Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9593

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
200.161.329/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest; gebreken tegelvloer; tekortkoming, klachtplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3614
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.161.329/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 571720 CV EXPL 13-250)

arrest van 29 november 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. N. Hollander, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. N. Versteeg, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 16 mei 2013, 18 juli 2013 en 28 augustus 2014 die de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 oktober 2014 ,

- de memorie van grieven met productie,

- de memorie van antwoord met producties.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep, verkort weergegeven:

“1. (…)te vernietigen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, afdeling Privaatrecht van 16 mei 2013 (…), alsmede (…) te vernietigen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, afdeling Privaatrecht van 18 juli 2013 (…), alsmede (…) te vernietigen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, afdeling Privaatrecht van 28 augustus 2014 (…), en, opnieuw rechtdoende, doende wat de rechtbank in eerste aanleg, had behoren te doen, alsnog bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerde - destijds eiseres - alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze vorderingen te ontzeggen, alsmede om geïntimeerde te veroordelen om al hetgeen appellant ter uitvoering van de bestreden vonnissen al aan geïntimeerde heeft voldaan aan appellant terug te betalen,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling tot aan de dag van terugbetaling;

2. Geïntimeerde zal worden veroordeel in de kosten van het geding in beide instanties, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.”

3 De vaststaande feiten

3.1.

De kantonrechter heeft in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.6 van het (bestreden) vonnis van 16 mei 2013 feiten vastgesteld. Met de grieven II en III heeft [appellant] tegen die vaststelling bezwaren geuit. Grief II richt zich tegen rov. 1.1 in het vonnis van 16 mei 2013, waarin de kantonrechter heeft vastgesteld dat [appellant] “tegen betaling” werkzaamheden voor [geïntimeerde] zou verrichten. Voor zover de grief ziet op de feitelijke vaststelling dat werkzaamheden tegen betaling hebben plaatsgevonden is zij vergeefs voorgesteld, omdat de werkzaamheden in feitelijke zin tegen betaling hebben plaatsgevonden. [appellant] heeft immers een vergoeding ontvangen van [geïntimeerde] voor de door hem verrichte werkzaamheden. Met betrekking tot de overige aspecten van deze grief verwijst het hof naar hetgeen hierna in rov. 5.2 en 5.3 zal worden overwogen. Met grief III – ten aanzien van het aantal tegels en de data waarop die zijn vervangen – heeft het hof in rov. 3.5 rekening gehouden. Met inachtneming van het voorgaande gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2

Partijen zijn begin september 2011 mondeling overeengekomen dat [appellant] tegen betaling werkzaamheden zou verrichten in de - op dat moment nog in aanbouw zijnde -

nieuwbouwwoning van [geïntimeerde] aan de [a-straat] 25 te [A] . Afgesproken is dat [appellant]

een tegelvloer in de woning zou leggen en enkele muren zou stuken.

3.3

De woning is op 21 oktober 2011 aan [geïntimeerde] opgeleverd. Drie dagen later is [appellant]

begonnen met het stukwerk. [appellant] is op (maandag) 7 november 2011 begonnen met

het leggen van de tegelvloer. Op (donderdag) 10 november 2011 heeft hij de laatste

tegel gelegd en op (vrijdag) 11 november 2011 heeft hij de tegels ingevoegd.

3.4

[geïntimeerde] is op (zaterdag) 12 november 2011 naar deze woning verhuisd.

3.5

[appellant] heeft in december 2011 (over de precieze datum zijn partijen het niet eens) tenminste 2 en mogelijk 4 tegels van de vloer vervangen. Daarna is tussen partijen discussie ontstaan over de kwaliteit van het door [appellant] geleverde werk voor wat betreft de tegelvloer.

3.6

[geïntimeerde] heeft [appellant] bij brief van 13 april 2012 aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade aan de tegelvloer en hem 2 weken de tijd gegund om de vloer te

herstellen. [appellant] heeft zijn aansprakelijkheid bij brief van 18 april 2012 van de hand

gewezen en is niet tot herstel overgegaan.

3.7

Met betrekking tot de tegelvloer heeft Dekra Experts (hierna : Dekra) in opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar van [geïntimeerde] op 5 juli 2012 een expertiserapport opgesteld. EMN expertise (hierna EMN) heeft op 17 oktober 2012 in opdracht van de (aansprakelijkheids)verzekeraar van [appellant] een rapport opgesteld.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, na vermeerdering van eis, kort samengevat gevorderd de veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 14.273,36, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 april 2012 en tot veroordeling van [appellant] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.

4.2.

De kantonrechter heeft, na het tussenvonnis van 18 juli 2013 waarbij een deskundigenbericht is gelast, bij vonnis van 28 augustus 2014 de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, aldus dat [appellant] is veroordeeld het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag aan haar te voldoen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van in totaal € 2.162,82.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Met grief I stelt [appellant] aan de orde dat [geïntimeerde] een niet bestaande persoon zou zijn, omdat [appellant] slechts heeft gehandeld met [B] . De grief faalt omdat die miskent dat [B] de meisjesnaam van [geïntimeerde] is, die de naam van haar echtgenoot heeft aangenomen.

5.2

Grief II richt zich - naast hetgeen in rov. 3.1 aan de orde is geweest - tegen rov. 1.1 in het vonnis van 16 mei 2013, waarin de kantonrechter heeft vastgesteld dat [appellant] “tegen betaling” werkzaamheden voor [geïntimeerde] zou verrichten. Ter toelichting op deze grief heeft [appellant] gesteld dat er geen sprake is van een overeenkomst van aanneming van werk omdat hij feitelijk gezien geen tegenprestatie heeft ontvangen. Volgens [appellant] kan [geïntimeerde] hem daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aansprakelijk stellen voor schade die een gevolg is van bij wege van vriendendienst verrichte werkzaamheden.

5.3

Het staat niet ter discussie dat [appellant] in opdracht van [geïntimeerde] een tegelvloer heeft aangelegd in de woning van [geïntimeerde] (en daarnaast stucwerk heeft verricht), waarbij is overeengekomen dat de korting die [appellant] kon bedingen bij de leverancier van de door [geïntimeerde] gekochte materialen aan [appellant] ten goede zou komen en ook daadwerkelijk is gekomen. Dat blijkt overigens ook uit het rapport door EMN dat van de zijde van [appellant] is opgesteld. Daarmee is voldaan aan de definitie van een overeenkomst van aanneming van werk zoals die is verwoord in artikel 7:750 BW, nu [geïntimeerde] een prijs in geld met [appellant] is overeengekomen en het aanbrengen van een tegelvloer als het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard in de zin van die bepaling kan worden beschouwd. Het feit dat [appellant] de door hem ontvangen korting ten bedrage van naar zijn zeggen € 700,00 – volgens [geïntimeerde] was het overigens een hoger bedrag, welk hoger bedrag ook volgt uit het rapport van EMN - heeft gebruikt om gereedschappen aan te schaffen en reiskosten te voldoen, doet daaraan niet af. De besteding van de door [appellant] bedongen vergoeding voor zijn werkzaamheden is niet relevant voor de totstandkoming en de kwalificatie van de overeenkomst.

5.4

Het feit dat tussen partijen een overeenkomst (van aanneming van werk) is gesloten, ook al zou daarbij het motief van een vriendendienst een rol spelen, brengt mee dat op [appellant] uit dien hoofde de verbintenis is komen te rusten de overeenkomst naar behoren na te komen en dat hij jegens [geïntimeerde] aansprakelijk is voor schade als gevolg van een tekortkoming in de nakoming, indien daarvan sprake zou zijn. Of het aspect van de vriendendienst in ander opzicht van belang is, komt hierna in rov. 5.19 aan de orde. Eerst dient echter te worden beoordeeld of de aanspraken van [geïntimeerde] zijn komen te vervallen omdat zij niet aan de klachtplicht (artikel 6:89 BW) zou hebben voldaan, zoals [appellant] in grief V heeft betoogd. Dit betoog van [appellant] is door de kantonrechter in rov. 5 van het vonnis van 16 mei 2013 verworpen.

5.5

Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] eerst in januari 2012 geklaagd over een gebrek in de prestatie en dat is volgens [appellant] niet binnen bekwame tijd als bedoel in artikel 6:89 BW, omdat hem daardoor de mogelijkheid is ontnomen te bewijzen dat de oorzaak van het gebrek te wijten was aan het te vroeg en te hoog opstoken door [geïntimeerde] van de vloerverwarming.

5.6

Het hof stelt voorop dat artikel 6:89 BW er toe strekt de schuldenaar die een prestatie heeft verricht te behoeden voor late en (daardoor) moeilijk te betwisten klachten. Of de schuldeiser heeft voldaan aan het in dit artikel neergelegde voorschrift dat hij binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of na een redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek redelijkerwijze had kunnen ontdekken, heeft geprotesteerd over een gebrek in de prestatie is niet in algemene zin te beantwoorden. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en van het gestelde gebrek. Daarbij is ook van belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het (late) tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In aanmerking dient daarbij te worden genomen enerzijds het ingrijpende rechtsgevolg aan de zijde van de schuldeiser indien hij niet tijdig heeft geprotesteerd - verval van al zijn rechtsvorderingen en verweren die zijn gegrond op het gebrek in de prestatie - en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad, bijvoorbeeld een benadeling in zijn bewijspositie of aantasting in zijn mogelijkheden de gevolgen van zijn tekortkoming te beperken. Een vaste termijn waarbinnen moet worden geprotesteerd kan daarbij niet worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt.

5.7

Volgens [geïntimeerde] heeft zij al binnen een week na het afronden van de werkzaamheden op 11 november 2011 aan [appellant] aangegeven dat zij niet tevreden was met het resultaat, omdat tegels ongelijk lagen. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] pas in januari 2012 - een specifieke datum heeft [appellant] niet genoemd - geklaagd. Tussen partijen is derhalve in geschil wanneer door [geïntimeerde] is geklaagd over de kwaliteit van het door [appellant] verrichte werk, doch het kan in het midden blijven – zoals ook terecht door de kantonrechter is overwogen - wanneer dat precies is geweest. Uitgaande van het door [appellant] gestelde moment van protesteren lag het op de weg van [appellant] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen wanneer [geïntimeerde] de gebreken heeft ontdekt of had kunnen ontdekken en dat het tijdsverloop vanaf dat moment tot aan het moment van klagen zo lang is geweest dat niet meer kan worden gesproken van protesteren binnen bekwame tijd in het licht van de hiervoor in rov.5.6 weergegeven maatstaven. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat hij bij eerder klagen de vloerverwarming als oorzaak van de gebreken had kunnen aanwijzen is daartoe niet toereikend. Die gestelde oorzaak is ook onderwerp van het deskundigenonderzoek geweest en enige concrete benadeling in de belangen van [appellant] is dan ook onvoldoende door hem aangewezen. Bovendien heeft [appellant] , zo blijkt uit zijn eigen stellingen, kort voor kerst 2011 in verband met een verzoek van [geïntimeerde] om stucwerk te herstellen, zelf al gezien dat tegels ongelijk lagen en heeft hij dus toen, ook nog (uitgaande van zijn eigen stellingen over het tijdstip van de klacht) voorafgaand aan een klacht van [geïntimeerde] daarover, het nadien gemelde gebrek waargenomen. De grief faalt.

5.8

De overige grieven strekken er verder toe opnieuw te beoordelen of [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst met [geïntimeerde] en of hij, indien dat het geval is, aansprakelijk is voor de daardoor door [geïntimeerde] geleden schade van de door haar gestelde omvang. Die grieven lenen zich aldus voor gezamenlijke beoordeling.

5.9

Het hof stelt voorop dat op [geïntimeerde] overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast en de (aan eventuele bewijslevering voorafgaande) stelplicht rust van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat sprake is van gebreken en dat deze een gevolg zijn van een tekortkoming van [appellant] . Het is derhalve niet aan [appellant] om feiten en omstandigheden te stellen en te bewijzen dat de gebreken een gevolg zijn van gedragingen aan de zijde van [geïntimeerde] . Dat zou immers betekenen dat hij de bewijslast zou dragen van feiten en omstandigheden die hij als verweer aanvoert tegen (de grondslag van) de vorderingen van [geïntimeerde] .

5.10

[appellant] heeft de door [geïntimeerde] gestelde gebreken aan de vloer - ongelijk en losliggende tegels, hol klinkende tegels - als zodanig niet weersproken. Tegen de overweging van de kantonrechter in rov. 6 van het vonnis van 16 mei 2013 “dat partijen het erover eens zijn dat de tegelvloer zoals die er nu uitziet de toets der kritiek niet kan doorstaan doordat sommige tegels los-en/of ongelijk liggen” heeft hij weliswaar in grief VI bezwaar gemaakt, maar blijkens de toelichting daarop ziet die grief enkel op de noodzaak om de gehele vloer te vervangen en niet op de gebreken als zodanig. Wel heeft [appellant] betwist dat deze gebreken zijn terug te voeren op een tekortkoming zijnerzijds in de nakoming van de overeenkomst. Volgens [appellant] zijn de oorzaken van de gebreken gelegen in het feit dat [geïntimeerde] te snel na het leggen ervan de vloer is gaan belasten en te snel na het leggen de vloerverwarming te hoog heeft gestookt.

5.11

Ten aanzien van de vraag naar de oorzaak van de gebreken heeft een deskundigenbericht plaatsgevonden, ten aanzien waarvan [appellant] bezwaren heeft opgeworpen. Het bezwaar dat de kantonrechter geen deskundigenbericht had moeten gelasten vanwege tijdsverloop tussen het aanleggen van de tegelvloer in november 2011 en het tussenvonnis van 18 juli 2013, nu door dat tijdsverloop de oorzaak van gebreken aan de vloer niet meer kon worden vastgesteld, treft geen doel. Het is een discretionaire bevoegdheid van de rechter om in gevallen waarin hem dat geraden voorkomt een deskundigenbericht te gelasten en het bedoelde tijdverloop - dat overigens een rol zou kunnen spelen in de gevraagde deskundige beoordeling - behoefde de kantonrechter daarvan niet te weerhouden. De inschatting of het tijdsverloop een belemmering vormde om de oorzaak van de gebreken te kunnen vaststellen, vergt bovendien specialistische kennis met het oog waarop nu juist deskundigen worden ingeschakeld. Het is aan de deskundigen om te beoordelen of ondanks het tijdsverloop de oorzaak van de gebreken kan worden vastgesteld.

5.12

Ten aanzien van het deskundigenbericht heeft [appellant] verder gesteld dat dit buiten beschouwing moet blijven en dat het volledig onbruikbaar is. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat [geïntimeerde] zich heeft verzet tegen de aanwezigheid van [appellant] bij het onderzoek dat de deskundigen in de woning van [geïntimeerde] hebben verricht. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] de deskundigen dusdoende kunnen voorzien van onjuiste informatie zonder de mogelijkheid van bijsturing door [appellant] . Zou [appellant] bij het onderzoek aanwezig zijn geweest dan waren de bevindingen van de deskundigen anders geweest. De deskundigen en [geïntimeerde] hebben in strijd heeft gehandeld met het essentiële beginsel van hoor en wederhoor en de kantonrechter had om die reden het rapport van de deskundigen niet voor de beslissing mogen gebruiken en de vorderingen van [geïntimeerde] bij gebrek aan bewijs moeten afwijzen.

5.13

Het hof stelt voorop dat - uit een oogpunt van toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor - in artikel 198 lid 2 Rv is bepaald dat de deskundigen bij hun onderzoek partijen in de gelegenheid dienen te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Die aanwijzing is ook opgenomen in het tussenvonnis van 18 juli 2013 en in de door [appellant] genoemde leidraad die de deskundigen bij de aanvaarding van hun benoeming hebben ontvangen. Er bestaat echter, anders dan door [appellant] is betoogd, geen rechtsregel dat in de door hem gestelde omstandigheden een deskundigenbericht zonder meer, als (min of meer) automatische sanctie, onbruikbaar is of volledig van onwaarde is. Artikel 198 lid 2 Rv dwingt er niet toe dat partijen de gelegenheid moet worden geboden om tijdens het feitelijk onderzoek door de deskundigen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, zoals de Hoge Raad ten aanzien artikel 225 lid 5 Rv- die een zelfde bepaling bevatte als thans artikel 198 lid 2 Rv kent – heeft overwogen in HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2141. Ook het horen van partijen door deskundigen op verschillende tijdstippen en buiten elkaars aanwezigheid is op zich geen reden om een deskundigenbericht buiten beschouwing te laten wegens schending van een elementaire beginsel van een behoorlijke procesvoering (HR 12 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0860). Anderzijds staat het de rechter vrij om een deskundigenbericht buiten beschouwing te laten indien bij dat onderzoek de ene partij wel, doch de wederpartij niet aanwezig is geweest vanwege de weigering van die ene partij om die wederpartij bij dat onderzoek toe te laten (HR 7 maart 1980, NJ 1980, 441).

5.14

Aan [appellant] moet worden toegegeven dat het aanbeveling had verdiend dat hij samen met [geïntimeerde] bij het onderzoek door de deskundigen aanwezig had kunnen zijn en dat de weigering van [geïntimeerde] om dat mogelijk te maken - te minder nu daarvoor geen, laat staan valide, reden is gegeven - geen fraaie handelwijze was. Niet uitgesloten kan worden dat [geïntimeerde] daardoor de deskundigen van informatie heeft voorzien die van invloed is geweest op hun rapport, terwijl die informatie niet zichtbaar is opgenomen in het rapport, zonder dat [appellant] daarop heeft kunnen reageren.

Daar staat echter tegenover dat de deskundigen, zo blijkt uit hun rapport, zich niet bij de weigering van [geïntimeerde] hebben neergelegd en [appellant] in de gelegenheid hebben gesteld om buiten aanwezigheid van [geïntimeerde] samen met hen de vloer te bekijken voordat de deskundigen hun bevindingen zouden rapporteren. [appellant] heeft van die mogelijkheid echter geen gebruik gemaakt, waarbij niet is gebleken dat hij daarvoor valide redenen had. Gevoegd bij de omstandigheid dat [appellant] betrokken is geweest bij de vraagstelling aan de deskundigen, zich niet gedurende het verloop van het deskundigenbericht tot de kantonrechter heeft gewend met het verzoek om op het thans door hem aangehaalde punt corrigerend op te treden en ruimschoots in staat is geweest zijn standpunt naar aanleiding van het deskundigenbericht kenbaar te maken is het hof van oordeel dat het deskundigenbericht niet terzijde moet worden gelegd of van onwaarde is. Voor zover de grieven strekken tot een ander oordeel falen zij om die reden.

5.15

De door de kantonrechter benoemde deskundigen zijn tot de volgende bevindingen en conclusies gekomen:

“(…)

Bij beoordeling/controle van de aangebrachte tegelvloer (d.m.v. kloppen) blijkt dat een groot

gedeelte (40-50%) van de vloertegels hol klinkt.

De vloertegels liggen "scheef” dus niet vlak.

Rondom de vervangen vloertegel hebben diverse vloertegels beschadigingen aan de zijkant

(er zijn schilfers af).

De voegen zijn niet egaal strak en vol en zat aangebracht ,en zijn daardoor door het

dagelijks onderhoud moeilijk te onderhouden en te reinigen. Bij de onderdorpel van kozijnen

en keukenplint is de voeg dichtgevoegd en bij de muren is een plint over de tegels gezet.

(…)

Verlijming

De toegepaste lijm Alphycol 725 van Eurocol is geschikt voor deze situatie. Het toegepaste

type vloertegel is een porcelanato vloertegel, om een goede hechting te krijgen dient deze

vol en zat te worden verlijmd met de juiste vertande lijmkam (10 tot 15mm vertanding,de

vloer dient ingesmeerd te worden en de achterkant van de tegel ook. Buttering Floating

methode genoemd). Volgens het EMN rapport (pag. 3) blijkt dat bij de vervangen vloertegel

de lijm op de afwerkvloer bleef zitten en niet op de achterkant van de tegel. Dit kan er

op duiden c.q. inhouden dat hier niet de buttering-floating methode is toegepast tijdens het

aanbrengen van de vloertegels!

Doordat 40-50% van de vloertegels hol klinken concluderen wij dat deze niet vol en zat zijn

verlijmd.

(…)

Vlakheid vloer

De door ons beoordeelde aanwezige tegelvloer is niet vlak, verschillende tegels liggen

ongelijk qua hoogte en voegbreedte in de vloer waardoor hoeken wegzakken en omhoog

staan. Door de "scherpe" kanten van de vloertegel geeft dit een gevaarlijke situatie waar

deze oneffenheden zitten.

Doordat de tegels zo liggen is het voegwerk ook moeilijk glad aan te brengen.

Om dit type vloertegels goed vol en zat te verlijmen, dient de reeds eerder genoemde

"buttering floating" methode toegepast worden.

(…)

Voegen

Tussen het verlijmen en voégen dient minimaal 24 uur te zitten, deze tijd is nodig om de lijm

voldoende te laten uitharden. In het rapport (pag. 3) van EMN Expertise wordt gezegd dat

de vloertegels zijn aangebracht en gevoegd op dezelfde dag, dit is dus geen 24 uur.

(…)

“ Vraagstelling van [geïntimeerde]

I. Wat zijn de (voornaamste) oorzaken voor het ongelijk liggen van de vloertegels in de

woning

II. Heeft het leggen van de vloertegels invloed gehad op het ongelijk liggen van de

vloertegels

III. Wat is de oorzaak van het hol klinken van enkele tegels rondom de tegels die door [appellant]

zijn vervangen tijdens zijn herstelwerkzaamheden

IV. Wanneer zijn de gebreken ontstaan

V. Wat is, uitgesplitst naar kostenpost, de redelijkerwijs te begroten schade.

Vraagstelling van [appellant]

-welke gebreken constateert de deskundige aan de vloer

-wat (welke) is (zijn) de oorzaken voor de gebreken

-kunnen meer in het bijzonder het betreden van de tegels, het betreden van de voegen, de

meer dan normale zware verhuisbelasting, de wijze van tegelleggen, het stoken van de

vloerverwarming, de gebruikte tegellijm, al dan niet in combinatie de oorzaken zijn van de

gebreken

-wanneer zijn de gebreken redelijkerwijs ontstaan

-wat is, uitgesplitst naar kostenpost, de redelijkerwijs te begroten schade

7. Beantwoording vraagstelling

a. Het los en ongelijk liggen en hol klinken van de vloertegels is naar ons inziens het gevolg

van het niet vol en zat verlijmen/aanbrengen van deze 60x60cm vloertegels. De tegels

zijn niet volgens de buttering floating methode verlijmd. Door niet voldoende lijm te

gebruiken is het niet mogelijk om de tegels vlak te leggen.

Aangezien de gehele vloer oneffenheden vertoond, zowel langs de zijden als in de

overige zones en het tijdsbestek/aantal dagen dat tussen de start van de werkzaamheden

en het afronden van de werkzaamheden zit lang genoeg is kan dit dus niet door de

bewoner zijn veroorzaakt. Als er al sprake zou zijn van het te vroeg betreden van deze

gelegde vloer, waardoor oneffenheden/verzakkingen zouden zijn ontstaan moet dit dan

door de verwerker zelf veroorzaakt zijn, omdat men immers de vloertegels moet betreden

om deze af te voegen. En volgens het rapport is de vloer dezelfde dag ingevoegd.

b. Ook is het opstoken van de vloerverwarming niet de oorzaak van de oneffenheden in de

tegelvloer. Mocht dit wel het geval zijn dan zou inmiddels de gehele tegelvloer door krimp

en uitzetting los zijn gekomen van de ondervloer en dit is behoudens de holklinken

plaatsen onder diverse tegels niet het geval.

c. De holklinkende vloertegels rond de vervangen vloertegels zijn veroorzaakt door de

herstel werkzaamheden.

d. Het ontstaan van de gebreken is het gevolg van de toegepaste verwerkingsmethode, en

deels door de herstelwerkzaamheden van de gecorrigeerde vloertegels. De legrichting

van de vloertegel is niet relevant voor de kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden

maar is eerder een esthetisch punt van aandacht

8 Herstelkosten

A. arbeid :

Verwijderen tegelvloer 32 uur x € 38,00 € 1.216,00

Egaliseren ondervloer 16 uur x€ 38,00 € 608,00

Aanbrengen vloertegels 60x60cm 56 uur X € 38,00 € 2.128,00

volgens buttering floating methode

Aanbrengen kitwerk langs wanden, kozijnen, 8 uur X € 38,00 € 304,00

plinten en dilataties

Aanbrengen houten plinten 8 uur X € 38,00 € 304,00

Begeleiding 8 uur x € 55.00 € 440.00

Totaal Arbeid € 5.000,00

7% Algemene Kosten + 5% Winst en Risico € 600.00

Totaal exclusief B.T.W. € 5.600,00

6% B.T.W. € 168.00

Totaal inclusief B.T.W. 5.768,00

B. materiaal:

Afvalcontainer 1 st x € 200,00 € 200,00

Egalisatie materiaal Europlan Alphy 72 m2 x € 9,75 € 702,00

Aanschaf vloertegels type Rak 60x60cm 79 m2 x € 33,15 € 2.618,85

Gpest LGR BE

Lijm Eurocol Alphycol 725 16 zak x € 31,85 € 509,60

(zak a 25kg verbruik 5,2kg/m2)

Voeg Eurocol 706 (zak a 25 kg) 2 zak x € 31,20 € 62,40

Primer Eurocol l0 ltr x€ 3,85 € 38,50

Diverse materialen (tape. kit, folie, plint e.d.) 1 pst X € 300.00 € 300.00

Totaal Materiaal € 4.431,35

7% Algemene Kosten + 5% Winst en Risico € 531.76

Totaal exclusief B.T.W. € 4.963,11

21% B.T.W. € 1.042.25

Totaal inclusief B.T.W. € 6.005,36

C. overgenomen uit rapport:

Uit en inruimen inboedel opslaan / schoonmaak / verblijf elders € 2.500.00

Totaal inclusief B.T.W, 2.500,00

Totaal inclusief B.T.W. (A+B+C) € 14.273,36

5.16

Het hof volgt [appellant] niet in zijn bezwaar tegen deze bevindingen, dat er een destructief onderzoek had moeten plaatsvinden, nu de deskundigen ook zonder dat onderzoek tot duidelijke conclusies zijn gekomen en in hun rapport niet hebben aangegeven dat destructief onderzoek nodig zou zijn om de vragen te beantwoorden of dat een dergelijk onderzoek mogelijk tot andere conclusies zou leiden. [appellant] heeft dat ook niet voldoende onderbouwd gesteld. De stelling van [appellant] dat de deskundigen er ten onrechte vanuit zijn gegaan dat bij het type tegels dat gebruikt is de “buttering floating methode” had moeten worden toegepast, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet toereikend om aannemelijk te maken dat door [appellant] , anders dan door de deskundigen is beoordeeld, wel voldoende lijm zou zijn toegepast. [appellant] heeft verder nog gewezen op de gevolgen van het aanzetten van de vloerverwarming, onder verwijzing naar bij memorie van grieven overgelegde folders, maar ook in dat opzicht zijn zijn bezwaren onvoldoende steekhoudend. Met de overgelegde folders is immers niet voldoende aannemelijk gemaakt dat daardoor in dit specifieke geval kan worden verklaard dat de tegels los en ongelijk liggen, te minder nu in geval van te hoog opstoken van de vloerverwarming, zoals de deskundigen hebben opgemerkt, alle tegels los zouden liggen. En dat daarvan sprake is, heeft [appellant] niet gesteld, noch heeft hij aangevoerd dat deze opmerking van de deskundigen onjuist is. Voor zover [appellant] heeft beoogd te stellen dat het tijdverloop tussen het uitvoeren van de werkzaamheden en het onderzoek van de deskundigen onvoldoende tot uitdrukking is gebracht in de conclusies van het rapport heeft hij onvoldoende concreet toegelicht welke invloed dat tijdsverloop heeft gehad. Het hof neemt, met voorbijgaan aan de bezwaren van [appellant] , de inhoud van de bevindingen van de deskundigen over en volgt de zienswijze van de deskundigen met betrekking tot de aard en de oorzaak van de gebreken, behoudens ten aanzien de herstelkosten, waarover hierna meer in 5.18. Het hof acht de rapportage en de motivering van de bevindingen voldoende overtuigend.

5.17

Het hof is van oordeel dat dit rapport een afdoende grondslag biedt voor het thans door het hof te geven oordeel dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst met [geïntimeerde] , nu op grond van dat rapport vaststaat dat [appellant] bij het leggen van de tegels niet voldoende lijm heeft gebruikt dan wel een verkeerde methode voor verlijming heeft toegepast. Niet gesteld is dat die tekortkoming niet toerekenbaar is. [appellant] is derhalve aansprakelijk voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van die tekortkoming heeft geleden.

5.18

Ten aanzien van de omvang van de schade heeft [geïntimeerde] aansluiting gezocht bij het deskundigenbericht en haar vordering gebaseerd op de door de deskundigen begrote herstelkosten. [appellant] heeft de omvang van de schade betwist. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat er geen noodzaak bestaat om de gehele vloer te vervangen en voorts dat, indien dat wel het geval is, dat de herstelkosten in dat geval maximaal het door EMN Expertises begrote bedrag van € 7.217,68 bedragen.

5.19

Wat betreft de stelling van [appellant] dat het niet nodig is om de gehele vloer te vervangen ontbreekt een nadere, voldoende concrete feitelijke toelichting, zodat [appellant] zijn verweer op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de bevindingen van de deskundige omtrent de aard, oorzaak en omvang van het gebrek, zoals hiervoor in rov. 5.15 weergegeven, onder meer dat de gehele vloer oneffenheden vertoonde.

5.20

Uitgaande van volledige vervanging komen EMN, Dekra Experts en de deskundigen tot verschillende schadebegrotingen. Het hof ziet daarin aanleiding om in een daartoe te bepalen comparitie van partijen nadere inlichtingen van [geïntimeerde] in te winnen ten aanzien van de diverse door de deskundigen opgenomen schadecomponenten. Het hof wenst tevens met partijen van gedachten te wisselen of en in hoeverre bij de omvang van de schade rekening moet worden gehouden met de door [appellant] genoemde vriendendienst (zie hiervoor rov. 5.4), waarbij opvalt dat het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag kennelijk uitgaat van vervanging op commerciële basis met professionele begeleiding, terwijl daarvan bij de aan [appellant] opgedragen werkzaamheden geen sprake van was.
De comparitie zal tevens worden aangewend om de mogelijkheden van een schikking tussen partijen te onderzoeken.

6 De slotsom

6.1

Het hof zal een comparitie van partijen bepalen voor het verkrijgen van inlichtingen als overwogen in rov. 5.20 voor het beproeven van een schikking.

6.2

Verdere beslissingen zullen worden aangehouden.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J. Smit, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als onder rov. 5.20 vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

verhinderdata comparitie

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met maart zullen opgeven op de rolzitting van 20 december, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

indienen bescheiden voor comparitie

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verdere beslissingen aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, H. de Hek en M.A.L.M. Willems en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op dinsdag

29 november 2016.