Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9587

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
21-007379-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling art. 6 Wegenverkeerswet 1994 en art. 7 lid 1 Wegenverkeerswet 1994. Oplegging gevangenisstraf 24 maanden en OBM 4 jaar. Verdachte heeft een ongeval veroorzaakt met dodelijke afloop. Het hof kan niet uitsluiten dat verdachte onder invloed van alcohol een personenauto heeft bestuurd en het ongeval heeft veroorzaakt terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, maar dit kan ook niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld zodat voor dit onderdeel vrijspraak volgt. Ondanks dat het hof tot een lagere graad van schuld komt dan de rechtbank, en zal vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde zal aan verdachte een hogere gevangenisstraf en langere OBM worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007379-15

Uitspraak d.d.: 29 november 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 november 2015 met parketnummer 02-800279-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. P.C. Saris, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 05 april 2015 te [plaats] als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende

over de weg, [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk

geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol (minimaal 0,5 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed), althans terwijl hij in aanmerkelijke mate onder invloed verkeerde van alcohol en/of

- te rijden met een (veel) te hoge snelheid, in elk geval met een hogere

snelheid dan ter plaatse is toegestaan en/of met een snelheid die gelet op de

verkeersomstandigheden te hoog was en/of

- een voor hem rijdend voertuig is gaan inhalen en/of heeft ingehaald en/of

(daarbij) op de weghelft van het hem tegemoetkomende verkeer is terecht

gekomen en/of op de weghelft van het voor hem tegemoetkomende verkeer is

blijven rijden, terwijl er onvoldoende zicht en/of overzicht ter plaatse was,

waardoor een botsing heeft plaatsgevonden met een voor hem tegemoetkomende (en

verlichting voerende) bromfiets, waardoor de bestuurder van die bromfiets

(genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,

terwijl hij

- verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van

de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel

gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van

genoemde wet en/of

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij

- een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in

ernstige mate heeft overschreden en/of

- doordat hij gevaarlijk heeft ingehaald;

2
primair:
hij op of omstreeks 05 april 2015 te [plaats] , als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, zulks terwijl aan hem, verdachte, sedert de datum waarop aan hem, verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit motorrijtuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij onderzoek, als bedoeld in artikel 8, lid 3, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, minimaal 0,5 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 05 april 2015 te [plaats] als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

3:
hij op of omstreeks 5 april 2015 te [plaats] ,

als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij

een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op/aan de [weg] , de

(voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat

ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten

[slachtoffer] ) is gedood, dan wel, terwijl aan die [slachtoffer] (ernstig)

letsel was toegebracht, die [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Uit de verklaring van de barvrouw van café [café] , getuige [getuige] en de beschrijving van de camerabeelden die door verbalisant [verbalisant] zijn uitgekeken, kan worden afgeleid dat verdachte voorafgaand aan het ongeval vanaf 22.14 uur in elk geval zes biertjes en meerdere mixdrankjes (wodka 7up) heeft gedronken. Verder volgt uit de verklaring van [getuige] in combinatie met de camerabeelden dat verdachte om 00.36 uur nog alcoholische drankjes heeft besteld en gedronken. Op de beelden is vervolgens te zien dat verdachte ook daarna, te weten om 01.35 en om 02.56 uur, nog drankjes bestelde, maar noch uit de (omschrijving van de) camerabeelden, noch uit de verklaring van getuige [getuige] , kan worden afgeleid dat dit alcoholische drankjes betroffen.

Uit het rapport ‘herberekening van het alcoholgehalte’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 20 augustus 2015 komt naar voren dat de alcoholconcentratie in het bloed van verdachte ten tijde van het ongeval geschat wordt tussen de 0,5 mg/ml en 1,3 mg/ml. Dit rapport gaat bij de berekening evenwel uit van een tijdsbestek van 4 uur en 42 minuten waarin alcohol is genuttigd. Zoals hiervoor al overwogen staat naar het oordeel van het hof evenwel niet vast dat verdachte na 00.36 ‘s nachts ook nog alcoholische drankjes heeft besteld. Het hof kan bij haar oordeelsvorming dan ook niet uitgaan van de door het NFI gehanteerde tijdsbestek van 4 uur en 42 minuten. Er dient te worden uitgegaan van een korter tijdsbestek.

Volgens het NFI-rapport ligt de afbraaksnelheid van ethanol tussen de 0,10 en 0,25 mg/ml bloed per uur. Op basis van dit gegeven en gelet op de vaststelling dat er om 00.36 uur in ieder geval nog alcohol is genuttigd, kan niet worden vastgesteld dat het alcoholgehalte van verdachte zich ten tijde van het ongeval, dat plaatsvond omstreeks 04.00 uur, nog boven de norm van 0,20 mg/ml (0,2 promille) bevond.

Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof weliswaar niet worden uitgesloten dat verdachte onder invloed van alcohol een personenauto heeft bestuurd en dat hij het ongeval heeft veroorzaakt terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, maar kan dit ook niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld. Verdachte moet daarom van dit gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde en van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van een gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Op 5 april 2015 omstreeks 4.00 ’s nachts vond een frontale aanrijding plaats tussen de auto die bestuurd werd door de verdachte en een bromfiets die bestuurd werd door [slachtoffer] . Ten gevolge van die aanrijding overleed [slachtoffer] en raakten beide voertuigen zwaar beschadigd.

Vlak voor de aanrijding was verdachte een voor hem rijdende auto van de huisartsenpost snel genaderd, haalde deze vervolgens in waardoor hij op de linkerbaan kwam en botste tegen de brommer van [slachtoffer] die uit de tegengestelde richting was genaderd. De verlichting van de bromfiets brandde ten tijde van het ongeval. Ter zitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard ‘dat die brommer er opeens was’. In de ongevallenanalyse wordt opgemerkt dat het uitzicht van verdachte enigszins belemmerd geweest zou kunnen zijn door de voor hem rijdende auto van de ambulancepost. Van een andere omstandigheid die het uitzicht belemmerde of kon belemmeren wordt geen melding gemaakt.

Verdachte is na de aanrijding doorgereden en ruim acht uur na het ongeval door de politie gevonden en aangehouden. Op de vraag of verdachte wilde meewerken aan een blaastest of bloedproef heeft verdachte geantwoord dat hij nergens aan meewerkte. Ook toen hij even later het bevel kreeg zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek, reageerde verdachte met de opmerking dat hij nergens aan meewerkte.

Het hof gaat er van uit dat verdachte de inhaalmanoeuvre is begonnen terwijl hij geen goed zicht had op de (vanuit zijn rijrichting gezien) linkerbaan. Dat hij geen goed zicht had, moet veroorzaakt zijn door de voor hem rijdende auto van de huisartsenpost (het betrof een hoog model auto). Het hof wijst er in dit verband nog op dat vaststaat dat de bromfiets goed zichtbaar was. Het voorlicht van de bromfiets brandde en de bestuurster van de auto van de huisartsenpost zag de bromfiets wel aankomen. Toch heeft verdachte de bromfiets naar eigen zeggen niet gezien. Voor zover dit mede zou zijn veroorzaakt door de omstandigheid dat verdachte niet (goed) heeft gekeken of er een tegenligger naderde, kan dit eveneens worden aangemerkt als onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag. Ondanks het feit dat verdachte geen goed zicht had, heeft verdachte zijn auto naar links gestuurd en heeft hij bovendien gas gegeven, waardoor hij niet meer tijdig naar rechts zou kunnen in geval hij alsnog een naderende tegenligger zou zien. In de gegeven omstandigheden had verdachte zijn snelheid zodanig laag moeten houden, dat een correctie nog mogelijk was geweest.

Naar het oordeel van het hof kan daarom worden bewezen dat verdachte met een snelheid die gelet op de verkeersomstandigheden te hoog was, de auto die voor hem reed is gaan inhalen en daarbij op de weghelft is terechtgekomen van het tegemoetkomend verkeer terwijl hij onvoldoende zicht en/of overzicht ter plaatse had. Door het gevaarlijke inhalen van verdachte is er een frontale botsing ontstaan tussen het voertuig van verdachte en dat van [slachtoffer] en is laatstgenoemde overleden.

Het hof acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden en waardoor het slachtoffer [slachtoffer] werd gedood, terwijl het feit veroorzaakt werd doordat verdachte gevaarlijk heeft ingehaald en verdachte na het feit niet heeft voldaan aan een bevel medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op of omstreeks 05 april 2015 te [plaats] als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende

over de weg, [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk

geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol (minimaal 0,5 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed), althans terwijl hij in aanmerkelijke mate onder invloed verkeerde van alcohol en/of

- te rijden met een (veel) te hoge snelheid, in elk geval met een hogere

snelheid dan ter plaatse is toegestaan en/of met een snelheid die gelet op de

verkeersomstandigheden te hoog was en/of

- een voor hem rijdend voertuig is gaan inhalen en/of heeft ingehaald en/of

(daarbij) op de weghelft van het hem tegemoetkomende verkeer is terecht

gekomen en/of op de weghelft van het voor hem tegemoetkomende verkeer is

blijven rijden, terwijl er onvoldoende zicht en/of overzicht ter plaatse was,

waardoor een botsing heeft plaatsgevonden met een voor hem tegemoetkomende (en

verlichting voerende) bromfiets, waardoor de bestuurder van die bromfiets

(genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,

terwijl hij

- verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van

de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel

gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van

genoemde wet en/of

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij

- een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in

ernstige mate heeft overschreden en/of

- doordat hij gevaarlijk heeft ingehaald;

3:
hij op of omstreeks 5 april 2015 te [plaats] ,

als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij

een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op/aan de [weg] , de

(voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat

ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten

[slachtoffer] ) is gedood, dan wel, terwijl aan die [slachtoffer] (ernstig)

letsel was toegebracht, die [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, zesde, lid van deze wet en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige gevaarlijk heeft ingehaald.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van de hierna aan te geven duur leiden.

De binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting, behorende bij artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, geven geen richtlijnen voor gevallen waarin de verdachte weigert medewerking te verlenen aan een ademanalyse of bloedonderzoek en waarbij tevens een overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet aan de orde is.

Verdachte heeft op 5 april 2015 als bestuurder van een personenauto met een snelheid die gelet op de verkeersomstandigheden te hoog was en terwijl geen goed zicht bestond, een voor hem rijdende auto ingehaald en is vervolgens in aanrijding gekomen met een tegemoetkomende bromfiets. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden en daardoor een verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan de bestuurder van de bromfiets, [slachtoffer] , is overleden.

Verdachte is na de aanrijding direct weggereden en heeft zich niet bekommerd om het slachtoffer. Dit rekent het hof verdachte zeer aan.

Verdachte heeft vervolgens, toen hij ruim acht uur later werd aangehouden, geweigerd medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Hiermee heeft verdachte het onderzoek gefrustreerd en duidelijk gemaakt niet te willen meewerken aan het vaststellen van de precieze toedracht van het ongeval. Dit heeft tevens tot gevolg gehad dat de mate van laakbaarheid van het handelen van verdachte evenmin exact is vast te stellen. Dit wordt uitgelegd in het nadeel van verdachte. De wetgever heeft er immers expliciet voor gekozen een dergelijke weigering als strafverhogende omstandigheid in de wet op te nemen. Het hof zal deze weigering dan ook als zodanig in aanmerking nemen.

Bij de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof verder in het nadeel van verdachte in aanmerking genomen zijn overige gedrag na het gepleegde feit. Verdachte heeft de plaats van het ongeval verlaten en zichzelf niet gemeld bij de politie. Verder heeft verdachte in zijn verhoren bij de politie, in strijd met de waarheid, ontkend dat hij voorafgaand aan het ongeval had gedronken. Verder heeft hij, op de vraag van de verbalisanten wat hij kon verklaren over het feit dat zijn vriendin [naam] had aangegeven dat hij is gaan stappen en haar vervolgens heeft opgehaald geantwoord: ‘dat is niet waar’. Dat dit niet klopte is pas ontdekt nadat de eigenaar van café [café] contact heeft opgenomen met de politie en verteld heeft dat verdachte op de bewuste avond in zijn café is geweest en alcohol heeft gedronken.

Verdachte heeft zeer groot leed toegebracht aan de nabestaanden. De ter zitting afgelegde slachtofferverklaringen van de zus en moeder van [slachtoffer] hebben nogmaals duidelijk gemaakt hoezeer het slachtoffer gemist wordt en hoe het leven van degenen die van hem hielden onherstelbaar is veranderd. Dit leed wordt verergerd doordat verdachte met name op de dag van het ongeval geen verantwoording heeft willen nemen voor zijn gedrag en gedurende het onderzoek slechts mondjesmaat en gedwongen door de omstandigheden opening van zaken heeft gegeven.

Gelet op al het voorgaande, zal het hof, ondanks dat het ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde tot een lagere graad van schuld komt dan de rechtbank en het hof verdachte, anders dan de rechtbank, vrijspreekt van het onder 2 tenlastegelegde, een hogere gevangenisstraf en een langere ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen.

Alles afwegende is oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren naar het oordeel van het hof passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst af het verzoek van de advocaat-generaal tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Sleutelbos Ford

- Mobiele telefoon, kleur zwart, Samsung

- Mobiele telefoon, kleur zwart, Samsung

- Schoeisel (linkerschoen)

- Schoeisel (rechterschoen)

- Trainingsjas

- Jas, kleur zwart, gewatteerd

- Shirt, kleur zwart

- Trainingsbroek.

Aldus gewezen door

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. J.D. den Hartog en mr. A. van Maanen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.I.D. Leene, griffier,

en op 29 november 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.