Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9617

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
14/00643 tm 14/00655 14/00657 14/00659 14/00661 t/m 14/00669 14/00753
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:5272, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Navordering. KB-Lux-rekening. Verschillende formeelrechtelijke klachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2736
V-N 2017/11.18.7
FutD 2016-3044
NTFR 2017/282 met annotatie van mr. R.W.J. Kerckhoffs
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 14/00643 tot en met 14/00655, 14/00657, 14/00659, 14/00661 tot en met 14/00669 en 14/00753

uitspraakdatum: 29 november 2016

nummer /

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 12 juni 2014, nummers AWB 13/4744 en AWB 13/4880 tot en met 13/4906, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn opgelegd

  • -

    navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen voor de jaren 1990 tot en met 2000, waarbij de belasting voor de jaren 1990 tot en met 1997 tevens met 100% is verhoogd;

  • -

    navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1991 tot en met 2000;

  • -

    aanslagen in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen voor de jaren 2001 tot en met 2007.

Voorts zijn aan belanghebbende in verband met de hiervoor vermelde belastingaanslagen bij beschikkingen vanaf het jaar 1998 vergrijpboeten opgelegd en is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht. De verhogingen en vergrijpboeten worden hierna tezamen aangeduid als boeten.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen, de boeten en de heffingsrentebeschikkingen. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen.

1.4.

Belanghebbende heeft de beroepen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) inzake de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen voor de jaren 2002, 2004 en 2006 en de daarmee verband houdende boeten en heffingsrentebeschikkingen, ingetrokken.

1.5.

De Rechtbank heeft de beroepen inzake de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen voor de jaren 1990 en 1991 en de vermogensbelasting voor het jaar 1991 en de daarmee verband houdende boeten en heffingsrentebeschikkingen gegrond verklaard en de desbetreffende navorderingsaanslagen, boeten en heffingsrentebeschikkingen vernietigd. Voorts heeft de Rechtbank de beroepen inzake de boeten in verband met de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen voor de jaren 1996 tot en met 2001, 2003, 2005 en 2007 en in verband met de vermogensbelasting voor de jaren 1996 tot en met 2000 gegrond verklaard en de desbetreffende boetebeschikkingen vernietigd.

1.6.

De Rechtbank heeft de overige beroepen ongegrond verklaard.

1.7.

Het hogerberoepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 18 juli 2014 ter griffie ingekomen. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het hoger beroep geen betrekking heeft op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1990 en 1991 en op de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991, welke door de Rechtbank zijn vernietigd.

1.8.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015 te Arnhem. Namens belanghebbende is daar verschenen drs. [A] . Namens de Inspecteur is verschenen [B] , bijgestaan door mr. [C] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.10.

Het Hof heeft het vooronderzoek heropend. De Inspecteur heeft nadere inlichtingen verstrekt bij brieven van 9 december 2015, 27 januari 2016 en 21 maart 2016. Belanghebbende heeft nadere inlichtingen verstrekt bij brieven van 12 januari 2016 en 8 maart 2016. Partijen hebben toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De Inspecteur heeft aan de hand van de bij brief van 27 oktober 2000 van de Belgische Bijzondere belastinginspectie verkregen informatie vastgesteld dat belanghebbende rekeninghouder is geweest van de rekeningen [00000] , saldo op 31 januari 1994 f 5.593,19 en [00001] , saldo op 31 januari 1994 f 46.927,07 bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux). De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 11 juni 2002 gevraagd om informatie over haar buitenlandse bankrekeningen.

2.2.

De Inspecteur heeft met (de gemachtigde van) belanghebbende gecorrespondeerd en in persoon en telefonisch gesproken. Omdat belanghebbende bleef ontkennen gerechtigd te zijn geweest tot buitenlandse bankrekeningen, heeft de Inspecteur met dagtekening 31 december 2002 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1990 en vermogensbelasting 1991 opgelegd.

2.3.

Ter zitting van de Rechtbank van 9 april 2014 heeft belanghebbende als bijlage bij haar pleitnota een brief met dagtekening 7 maart 2008 van KB-Lux overgelegd. In deze brief staat onder meer:

‘ Naar aanleiding van uw verzoek bevestigen wij u hierbij dat de rekening onder stamnummer – [00000 en 00001] – in onze boeken werd geopend op datum van 23/02/1989 en werd geschrapt op datum van 31/08/1995.’

2.4.

Met dagtekening 31 mei 2014 heeft belanghebbende aan de Inspecteur onder meer geschreven:

‘ Sorry dat dit zo lang geduurd heeft maar ben druk bezig geweest bewijsmateriaal op te sporen van o.a. behandeling gokverslaving in [D] -kliniek (paar maal) en doorverwezen naar andere kliniek in [E] .

Helaas heeft mijn zoon niets kunnen vinden en bij zijn verhuizing weggedaan., omdat hij aan die nare tijd niet meer herinnerd wilde worden.

Na overlijden van mijn man (1991) is hij na een paar jaar via computer gaan gokken en natuurlijk veel geld verloren zonder dat ik daarvan op de hoogte was. Hij was toen ong. 19 jaar. Toen hij uiteindelijk niet meer om de ellende heen kon en alles opbiechtte, zat hij met een schuld van Hfl. 20.000,. U zult vast begrijpen dat hij door de bomen het bos niet meer zag, en ik ook niet.

Heb hem toen uit de puree gehaald en zijn schulden betaald van (Luxemburg geld) (met de eis dat hij prof. hulp moest zoeken want ik kon hem daarbij niet helpen. Hij heeft dat ook gedaan ong. een half jaar ieder week naar [E] en later om de 3 mnd. Moest hij terugkomen en gelukkig is alles tot op heden goed gekomen en is het daarbij gebleven, wel Hfl. 20.000, armer. Eerlijk gezegd weet ik niet exact meer dat schuldbedrag kan ook meer zijn dan wel minder maar weet wel zeker dat het rondom de 20.000 gulden was.

Het 2e grote bedrag in die tijd was een nieuw dak op mijn oude huis ( [a-straat] 10) en eveneens de garage. Heb daar geen rekeningen meer van helaas.

Verder ben ik na al die ellende grote reizen gaan maken (India, China, Thailand). Heb daar fotoalbums van + tickets, rekeningen, inentings-boekje enz. enz. zodat ik kan bewijzen dat ik daar geweest ben.’

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen, de boeten en de heffingsrentebeschikkingen terecht zijn opgelegd.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van alle navorderingsaanslagen, boeten en heffingsrentebeschikkingen. De Inspecteur concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en subsidiair tot vernietiging van de boeten en vermindering van de navorderingsaanslagen en de heffingsrentebeschikkingen.

4 Beoordeling van het geschil

Onrechtmatig verkregen bewijs

4.1.

Belanghebbende stelt dat de door de Inspecteur gebruikte bewijzen onrechtmatig zijn verkregen en dat deze daarom niet ten grondslag mogen worden gelegd aan belastingaanslagen en al helemaal niet aan boeten. Belanghebbende verzoekt het Hof in dit verband prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.

4.2.

Naar het oordeel van het Hof is er geen enkele aanwijzing dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van de microfiches. Ook anderszins bestonden voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld. Indien al kan worden aangenomen dat de microfiches op strafrechtelijk onrechtmatige wijze zijn verkregen, dan nog is het Hof van oordeel dat de gegevens door de Nederlandse fiscus niet zijn verkregen op een wijze die zozeer indruiste tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht (HR 21 maart 2008, nr. 43.050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, r.o. 3.4.1, en HR 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643). De omstandigheid dat het bewijsmateriaal door diefstal of verduistering, gepleegd door particulieren, is verkregen, staat niet in de weg aan het gebruik van dat bewijsmateriaal in een belastingzaak of een bestuurlijkeboetezaak (vergelijk HR (strafkamer) 14 november 2006, nr. 02324/05, ECLI:NL:HR:2006:AX7471). Het Hof ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

Sluitingsverklaring

4.3.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur haar onder druk heeft gezet om inlichtingen te geven en dat de aldus gegeven informatie, in casu de sluitingsverklaring, als wilsafhankelijke informatie niet mag worden gebruikt. Nu in deze zaak geen boeten meer aan de orde zijn, staat die gestelde omstandigheid, wat daar verder ook van zij, niet eraan in de weg deze sluitingsverklaring als bewijsmiddel te hanteren.

Voortvarendheid

4.4.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld en dat daarom de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd. In dit verband wijst zij erop dat zij zeer eenvoudig was te identificeren als rekeninghouder. De Belastingdienst heeft de fiches op 27 oktober 2000 ontvangen en belanghebbende pas op 11 juni 2002 een vragenbrief gezonden. Vervolgens zijn de navorderingsaanslagen pas op 31 december 2002 en op 31 mei 2003 opgelegd. Als dit al niet tot vernietiging van de belastingaanslagen leidt, dient het volgens belanghebbende te leiden tot vermindering van de heffingsrente.

4.5.

Het Hof oordeelt als volgt. In een geval als het onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, moet de Belastingdienst over voldoende tijd kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. In gevallen als het onderhavige kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het openbaar ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn. De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is (HR 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689). De vereiste voortvarendheid is in ieder geval niet betracht indien bij de hiervoor vermelde werkzaamheden een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717).

4.6.

De Inspecteur is van mening dat hij voldoende voortvarend heeft gehandeld en verwijst daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689. De in dat arrest beoordeelde samenstel van handelingen heeft zich bij belanghebbende ook voorgedaan, volgens de Inspecteur.

4.7.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur voldoende onderbouwd gesteld dat hij voldoende voortvarend heeft gehandeld en heeft belanghebbende daartegen onvoldoende aangedragen, dat in het onderhavige geval een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden.

Omkering en verzwaring bewijslast

4.8.

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard.

4.9.

De enkele omstandigheid dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht is geen reden voor omkering en verzwaring van de bewijslast, nu de Inspecteur geen informatiebeschikking heeft genomen en de uitspraak op bezwaar is gedaan na 1 juli 2011 (HR 2 oktober 2015, nr. 14/02335, ECLI:NL:HR:2015:2795, en nr. 14/02811, ECLI:NL:HR:2015:2903).

4.10.

De Inspecteur heeft zich bij brief van 27 januari 2016 nader op het standpunt gesteld dat de bewijslast moet worden omgekeerd omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Voor de inkomstenbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting (HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

4.11.

De Inspecteur stelt dat belanghebbende in de onderhavige jaren inkomsten heeft genoten uit het vermogen dat op 31 januari 1994 stond op de bedoelde rekening bij de KB-Lux. De Inspecteur stelt (bijlage 3 bij zijn brief van 9 december 2015) dat belanghebbende uit het vermogen de volgende inkomsten heeft genoten (alles in Nederlandse guldens).

jaar

rente

hoofdsom

1 januari

rente op

hoofdsom

rente herbelegging

totale rente

1990

8,38%

37.211

3.118

3.118

1991

9,14%

40.330

3.686

3.686

1992

9,48%

44.016

4.173

4.173

1993

7,91%

48.188

3.812

3.812

1994

5,39%

52.000

2.803

2.803

1995

7,42%

54.803

4.066

4.066

1996

5,79%

54.803

4.066

235

4.302

1997

5,29%

54.803

4.066

235+228

4.529

1998

5,22%

54.803

4.066

235+228+236

4.766

1999

3,89%

54.803

4.066

235+228+236+185

4.951

2000

5,7%

54.803

4.066

235+228+236+185+282

5.233

Hij heeft dat berekend door uit te gaan van het op het microfiche vermelde tegoed van f 52.520 per 31 januari 1994 en dat af te ronden tot een hoofdsom van f 52.000 per 1 januari 1994. Over de jaren tot en met 1994 is hij uitgegaan van de 12-maandsrente en over de jaren vanaf 1995 van de Nederlandse obligatierente. Voorts heeft hij aangenomen dat tot en met 1995 de genoten rente bij de hoofdsom is gevoegd en dat vanaf 1996 de genoten rente is herbelegd tegen een rendement gelijk aan de rentestand ten tijde van het genieten van de rente. Belanghebbende betwist dat zij de aldus berekende rente heeft genoten.

Verder schrijft de Inspecteur in die bijlage:

‘ Conclusie ontvangen rente:

Rente 1992: fl 4.173

Rente 1993: fl 3.812

Rente 1994: fl 2.803

Rente 1995: fl 2.710 (8 maanden)’

4.12.

In deze procedure zijn (navorderings)aanslagen voor de jaren vanaf 1992 nog in geschil. Het Hof zal zijn oordeel dan ook daartoe beperken. De renseignementen vermelden dat op 31 januari 1994 op de rekening bij de KB-Lux een tegoed stond van f 52.520. Dat is geen aanzienlijk saldo (vgl. HR 27 september 2013, nr. 12/00721, ECLI:NL:HR:2013:713). Op zichzelf kan daaraan dan ook niet het vermoeden worden ontleend dat belanghebbende ook na 1994 nog over dit vermogen beschikte. Tezamen met de bijkomende omstandigheid dat vaststaat dat belanghebbende de rekening heeft aangehouden tot 31 augustus 1995, acht het Hof het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende in 1992 tot de sluiting van de rekening in 1995 de beschikking heeft gehad over dit vermogen en daaruit de door de Inspecteur berekende inkomsten heeft genoten.

4.13.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij dat vermoeden niet kan ontzenuwen, omdat zij niet beschikt over dagafschriften van die rekening. Voorts verwijst zij naar de hiervoor onder 2.4 aangehaalde verklaring. In de verklaring schrijft belanghebbende dat haar zoon een paar jaar na het overlijden van haar man in 1991 is gaan gokken, dat dat uiteindelijk heeft geleid tot een schuld van f 20.000 en dat zij ten langen leste die schuld heeft betaald. Deze verklaring is naar het oordeel van het Hof onvoldoende concreet om daaruit af te leiden dat die betaling heeft plaatsgevonden voor het sluiten van de rekening bij de KB-Lux in 1995. Van de overige uitgaven die in de verklaring zijn vermeld is niet vermeld wanneer deze hebben plaatsgevonden, maar het Hof begrijpt dat ook deze uitgaven zijn gedaan na de sluiting van de rekening bij de KB-Lux. Belanghebbende heeft daarmee naar het oordeel van het Hof niet het vermoeden ontzenuwd dat zij in de jaren 1992 tot en met 1995 de door de Inspecteur gestelde rente heeft genoten.

4.14.

Voor de periode na de sluiting van de rekening bij de KB-Lux op 31 augustus 1995 zijn er geen bijkomende omstandigheden die bijdragen aan het vermoeden dat belanghebbende niet in haar belastingaangiften vermelde inkomsten uit niet vermeld vermogen heeft genoten. De enkele omstandigheid dat belanghebbende op 31 januari 1994 een tegoed bij de KB-Lux had van f 52.520 is daarvoor onvoldoende. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende na die datum nog niet in haar aangiften vermelde inkomsten heeft genoten.

Hoogte belastbaar inkomen

4.15.

In Bijlage 4 bij zijn brief van 9 december 2015 berekent de Inspecteur het belastbare inkomen van belanghebbende voor de jaren 1992 tot en met 1994 als volgt (in guldens).

1992

1993

1994

vastgesteld inkomen

50.568

51.004

49.504

genoten rente

4.173

3.812

2.803

rentevrijstelling

1.000

1.000

1.000

3.173

2.812

1.803

gecorrigeerd inkomen

53.741

53.816

51.307

Voor het jaar 1995 gaat de Inspecteur – zo begrijpt het Hof – ervan uit dat belanghebbende tot de sluiting van de rekening bij KB-Lux f 2.710 rente heeft genoten. Als ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende nadien geen verzwegen rente-inkomsten heeft genoten, wordt het belastbare inkomen over 1995 als volgt berekend (in guldens):

1995

vastgesteld inkomen

48.893

genoten rente

2.710

rentevrijstelling

1.000

1.710

gecorrigeerd inkomen

50.603

4.16.

Belanghebbende voert tegen deze berekening het volgende aan. De Inspecteur beschikt niet over de aangifte voor het jaar 1994, dus staat niet vast dat de opbrengsten van de KB-Luxrekening niet zijn aangegeven. Voorts kan niet worden nagegaan of belanghebbende al gebruik heeft gemaakt van de rentevrijstelling. De Inspecteur wijst erop dat in de wel beschikbare aangiften bij de vraag naar rente op buitenlandse tegoeden steeds nihil is ingevuld. Verder heeft belanghebbende tot april 2014 (zie 2.3) steeds ontkend houder van de betreffende buitenlandse rekening te zijn (geweest). Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende in haar aangifte voor het jaar 1994 geen inkomsten heeft opgenomen die zijn genoten op deze door haar voor de fiscus steeds geheim gehouden rekening. De Inspecteur heeft bij zijn berekeningen voor het jaar 1994 de volledige rentevrijstelling in aanmerking genomen, zodat belanghebbende geen nadeel ondervindt van de omstandigheid dat niet kan worden nagegaan of zij deze vrijstelling wellicht al geheel of gedeeltelijk heeft gebruikt.

4.17.

Belanghebbende wijst erop dat zij volgens de door de Inspecteur overgelegde aangifte in 1995 f 14 rente had ontvangen en f 63 aftrekbare rente had betaald. Zij stelt zich op het standpunt dat daarom de rentevrijstelling niet f 1.000, maar f 1.049 bedraagt. De opvatting van belanghebbende dat de rentevrijstelling zou worden verhoogd met het verschil tussen de genoten rente en de betaalde aftrekbare rente acht het Hof onjuist.

4.18.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een verhoging van de rentevrijstelling omdat belanghebbende twee minderjarige kinderen had. Het Hof verwerpt deze stelling, omdat de verhoging van de rentevrijstelling slechts geldt voor renten van schuldvorderingen van kinderen (artikel 47a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die bepaling destijds luidde) en belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de onderhavige jaren renten van dergelijke schuldvorderingen in haar belastbare inkomen waren opgenomen.

4.19.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur te hoge rentepercentages heeft gehanteerd. In de optiek van belanghebbende zou het niet meer dan 6% moeten zijn. De Inspecteur wijst erop te zijn uitgegaan van het rendement op staatsobligaties en stelt dat dat lager is dan het destijds bij KB-Lux te realiseren rendement. Het Hof acht aannemelijk dat op rekeningen als de onderhavige een vergoeding werd betaald van ten minste de door de Inspecteur gehanteerde percentages. Het Hof zal dan ook de berekeningen van de Inspecteur volgen.

4.20.

Op grond van het vorenoverwogene acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende de hiervoor onder 4.15 vermelde belastbare inkomens heeft genoten. Dat de belastbare inkomens van belanghebbende hoger waren, heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt. De op grond van de daar vermelde belastbare inkomens verschuldigde belasting is niet relatief en absoluut bezien aanzienlijk hoger dan voortvloeit uit de aangiften. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Er is daarom geen sprake van omkering van de bewijslast.

4.21.

Belanghebbende trekt daaruit de conclusie dat – nu niet gesteld kan worden dat de vereiste aangifte niet is gedaan – geen plaats is voor navordering. Het Hof is het met belanghebbende eens dat geen sprake is van omkering van de bewijslast, maar dat staat niet in de weg aan navordering van te weinig geheven belasting, als de Inspecteur aannemelijk maakt dat te weinig belasting is geheven.

4.22.

Nu geen sprake is van omkering van de bewijslast, moeten de navorderingsaanslagen worden verminderd overeenkomstig de door de Inspecteur aannemelijk gemaakte, onder 4.15 vermelde belastbare inkomens. De navorderingsaanslagen voor de jaren 1996 tot en met 2000 moeten worden vernietigd. De aanslagen voor de jaren 2001 tot en met 2007 moeten worden verminderd in overeenstemming met de gedane aangiften.

Vermogensbelasting

4.23.

De voor belanghebbende voor de vermogensbelasting geldende belastingvrije som was in de onderhavige jaren steeds hoger dan f 52.520. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat het vermogen van belanghebbende de voor haar geldende belastingvrije som te boven ging. Het Hof zal daarom de belastingaanslagen in de vermogensbelasting vernietigen.

4.24.

Belanghebbende wijst erop dat de onderhavige KBLux-rekening inmiddels is gesloten en zij stelt dat het destijds aanwezige tegoed bij de aanvang van het jaar 1997 al was verteerd. De over dat jaar en later jaren opgelegde belastingaanslagen moeten daarom worden vernietigd, aldus belanghebbende. Deze stelling kan verder onbesproken blijven, omdat het Hof hiervoor al op andere gronden heeft geoordeeld dat de bedoelde belastingaanslagen moeten worden vernietigd.

Heffingsrente

4.25.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft – buiten de onder 4.4 vermelde en in 4.7 reeds besproken grond – geen andere zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering en vernietiging van de in geding zijnde belastingaanslagen betreft.

Boete

4.26.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de opgelegde boeten. Het Hof zal de Inspecteur daarin volgen.

Vergoeding immateriële schade

4.27.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende ten aanzien van de belastingjaren tot en met 2004 toestemming heeft gegeven de behandeling van de bezwaarschriften aan te houden in afwachting van de proefprocedures over de KB-Lux-zaken en dat het redelijk was dat de Inspecteur ook de bezwaarschriften over de andere jaren heeft aangehouden. De Rechtbank heeft in verband daarmee de redelijke termijn van twee jaren verlengd met zeven jaren. Voorts heeft de Rechtbank in verband met de ingewikkeldheid van de zaak, de vele geschilpunten en de veelheid aan aanslagen de termijn verlengd met een jaar. De Rechtbank heeft derhalve een termijn van (2 + 7 + 1 =) 10 jaren redelijk geacht. Deze termijn is met bijna anderhalf jaar overschreden. De Rechtbank heeft daarom aan belanghebbende een vergoeding voor geleden immateriële schade toegekend van € 1.500.

4.28.

Belanghebbende betwist dat zij toestemming heeft gegeven het bezwaar voor het jaar 2005 aan te houden. Daarom heeft de Rechtbank de immateriëleschadevergoeding op een te laag bedrag berekend, aldus belanghebbende. De Inspecteur stelt, onder verwijzing naar de bijlagen A17, A25 en A28 en volgende bij het verweer in eerste aanleg, dat belanghebbende wel toestemming heeft gegeven voor het aanhouden van haar bezwaarschriften. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur in redelijkheid heeft kunnen besluiten de bezwaarschriften aan te houden in afwachting van de proefprocedures. Of belanghebbende voor het bezwaar betreffende het jaar 2005 die toestemming heeft gegeven, kan derhalve in het midden blijven.

4.29.

Belanghebbende stelt dat, nu Rechtbank en Hof haar beroepschrift hebben gesplitst in 27 zaken, voor elk van deze 27 zaken een schadevergoeding dient te worden vastgesteld.

4.30.

De omstandigheid dat de griffier van het Hof en de griffier van de Rechtbank aan de zaak om administratieve redenen 27 registratienummers hebben toegekend, maakt niet dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van 27 niet samenhangende zaken. Naar het oordeel van het Hof hangen alle hier aan de orde zijnde bezwaren en beroepen samen. De Rechtbank heeft daarom terecht slechts één vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld.

4.31.

Het Hof zal de door de rechtbank vastgestelde vergoeding voor immateriële schade van € 1.500 overnemen.

4.32.

Het hoger beroep is ingesteld op 18 juli 2014. Het Hof doet heden uitspraak op dat hoger beroep, zodat de termijn van twee jaar met enkele maanden is overschreden. Gelet op de ingewikkeldheid van de zaak is het Hof van oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden.

5 Proceskosten

De Rechtbank heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 2.190. Daartegen zijn geen grieven gericht en het Hof is ook niet gebleken dat deze vergoeding onjuist is vastgesteld. Het Hof zal daarom van deze vergoeding uitgaan.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 3 punten (beroepschrift, verschijnen ter zitting en twee maal nadere inlichtingen) × 1,5 × € 496, ofwel op € 2.232 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Niet gesteld of gebleken is dat andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt. De totale proceskostenvergoeding bedraagt daarmee (€ 2.190 + € 2.232 =) € 4.422.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen over de jaren 1990, 1991 en 1996 tot en met 2000;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen voor het jaar 1992 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 53.741;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen over het jaar 1993 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 53.816;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen over het jaar 1994 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 51.307;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen over het jaar 1995 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 50.603;

  • -

    vermindert de aanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen over het jaar 2001 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.697 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.471;

  • -

    vermindert de aanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen over het jaar 2003 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.444 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.041;

  • -

    vermindert de aanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen over het jaar 2005 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.789 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.984;

  • -

    vermindert de aanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen over het jaar 2007 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.215;

  • -

    vermindert dienovereenkomstig de in rekening gebrachte heffingsrente;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting en de daarmee verband houdende heffingsrentebeschikkingen;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende geleden schade tot een bedrag van € 1.500,

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 4.422; en

  • -

    gelast de Inspecteur het griffierecht ad (€ 132 + € 122) € 254 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, R.F.C. Spek en M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 29 november 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(S. Darwinkel)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 1 december 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.