Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9590

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
200.153.135/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verhuurder vordert eerst huur over opzegtermijn, maar maakt in hoger beroep voor het eerst aanspraak op huur over de gehele resterende huurperiode. Het hof honoreert het door de huurder gedane beroep op rechtsveerwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.153.135/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 24369976 MC 13-11036)

arrest van 29 november 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. H.W.M. van den Heiligenberg, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen

Beheersstichting Chituyo,

gevestigd te [A] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Chituyo,

advocaat: mr. G.T. Flapper, kantoorhoudend te Amsterdam.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 december 2015 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief met bijlage d.d. 5 oktober 2016 van de zijde van [appellante] ;
- het proces-verbaal van de op 25 oktober 2016 gehouden comparitie van partijen, waaraan de comparitieaantekeningen van de advocaat van Chituyo en productie 10 van de zijde van [appellante] zijn gehecht.

1.2

Vervolgens hebben beide partijen verzocht om arrest te wijzen op de daartoe reeds overgelegde stukken, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie en heeft het hof arrest bepaald.

1.3

De vordering van [appellante] in hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter te Almere en tot afwijzing van de vorderingen van Chituyo.

1.4

De (vermeerderde) vordering van Chituyo in hoger beroep strekt ertoe het vonnis van de kantonrechter te Almere te vernietigen, voor zover de kantonrechter de vordering van Chituyo heeft afgewezen, en [appellante] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 27.900,-, althans € 22.500,-, te vermeerderen met contractuele rente, althans handelsrente, de contractuele boete en buitengerechtelijke kosten.

2 De vermeerdering van eis

2.1

Chituyo heeft in haar memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel haar eis vermeerderd, in die zin dat zij nu niet alleen betaling vordert van vijf huurtermijnen, maar van alle huurtermijnen gedurende de overeengekomen bepaalde tijd, op de contractuele rente van 1% per maand (in plaats van op de wettelijke rente) en op een boete van € 25,- per dag.

2.2

[appellante] heeft zich tegen de vermeerdering van eis verzet. Zij heeft in dat verband zowel inhoudelijke bezwaren tegen de vermeerderde vordering aangevoerd als bezwaren van processuele aard. De processuele bezwaren komen er op neer dat Chituyo door de eiswijziging in strijd handelt met de goede procesorde, nu de eiswijziging een toevoeging betreft van geheel nieuwe geschillen waarover slechts in één feitelijke instantie kan worden geprocedeerd en door de substantiële uitbreiding van het geschil vertraging van het geding niet onaannemelijk is.

2.3

Het hof volgt [appellante] niet in haar betoog dat sprake is van een substantiële uitbreiding van het geschil. Ook na de vermeerdering van eis betreft het geschil de afwikkeling van de tussen partijen bestaand hebbende huurovereenkomst en de vraag welk bedrag Chituyo betreffende die afwikkeling van [appellante] te vorderen heeft. Het hof acht, anders dan [appellante] , niet aannemelijk dat de vermeerdering van eis leidt tot een vertraging van de procedure. Aan de vermeerderde eis liggen de feiten ten grondslag die ook ten grondslag liggen aan de oorspronkelijke eis. De eiswijziging noopt dan ook niet tot een onderzoek naar de feiten dat zonder de eiswijziging niet zou hebben hoeven plaatsvinden. De eiswijziging geeft ook geen aanleiding tot een extra proceshandeling.

2.4

Het verlies van een instantie is inherent aan het feit dat de wet toestaat dat een eis ook in hoger beroep kan worden vermeerderd. Slechts onder bijkomende omstandigheden kan dit feit het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde. Dergelijke omstandigheden zijn echter niet gesteld of gebleken.

2.5

Het betoog van [appellante] dat sprake is van rechtsverwerking zal het hof hierna behandelen, maar staat niet aan toelating van de vermeerdering van eis in de weg.

2.6

De bezwaren van [appellante] tegen de vermeerdering van eis falen dan ook. Het hof ziet ook geen redenen om de vermeerdering van eis ambtshalve buiten beschouwing te laten. Het neemt daarbij in aanmerking dat Chituyo bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, derhalve in haar eerste processtuk in hoger beroep en daarmee tijdig, haar eis heeft vermeerderd.

2.7

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft Chituyo haar vordering verminderd door geen aanspraak meer te maken op de contractuele boete.

2.8

Het hof zal, al met al, recht doen op de door Chituyo bij memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel gewijzigde vordering, met inachtneming van de intrekking door Chituyo van de vordering betreffende de contractuele boete.

3 De vaststaande feiten

3.1

De kantonrechter heeft in rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.3 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht en ook overigens is niet van bezwaren gebleken. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, die, aangevuld met wat verder over de feiten vaststaat, op het volgende neerkomen.

3.2

[appellante] heeft een affectieve relatie gehad met de heer C [B] (hierna: [B] ), uit welke relatie een dochter is geboren. De relatie is in december 2012 geëindigd.

3.3

[B] is vanaf november 2008 voorzitter en penningmeester van Chituyo geweest. Zijn zoon [C] (hierna: [C] ) is vanaf november 2008 secretaris van Chituyo. In het handelsregister is vermeld dat [B] per 15 maart 2010 uit functie is en dat per
1 januari 2013 de heer [D] penningmeester is.

3.4

Chituya is eigenaar van de woning aan het adres [a-straat] 19 te [E] . (hierna: de woning).

3.5

Op 1 oktober 2012 hebben [appellante] namens "Buitenplaats Reijgersbroeck” en de heer [F] (hierna: [F] ) namens Chituyo een schriftelijke huurovereenkomst ondertekend, waarbij Chituyo de woning voor de duur van drie jaar vanaf 1 oktober 2010 aan [appellante] verhuurde tegen een huurprijs van € 900,- per maand. Op de huurovereenkomst zijn de "Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte" van toepassing verklaard. In de huurovereenkomst is onder meer bepaald:
"4.5 Met het oog op de datum van ingang van deze overeenkomst en artikel 10 heeft de eerste betaalperiode betrekking op de periode van 01 januari 2013 tot en met 31 januari 2013 en is het over deze eerste periode verschuldigde bedrag € 900,00
(…)
Bijzondere bepalingen
10. De verhuurder heeft in verband met het 3 jarig contract de huurder de periode oktober, november en december 2012 huur penning vrij verleend."

3.6

In een e-mailbericht van 2 januari 2013 aan [F] heeft [appellante] geschreven:
"Kun jij Nuon Weesp weer op naam van Chituyo zetten? Ik ben hier vanaf morgen weg en verhuis dan nog t/m vrijdag. Dus je kan ook de vuurtoren makelaardij weer een seintje geven dat het leeg is.(…) "

3.7

In een e-mailbericht van 2 februari 2013 van [D] aan [appellante] heeft [D] een voorstel voor de financiële afwikkeling van de relatie tussen [appellante] en [B] weergegeven. Dat voorstel komt er onder meer op neer dat [appellante] zal meewerken aan het op naam stellen van Chituyo van twee panden in [A] .

3.8

Op 5 februari 2013 heeft [appellante] een door een notaris opgestelde volmacht ondertekend, waarin zij verklaart de in de volmacht onder a. tot en met h. vermelde afspraken met [B] te hebben gemaakt en de notaris volmacht te geven haar te vertegenwoordigen bij de ondertekening van een aantal in het kader van die afspraken te passeren akten. Een van deze afspraken (vermeld onder a) is de overdracht van (de onder 3.8 bedoelde) twee panden aan Chituya, die deze panden in juridische eigendom zal verkrijgen. Een andere afspraak (vermeld onder b) betreft de toedeling van een erfpachtrecht aan [B] , onder de verplichting van [B] een bedrag van € 60.000,- aan [appellante] te voldoen (vermeld onder d). De laatste afspraak (vermeld onder h) is dat partijen met inachtneming van hetgeen zij zijn overeengekomen "ter zake van de afwikkeling van de verbreking van de samenleving" over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.

3.9

In een brief van 30 mei 2013 heeft [F] namens Chituyo [appellante] gesommeerd de achterstallige huur en de borg te betalen, aan welke sommatie [appellante] geen gevolg heeft gegeven.

3.10

Chituyo heeft de woning in elk geval vanaf augustus 2013 verhuurd aan een derde.

4 Het geding in eerste aanleg

4.1

Chituyo heeft [appellante] gedagvaard en betaling gevorderd van een bedrag van € 4.500,-, “zijnde de huurpenningen over de maanden oktober 2012 t/m februari 2013”, te vermeerderen met rente en kosten. Nadat [appellante] verweer had gevoerd - zij heeft, kort gezegd, betoogd dat is overeengekomen dat tussen haar en (de aan) [B] (gelieerde vennootschappen) per 1 januari 2013 geen rechten en verplichtingen meer bestaan en dat aan haar finale kwijting is verleend -, heeft Chituyo in punt 7 van de conclusie van repliek onder meer het volgende aangevoerd:
Gedaagde heeft op 2 januari 2013 per email (PRODUCTIE 3) haar vertrek aangekondigd maar, voor zover eiseres kan nagaan, nimmer formeel op de gebruikelijke en overeengekomen wijze (artikel 19 van de algemene bepalingen) de huur van het pand opgezegd. Desalniettemin heeft eiseres in een later stadium dat emailbericht als (tussentijdse) opzegging beschouwd, met opzeggingstermijn van een maand. Gedaagde diende dus tot en met februari 2013 de huur te betalen. Hoewel gedaagde de huurovereenkomst, in weerwil van de contractuele bepalingen (artikel 3.1), de huur op heeft gezegd, vordert eiseres niet nakoming van de overeenkomst voor de gehele periode van drie jaar maar, met een blik op artikel 10 van de overeenkomst, enkel de periode oktober 2012 tot en met februari 2013. Gedaagde is daarvoor reeds bij meerdere brieven gesommeerd.

4.2

De kantonrechter heeft het beroep op finale kwijting verworpen en de vordering toegewezen voor wat betreft de huur over de maanden januari en februari 2012, derhalve tot een bedrag van € 1.800,-, te vermeerderen met een bedrag van € 363,- aan buitengerechtelijke kosten, met de wettelijke rente over € 1.800,- en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. De kantonrechter heeft in dat verband onder meer overwogen dat vaststaat dat de huurovereenkomst is opgezegd per 2 januari 2013 en dat op zichzelf niet is betwist dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 19 van de algemene bepalingen ertoe leidt dat de huurovereenkomst per 1 februari 2013 (het hof begrijpt dat de rechtbank 1 maart 2013 bedoelt) is beëindigd.

5 De bespreking van de grieven

5.1

Met de grieven 1 en 2 in het principaal appel, die met elkaar samenhangen en die het hof om die reden tezamen zal bespreken, komt [appellante] op tegen de verwerping door de kantonrechter van haar betoog dat Chituyo gebonden is aan de tussen [appellante] en [B] gemaakte afspraken en dat haar in dat verband ook finale kwijting is verleend ten aanzien van de huurovereenkomst. Volgens [appellante] dienen Chituyo en [B] te worden vereenzelvigd. Chituyo is een (de facto) door [B] beheerste stichting, waarin de zakelijke belangen en privébelangen van [B] door elkaar heenlopen, zoals ook al wel volgt uit het feit dat [B] en [appellante] in het kader van de afwikkeling van hun relatie hebben afgesproken dat [appellante] enkele onroerende zaken aan Chituyo (en niet aan [B] ) zou overdragen, aldus [appellante] .

5.2

Wat er ook zij van dit betoog, in de volmacht en uit het daaraan voorafgaande
e-mailbericht van 2 februari 2013 worden weliswaar drie onroerende zaken ( [b-straat] 56 B, [c-straat] 1 A en [d-straat] 30) genoemd, maar de door Chituyo aan [appellante] verhuurde woning wordt er niet in genoemd. De finale kwijting die in de volmacht over en weer wordt verleend, heeft betrekking op de afwikkeling van de verbreking van de samenleving. Chituyo heeft met een verwijzing naar de tekst van de volmacht bestreden dat de volmacht betrekking heeft op de verhuurde woning. Nu de verhuurde woning noch in de volmacht noch in de daaraan voorafgaande brief wordt genoemd en gesteld noch gebleken is dat [B] en [appellante] in de onderhandelingen over de afwikkeling van de samenleving zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst zou eindigen en dat [appellante] ook betreffende haar verplichtingen uit de huurovereenkomst finale kwijting zou worden verleend, kan er zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet van worden uitgegaan dat [B] en [appellante] afspraken hebben gemaakt over de afwikkeling van de huurovereenkomst, en al helemaal niet dat partijen zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst per 1 januari 2013 zou eindigen. [appellante] heeft haar stellingen dienaangaande, gelet op het door Chityuo gevoerde verweer, onvoldoende onderbouwd.

5.3

De grieven falen reeds om deze reden. In het midden kan blijven of Chituyo gebonden is aan een door [B] en [appellante] gemaakte afspraak in het kader van de afwikkeling van hun relatie.

5.4

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft de advocaat van [appellante] nog betoogd dat de huurovereenkomst nietig is wegens strijd met de goede zeden. Deze als nieuwe grief te karakteriseren stelling is te laat - immers ruimschoots na de memorie van grieven - naar voren gebracht. Het hof zal de grief, nu niet valt in te zien dat deze niet in een eerder stadium van de procedure naar voren had kunnen worden gebracht, buiten beschouwing laten wegens strijd met de ‘in beginsel strakke regel’, dat grieven uiterlijk bij memorie van grieven (of waar het de geïntimeerde betreft bij memorie van antwoord) naar voren dienen te worden gebracht.

5.5

Grief 3 in het principaal appel bouwt voort op de beide eerste grieven. Met deze grief komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij met het e-mailbericht van 2 januari 2013 de huurovereenkomst heeft opgezegd. Volgens [appellante] is geen sprake van een opzegging, maar van een mededeling van het leeg opleveren van de gehuurde woning. Een opzegging was niet nodig omdat de huurovereenkomst per
1 januari 2013 was geëindigd, aldus [appellante] .

5.6

Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij en [B] (laat staan zij en Chituyo) zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst per 1 januari 2013 is geëindigd. Het e-mailbericht van 2 januari 2013 kan dan ook niet worden beschouwd als een mededeling van de oplevering, volgend op een afspraak tot beëindiging van de huur per 1 januari 2013. De grief faalt dan ook om deze reden. Het hof laat dan nog daar dat de door [appellante] gestelde afspraak volgens haar pas begin februari 2013 (derhalve ruimschoots na het e-mailbericht van 2 januari 2013) is gemaakt.

5.7

Met grief 1 in het incidenteel appel komt Chituyo op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurovereenkomst per 1 maart 2013 is geëindigd. Volgens Chituyo heeft [appellante] met het meergenoemde e-mailbericht van 2 januari 2013 de huurovereenkomst niet rechtsgeldig opgezegd - [appellante] heeft zelf ook bestreden dat dat e-mailbericht als een huuropzegging heeft te gelden - en kon de huurovereenkomst niet tussentijds worden opgezegd. De huurovereenkomst duurt dan ook voort tot aan het einde van de overeengekomen tijd, derhalve tot en met 30 september 2015. [appellante] is om die reden een bedrag van € 29.700,- (33 maanden huur) verschuldigd, aldus Chituyo.

5.8

Het hof stelt bij de bespreking van deze grief voorop dat de stelling van [appellante] dat het e-mailbericht van 2 januari 2013 geen opzegging is, niet los kan worden gezien van het betoog van [appellante] dat zij en [B] zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst per 1 januari 2013 zou eindigen. In dat kader heeft [appellante] aangevoerd dat zij met het e-malbericht de oplevering van het gehuurde heeft aangekondigd. Zoals hiervoor heeft overwogen, kan [appellante] niet worden gevolgd in haar betoog dat de huurovereenkomst per 1 januari 2013 is geëindigd en derhalve ook niet in haar betoog dat het e-mailbericht (om die reden) geen opzegging is.

5.9

Duidelijk is dat [appellante] met het e-mailbericht duidelijk heeft gemaakt dat zij het gehuurde niet meer wilde gebruiken en dat het ter vrije beschikking van Chituyo, de verhuurder, stond. In dat licht bezien, kon Chituyo het e-mailbericht als een mededeling gericht op de beëindiging van de huur, en daarmee als een opzegging van de huurovereenkomst opvatten. Dat zij dat heeft gedaan, heeft Chituyo zelf in de hiervoor aangehaalde passage van de conclusie van repliek uitdrukkelijk gesteld. Chituyo heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat zij dat destijds niet heeft gedaan. Dat [appellante] jaren later, in het kader van een juridisch debat, het karakter van het e-mailbericht als een opzegging ter discussie stelt, is daartoe in elk geval onvoldoende. Dat de opzegging niet voldeed aan de vereisten die artikel 19 van de algemene bepalingen stelt, is daartoe evenmin voldoende. Het stond Chituyo vrij om, ofschoon het e-mailbericht niet aan de vormvereisten voor een opzegging voldeed, het e-mailbericht desalniettemin als een opzegging te beschouwen, zoals zij ook heeft gedaan.

5.10

Uit de aangehaalde passage uit de conclusie van repliek blijkt dat Chituyo, ofschoon zij zich ervan bewust was dat [appellante] niet tussentijds met een termijn van een maand kon opzeggen, deze opzegging desalniettemin heeft geaccepteerd als een opzegging waardoor de huurovereenkomst tussentijds eindigde. Zij heeft dan ook geen aanspraak gemaakt op de huur over de resterende huurtermijnen tot aan het einde van de bepaalde tijd, maar slechts op de huur die verschuldigd was indien [appellante] wel tussentijds met inachtneming van een termijn van een maand kon opzeggen. Chituyo heeft zich in de conclusie van repliek niet het recht voorbehouden om (al dan niet onder bepaalde voorwaarden) terug te komen op de acceptatie van de tussentijdse opzegging en om alsnog aanspraak te maken op de huurtermijnen vanaf maart 2013. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen is gebleken dat, toen Chituyo de procedure tegen [appellante] aanhangig maakte, Chituyo de woning inmiddels aan een derde had verhuurd. Onder deze omstandigheden mocht [appellante] er naar het oordeel van het hof van uitgaan dat de huurovereenkomst in de visie van Chituyo per 1 maart 2013 was beëindigd en dat Chituyo om die reden geen aanspraak maakte op de huurtermijnen vanaf maart 2013. Het hof volgt [appellante] dan ook in haar betoog dat Chituyo afstand heeft gedaan van het recht om alsnog aanspraak te maken op de huur over de periode vanaf maart 2013. Daarop stuit de grief van Chituyo af.

5.11

De memorie van grieven in het incidenteel appel bevat een tweetal verholen grieven, tegen de beslissing betreffende de wettelijke rente en tegen de beslissing betreffende de buitengerechtelijke kosten. Chituyo maakt nu aanspraak op de contractuele rente, althans de wettelijke handelsrente, terwijl de kantonrechter de gewone wettelijke rente heeft toegewezen. De grief slaagt. Nu [appellante] de overeenkomst is aangegaan namens haar eenmanszaak en het de bedoeling was dat het gehuurde gebruikt zou worden ten behoeve van de exploitatie van een 'bed and breakfast, en derhalve niet voor privébewoning door [appellante] , is zij geen consument in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen (Richtlijn 93/13/EEG) en hoeft het hof niet ambtshalve te onderzoeken of de contractuele rente een oneerlijk beding is. De vordering tot vergoeding van de contractuele rente is dan ook toewijsbaar.

5.12

De grief betreffende de omvang van de buitengerechtelijke kosten faalt. Deze grief komt erop neer dat de kantonrechter is uitgegaan van een te lage hoofdsom. De grief heeft dan ook geen zelfstandig karakter en deelt het lot van grief 1 in het incidenteel appel.

5.13

Grief 4 in het principaal appel betreft de beslissing van de kantonrechter over de buitengerechtelijke kosten. Chituyo heeft haar vordering betreffende deze kosten gebaseerd op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [appellante] heeft uitdrukkelijk aangegeven dat, indien buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn, deze kunnen worden berekend conform het genoemde besluit. Volgens haar bedragen de kosten in dat geval - uitgaande van een hoofdsom van € 1.800,00 - € 326,70. Chituyo heeft dat niet weersproken, zodat het hof van dit bedrag zal uitgaan. De grief slaagt in zoverre.

5.14

Grief 5 in het principaal appel betreft de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. De grief faalt. In eerste aanleg is niet alleen een substantieel deel van de vordering van Chituyo toegewezen, maar is ook het (bij repliek herhaalde) verweer van [appellante] verworpen, dat zij niets verschuldigd is aan Chituyo. Wel is de kantonrechter bij de begroting van de kosten uitgegaan van het gevorderde bedrag. Nu het toegewezen bedrag aanzienlijk lager is dan het gevorderde bedrag, zal het hof uitgaan van het toegewezen bedrag. Daarmee komt het salaris van de gemachtigde volgens [appellante] , in zoverre niet weersproken door Chituyo, uit op € 300,-. Grief 7 in het principaal appel slaagt dan ook.

5.15

Grief 6 in principaal appel heeft geen zelfstandige betekenis naast de andere grieven en deelt het lot van die grieven.

5.16

De slotsom is dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen, omdat de grieven op enkele ondergeschikte punten slagen. De belangrijkste grieven van partijen falen echter en het vonnis blijft voor wat betreft de belangrijkste geschilpunten in stand. Beide partijen zijn dan ook in het door hen ingestelde appel overwegend in het ongelijk gesteld en zullen om die reden worden verwezen in de proceskosten van dat appel (geliquideerd salaris in principaal appel: 2 punten tarief I, geliquideerd salaris in incidenteel appel:
2 punten X 50%, tarief III). Chituyo heeft wettelijke rente en nakosten gevorderd. Deze vorderingen zijn in de in het dictum te vermelden zin toewijsbaar.

De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in het principaal en in het incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] om aan Chituyo te betalen een bedrag van € 2.126,70, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% over € 900,- vanaf 1 februari 2013 tot en met 28 februari 2013 en over € 1.800,- vanaf 1 maart 2013 tot aan het tijdstip van voldoening van de vordering, waarbij een gedeelte van een maand als een volle maand wordt gerekend;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in het principaal appel en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Chituyo gevallen:
- voor de procedure in eerste aanleg op € 542,79 aan verschotten en op € 300,- voor salaris
gemachtigde en
- voor de procedure in principaal appel op € 704,- aan verschotten en op € 1.264,- voor geliquideerd salaris van de advocaat,
een en ander vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening.

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening.


veroordeelt Chituyo in de kosten van het incidenteel appel en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellante] gevallen, op nihil aan verschotten en op € 1.158,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek en mr. D.J. Keur, mr. I.F. Clement en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op dinsdag

29 november 2016.