Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9719

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
200.194.581/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.194.581/01

(zaaknummer rechtbank C/17/145154 / FA RK 15-1878)

beschikking van 29 november 2016

inzake

de raad voor de kinderbescherming regio Noord-Nederland,

kantoorhoudende te Leeuwarden,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,
verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.H. Rump te Zwolle.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [B] ,
verder te noemen: de vader,
advocaat mr. S.A. Wilman te Leeuwarden,

[de pleegouders] ,
wonende te [C] ,
verder te noemen: de pleegouders,

de gecertificeerde instelling Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,
kantoorhoudende te Leeuwarden,
verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 30 maart 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s) van de raad, ingekomen op 28 juni 2016;

- het verweerschrift zijdens de moeder, ingekomen op 15 augustus 2016;
- een brief met productie(s) van de GI van 27 oktober 2016.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 7 november 2016 plaatsgevonden. Verschenen zijn de heer [D] namens de raad, de advocaat van de moeder, de vader en zijn advocaat, de pleegouders en namens de GI de heer [E] (gezinsvoogdijwerker) en mr. [F] .

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van de thans nog minderjarige [de minderjarige] , geboren in de gemeente [G] [in]
2012 (verder te noemen: [de minderjarige] ).

3.2

De vader heeft [de minderjarige] op 10 april 2013 erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.3

De moeder heeft tijdens haar zwangerschap in een gastgezin verbleven en aansluitend van 1 februari 2013 tot 14 februari 2013 met [de minderjarige] op een zorgboerderij. Op 15 februari 2013 is de (voorlopige) ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] uitgesproken. [de minderjarige] is vervolgens in een pleeggezin geplaatst.

3.4

In de periode van 4 november 2013 tot 7 februari 2014 waren de moeder en [de minderjarige] opgenomen bij [H] in [I] voor een ouderschapsbeoordeling. Als uitkomst daarvan is het perspectief van [de minderjarige] elders bepaald. Sinds 6 juni 2014 verblijft [de minderjarige] in haar huidige perspectief biedend pleeggezin.

3.5

De maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] zijn laatstelijk verlengd tot 14 mei 2017.

3.6

Bij verzoekschrift van 4 november 2015 heeft de raad verzocht het gezag van de ouders over [de minderjarige] te beëindigen met benoeming van de GI tot voogd over [de minderjarige] . Ter onderbouwing is verwezen naar een bijgevoegd raadsrapport van gelijke datum.

3.7

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank voormeld verzoek van de raad afgewezen. Hiertegen richt zich het onderhavige hoger beroep van de raad.

4 De omvang van het geschil

4.1

De raad verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog het verzoek toe te wijzen door het gezag van de ouders te beëindigen. De GI heeft zich ter zitting van het hof achter het standpunt en verzoek van de raad geschaard.

4.2

De moeder heeft een verweerschrift ingediend en verzoekt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De vader heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd en verzoekt eveneens de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling staat het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de ouders over [de minderjarige] .

5.2

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, voor zover hier van belang, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.3

Bij een beslissing als de onderhavige dient het belang van het kind voorop te staan, mede gelet op artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). In het hiervóór aangehaalde criterium voor gezagsbeëindiging is door de wetgever reeds een zekere invulling gegeven aan het belang van het kind in die zin dat voorwaarde voor gezagsbeëindiging is - vrij vertaald - dat er geen perspectief is op terugkeer van het kind naar de ouders zonder ondertoezichtstelling. Het voormelde wettelijk criterium is in dit verband tweeledig. Ten eerste dient sprake te zijn van een situatie waarin de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en ten tweede dient met een zekere mate van waarschijnlijkheid komen vast te staan dat de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.4

Alle betrokkenen zijn het er over eens dat terugkeer van [de minderjarige] naar de ouder(s) op dit moment niet tot de mogelijkheden behoort gelet op hun persoonlijke situatie. Dat de aan de ondertoezichtstelling ten grondslag gelegen ontwikkelingsbedreiging nog bestaat, staat op zichzelf ook niet ter discussie. Dat de ontwikkelingsbedreiging zich nauwelijks of niet meer in het pleegezin voordoet, maakt het bovenstaande niet anders. Het gaat niet om de ontwikkelingsbedreiging in het pleeggezin, maar in het gezin van de ouder.

5.5

De hier bedoelde grond voor gezagsbeëindiging is voorts afgestemd op de grond voor gezagsbeperking in artikel 1:255 lid 1 BW (ondertoezichtstelling) in die zin dat een verlenging van de ondertoezichtstelling (met de uithuisplaatsing) slechts dan gerechtvaardigd is indien de verwachting bestaat dat de ouder binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige weer te dragen. Wanneer duidelijk is dat de ouder daartoe niet in staat zal zijn, kan de rechter het gezag van de ouder beëindigen. Volgens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2008/2009, 32 015, nr. 3, p. 9) zal het naarmate de als tijdelijk bedoelde maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing langer duren, steeds lastiger worden te motiveren waarom de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouder binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (weer) kan dragen. Het laten voortduren van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zonder perspectief op terugplaatsing bij de ouder, verdraagt zich daarmee dus in beginsel niet.

5.6

Volgens de Memorie van Toelichting (p. 34) is voor het bepalen van wat voor een kind een aanvaardbare termijn is, ijkpunt de periode van onzekerheid die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling, over de vraag in welk gezin hij verder zal opgroeien. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Factoren die volgens de wetgever van belang zijn bij de afweging of een gezagsbeëindigende maatregel is aangewezen indien een minderjarige in een pleeggezin is geplaatst, zijn onder meer:

a. het kind moet zich indien mogelijk volledig en harmonieus in het pleeggezin kunnen ontwikkelen. Met het oog hierop, in het bijzonder wanneer het op zeer jeugdige leeftijd in een perspectiefbiedend pleeggezin is geplaatst, dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind;

b. als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarbij in beginsel geen juiste maatregel;

c. in die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend;

d. de enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de

uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van het

verzoek tot beëindiging van het gezag.

5.7

Naar het oordeel van het hof is gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende komen vast te staan dat er geen perspectief is op terugkeer van [de minderjarige] naar de ouders, mede omdat [de minderjarige] vanwege haar moeilijke start in haar jonge leven bijzondere opvoedingsbehoeften heeft. Die bijzondere opvoedingsbehoeften vergen van haar opvoeders meer dan gemiddelde opvoedvaardigheden. De pleegouders blijken goed in staat te zijn om aan die bijzondere opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] tegemoet te komen. Zij is zich aan het hechten in het pleeggezin en gebleken is dat het daar goed gaat. Zo heeft zij bijvoorbeeld inmiddels haar spraakachterstand ingehaald tot een bij haar leeftijd passend niveau.

5.8

Het hof is met de raad van oordeel dat de ‘aanvaardbare termijn’ is verstreken en een verstoring van de hechting met de pleegouders en de positieve ontwikkeling van [de minderjarige] , moet worden vermeden. De maatregel van gezagsbeëindiging maakt een eind aan de onzekerheid omtrent de verblijfssituatie van [de minderjarige] , mede omdat hiermee de jaarlijkse verlengingen van de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing niet meer nodig zijn. Daarnaast blijkt uit de toelichtingen van de gezinsvoogd en de pleegouders ter zitting, dat moeder onrust teweeg brengt bij [de minderjarige] , bijvoorbeeld door zich niet te houden aan de voorwaarden bij de omgangsregeling zoals het meenemen van haar nieuwe partner, het aangaan van confrontaties met pleegouders en een enkele keer het niet komen opdagen bij een gepland bezoek. Ook is de samenwerking tussen de moeder enerzijds en de gezinsvoogdijwerker en pleegzorg anderzijds bij tijd en wijlen moeizaam.

5.9

Het hof realiseert zich dat de vader hierin een bijzondere positie inneemt. Voor de vader geldt niet, dan wel in beduidend mindere mate, dat hij voor onzekerheid zorgt bij [de minderjarige] . De samenwerking tussen de vader en betrokken personen en instanties verloopt goed. Het hof is desondanks van oordeel dat ook voor de vader geldt dat aan de hier bedoelde voorwaarde is voldaan, gelet op de ontwikkeling en hechting van [de minderjarige] in het pleeggezin en het ontbreken van perspectief op een plaatsing van [de minderjarige] bij de vader. Vanwege het tijdelijke karakter van de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing ligt ook voor de vader in de gegeven omstandigheden gezagsbeëindiging in de rede. Het belang van [de minderjarige] bij zekerheid en continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces weegt naar het oordeel van het hof zwaarder dan het belang van de vader bij behoud van het gezag. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat de hiervoor genoemde aanvaardbare termijn ziet op de situatie (en het belang) van het kind. Gelet daarop is het hof het niet eens met de stelling van mr. Wilman dat, omdat de mogelijkheden van terugkeer van [de minderjarige] naar de vader nooit zijn onderzocht, voor vader de aanvaardbare termijn nog niet is gaan lopen.

5.10

De gezagsbeëindiging vormt weliswaar een inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde gezinsleven en/of privéleven tussen [de minderjarige] en haar ouders, maar is in het belang van de gezondheid van [de minderjarige] c.q. haar ontwikkelingsbelang gerechtvaardigd. Het recht van [de minderjarige] op een ongestoorde hechting en beëindiging van de onzekerheid omtrent haar toekomstperspectief vloeit tevens voort uit artikel 3 en artikel 20 van het IVRK.

5.11

Het hof vindt het belangrijk nog op te merken dat deze beslissing niets verandert aan het feit dat de vader en de moeder altijd de vader en de moeder van [de minderjarige] zullen blijven. Voor het hof is het duidelijk dat vader en moeder veel van [de minderjarige] houden. Zij zullen in het belang van [de minderjarige] echter hun rol van ouder op afstand moeten accepteren en zo goed mogelijk daar invulling aan dienen te geven.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 maart 2016 waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

beëindigt het gezag van de ouders over de minderjarige [de minderjarige] voornoemd;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, G. Jonkman en H. Lenters, bijgestaan door mr. A.T. Harkema als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op
29 november 2016 in bijzijn van de griffier.