgeving en Bestuur Land Curaçao vanaf 10 oktober 2010 - de datum met ingang waarvan Curaçao een zelfstandig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden is geworden - dit wetboek is blijven gelden. Uit artikel 8 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen volgt dat deze vijfjarige verjaringstermijn niet eerder dan met ingang van 1 januari 2002 van toepassing is. Dit betekent dat het hof er, met de kantonrechter, vanuit gaat dat SSC de oude verjaringstermijn van 30 jaar nog tot 1 januari 2002 kon stuiten.

5.3

Volgens SSC heeft zij deze verjaringstermijn van 30 jaar met het openbaar uitgebrachte exploot d.d. 27 december 2001(productie 2 bij inleidende dagvaarding) gestuit. Dat is een betekening overeenkomstig artikel 54 lid 4 Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aangezien voor het procesrecht Nederlands recht geldt als ius fori (artikel 10:3 BW). Deze betekening is slechts rechtsgeldig indien de woonplaats en het werkelijk verblijf van degene aan wie de verzoeker wenst te betekenen bij de verzoeker - SSC - onbekend zijn. Naar het oordeel van het hof veronderstelt de “bekendheid” van de woonplaats dat zij door navraag langs de gebruikelijke kanalen (zoals de Gemeentelijke Basis Administratie persoonsgegevens - hierna verder: GBA - of het centraal bevolkingsregister) moet kunnen worden vastgesteld. Volgens SSC heeft [geïntimeerde] tijdens haar studie - in 1972 - in de gemeente [gemeente] gewoond en was haar als laatste woonadres van [geïntimeerde] in Nederland [adres] bekend, reden waarom SSC heeft geïnformeerd bij deze gemeente. Aldaar was [geïntimeerde] volgens SSC in december 2001 echter niet bekend. Blijkens het door [geïntimeerde] (bij dupliek) overgelegde uittreksel uit de GBA stond [geïntimeerde] ten tijde van het uitbrengen van het openbaar uitgebrachte exploot en zelfs ruim daarvoor - sinds 1990 - wel ingeschreven in Nederland en was haar woonplaats wel degelijk bekend in de GBA. De stelling van SSC dat haar informatie bij de gemeente [gemeente] ertoe heeft geleid dat deze gemeente haar heeft medegedeeld dat haar geen woon-of verblijfplaats van [geïntimeerde] bekend was en haar ook geen nieuwe gemeente van inschrijving kon doorgeven, brengt nog niet mee dat SSC geen verder onderzoek hoefde te verrichten naar de woon- of verblijfplaats van [geïntimeerde] . SSC heeft voormelde stelling slechts onderbouwd met de brief van haar deurwaarder van 10 december 2001 (productie 9 bij akte uitlating productie), waarin is verzocht of de daarin vermelde gegevens van [geïntimeerde] nog juist zijn. Als gegevens zijn vermeld:

“ [geïntimeerde] , geboren [geboortedatum]

[adres]

0000 XX [adres] ”

Op deze brief is met de hand geschreven: “onbekend, 13-12-2001” met daarnaast het stempel van de gemeente [gemeente] . Nog daargelaten dat de onder [adres] vermelde postcode duidelijk geen geldige postcode kan zijn, acht het hof deze mededeling onvoldoende voor het mogen aannemen door SSC dat de woon- of verblijfplaats van [geïntimeerde] in Nederland destijds onbekend was. Dit geldt temeer, nu de geldleningsovereenkomst ten tijde van het uitbrengen van het openbaar exploot reeds 30 jaar geleden was afgesloten en gesteld, noch anderszins is gebleken dat na het afsluiten van deze geldleningsovereenkomst en vóór het uitbrengen van het openbaar exploot (de rechtsvoorganger van) SSC [geïntimeerde] eerder heeft aangemaand dan wel op andere wijze in contact is geweest met [geïntimeerde] . SSC heeft niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat in december 2001 door of namens haar daadwerkelijk de GBA of het centraal bevolkingsregister is geraadpleegd, terwijl dit redelijkerwijs van haar mocht worden gevergd. Aldus heeft SSC voor het mogen aannemen dat de woon- of verblijfplaats van [geïntimeerde] in Nederland in december 2001 onbekend was onvoldoende onderzoek gedaan of doen verrichten.

SSC heeft weliswaar gesteld dat haar in 2001 slechts beperkte onderzoeksmogelijkheden ten dienste stond om te achterhalen op welk adres [geïntimeerde] in Nederland woonde. SSC heeft dit naar het oordeel van het hof onvoldoende geconcretiseerd, terwijl zij de stelling van [geïntimeerde] , inhoudende dat reeds vanaf 1995 digitale inzage van het de (oude) GBA mogelijk is, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Aldus gaat het hof aan deze (blote) stelling voorbij.

Vaststaat dat SSC [geïntimeerde] in april 2003 wel heeft kunnen aanschrijven op het adres waar zij toen ingeschreven was. SSC heeft niet toegelicht waarom zij in 2001 dat adres niet heeft kunnen vinden. Voorts is SSC in het geheel niet ingegaan op het betoog van [geïntimeerde] dat zij in 1972 is teruggekeerd naar Curaçao en daar jarenlang heeft gewoond. Dat de rechtsvoorgangster van SSC - het openbaar lichaam Curaçao - daarmee niet ten minste bekend had kunnen zijn, is onwaarschijnlijk. In dat licht bezien is het nog merkwaardiger dat SSC haar speurtocht in [gemeente] is begonnen.

5.4

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kon SSC de verjaringstermijn van 30 jaar derhalve niet rechtsgeldig stuiten door middel van het uitbrengen van voormeld openbaar exploot van 27 december 2001. Daarbij komt nog het volgende. Krachtens artikel 3:317 BW van de Nederlandse Antillen is voor stuiting een schriftelijke mededeling vereist. Voor die mededeling geldt wat in artikel 3:37 BW van de Nederlandse Antillen is bepaald. Volgens het tweede lid van deze bepaling kan een schriftelijke mededeling ook bij exploot plaatsvinden. Ingevolge het derde lid van deze bepaling moet een aan een betrokkene gerichte verklaring - dit geldt ook voor een exploot - deze wel hebben bereikt, tenzij dat niet bereiken voor risico van de geadresseerde komt. Gesteld, noch anderszins is gebleken dat deze laatste situatie zich hier voordeed. Op de schuldenaar rust geen algemene verplichting om adreswijzigingen aan diens schuldeisers door te geven.

Dit betekent dat de kantonrechter het beroep van [geïntimeerde] op verjaring terecht heeft gehonoreerd.

5.5

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de grieven I, II en IV ongegrond. Grief III berust op een verkeerde lezing van het bestreden vonnis en slaagt derhalve evenmin. Indien en voor zover grief V slaagt, kan dit niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Blijkens hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof grief VI niet relevant, reden waarom deze grief niet voor behandeling in aanmerking komt. Aldus zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. SSC zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de proceskosten (tarief I, 11/2 punt).

Beslissing

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere van 4 september 2013;

veroordeelt SSC in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 948,- voor geliquideerd salaris van de advocaat en € 299,- voor verschotten;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Groefsema, mr. J.H. Kuiper en mr. H. de Hek en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

9 februari 2016.