Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9726

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
200.191.993/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.191.993/01

(zaaknummer rechtbank C/08/177018/FA RK 15-2359)

beschikking van 1 december 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. van der Burg, kantoorhoudend te Zwolle (onttrokken),

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Zwolle,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbende(n) is/zijn aangemerkt:

1 Jeugdbescherming Overijssel,

de gecertificeerde instelling,

gevestigd te Zwolle,

verder te noemen: de GI/voogd,

2 De pleegouders,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 10 maart 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 23 mei 2016;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van 23 september 2016 van mr. Van der Burg, ingekomen op dezelfde datum, waarin hij verklaart zich als advocaat van de moeder te hebben onttrokken.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 1 november 2016 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, zonder advocaat. Zij heeft de zitting voortijdig verlaten.

Namens de raad is de heer [B] verschenen. Namens de GI is mevrouw [C] verschenen, de voogd van [de minderjarige] .

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de moeder is [in] 2010 te [A] geboren [de minderjarige] (hierna te noemen [de minderjarige] ). De verwekker van [de minderjarige] is [D] (hierna te noemen: de vader). Tot de bestreden beschikking van 10 maart 2016 was de moeder alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.2

[de minderjarige] is kort na haar geboorte, medio mei 2010, onder toezicht gesteld en vanuit het ziekenhuis in een pleeggezin geplaatst. In juni 2010 is zij met inzet van [E] en [F] weer bij de moeder geplaatst. [de minderjarige] ontwikkelt zich op dat moment leeftijdsadequaat en de ondertoezichtstelling wordt in juni 2011 afgesloten. Sinds 20 februari 2014 staat [de minderjarige] wederom onder toezicht van de GI en op 19 juni 2014 is [de minderjarige] opnieuw middels een (spoed)machtiging uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Sinds juli 2014 verblijft [de minderjarige] bij de huidige pleegouders.

De termijnen van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn nadien telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van 3 februari 2016 tot 20 februari 2017.

3.3

[de minderjarige] heeft al jaren geen omgang met haar moeder. Tussen de vader en [de minderjarige] is een begeleide bezoekregeling van één keer per zes weken een uur.

3.4.

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 maart 2016. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de raad strekkende tot beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] alsnog af te wijzen.

4.2

De raad heeft verweer gevoerd en het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en - na eigen onderzoek - tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:266 BW. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank het gezag van de moeder over [de minderjarige] op goede gronden heeft beëindigd.

5.4

In aanvulling daarop overweegt het hof nog alsvolgt.

De moeder heeft ter zitting wederom slechts herhaald dat zij meent dat als zij het gezag over [de minderjarige] terugkrijgt, [de minderjarige] ook bij haar zal (kunnen) worden teruggeplaatst.

Uit de beschikbare gegevens, waaronder die uit het raadsrapport d.d. 29 september 2015 dat aan het verzoek tot de gezagsbeëindigende maatregel ten grondslag ligt, en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is evident gebleken dat het opvoedingsperspectief van [de minderjarige] , niet bij haar moeder ligt. Moeder is, met name door haar eigen (psychiatrische) problematiek langdurig niet in staat gebleken en nog steeds niet in staat om binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van haar dochter te dragen. Op grond daarvan ontbreekt het vooruitzicht op terugkeer naar de moeder.

5.6

Indien er geen perspectief is op terugkeer van de kinderen naar de ouders, ligt in beginsel een verderstrekkende maatregel (beëindiging van het ouderlijk gezag) in de rede, mede gelet op het belang van de kinderen bij duidelijkheid omtrent hun toekomstperspectief en het beëindigen van de onzekerheid die nu eenmaal inherent is aan de tijdelijke maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, die jaarlijks moeten worden verlengd. Daarin is in zijn algemeenheid de meerwaarde van gezagsbeëindiging voor kinderen gelegen en dat geldt zeker ook in dit geval, aangezien de moeder niet in staat is [de minderjarige] emotioneel toestemming te geven om elders op te groeien. Moeder heeft ook ter zitting van het hof weer aangegeven dat zij het gezag over [de minderjarige] wil behouden om zo haar kind weer terug te krijgen bij haar thuis, omdat zij graag op deze wijze weer wil genieten van het zijn van moeder. Ook duidelijkheid jegens de pleegouders is voor [de minderjarige] van belang aangezien hechting een wederzijds proces is. Gezagsbeëindiging draagt hieraan bij.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 10 maart 2016;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, A.W. Beversluis en I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 1 december 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.