Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9551

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
200.174.354
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:376 BW.

Vordering tot ontbinding wegens tekortkoming; geen bedrijfsmatige landbouw. Hof overweegt dat de kweek van bomen en heesters agrarisch gebruik van de grond (tuinbouw) betreft, maar dit gebruik strekt niet (overwegend) ten behoeve van een agrarische onderneming. Een hoveniersbedrijf is geen landbouwbedrijf. Daarmee kwalificeert de rechtsverhouding tussen partijen onder het nieuwe recht niet als een pachtovereenkomst maar als huur. Het hof verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de bevoegde kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2016/436
WR 2017/27
TvPP 2017, afl. 2, p. 76
TvAR 2017/5887, UDH:TvAR/14410 met annotatie van G.M.F. Snijders
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.174.354

(zaaknummer rechtbank Limburg 2995771)

arrest van de pachtkamer van 29 november 2016

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon
gemeente Valkenburg aan de Geul,

zetelend te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de gemeente,

advocaat: mr. E.H.M. Harbers,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.E. Brands.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 15 september 2015 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 17 november 2015;

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.3

De gemeente vordert in het hoger beroep - kort samengevat – te vernietigen het vonnis van 1 juli 2015 en de vorderingen van de gemeente alsnog toe te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

2.1

De gemeente verpacht sedert 20 mei 1952 een woning, garage/schuur, kas(sen) en cultuurgrond, gelegen in (de nabijheid van) de oostvleugel van [naam] te [plaats] , aan opeenvolgend de grootvader en vader van [geïntimeerde] en [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is bij wijzigingsovereenkomst, goedgekeurd door Grondkamer Zuid op 4 april 2003, op 17 mei 2002 in de plaats getreden van zijn vader. Het gepachte is kadastraal bekend gemeente [gemeente B] , sectie B, nummer 1282 ged. en gemeente [gemeente A] , sectie A, nummer 1987, ged., groot 0.66.30 ha.

2.2

[geïntimeerde] exploiteert een hoveniersbedrijf. Op de cultuurgrond (3300 m2) kweekt hij pootgoed, (zuil)beuken, taxus, acacia, eiken, coniferen en prunus. De huidige kas (3700 m2) gebruikt hij als winterstalling voor planten van klanten van het hoveniersbedrijf. De gekweekte bomen en planten dienen als voorraad voor het hoveniersbedrijf. Verder verkoopt [geïntimeerde] vanaf de locatie op kleine schaal gekweekte producten aan particulieren.

2.3

Vanaf medio 2011 heeft de gemeente overleg gevoerd met (de adviseurs van) [geïntimeerde] in verband met haar voornemen het kasteel te verkopen en het hoveniersbedrijf in het kasteel te beëindigen.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De gemeente heeft in eerste aanleg gevorderd de tussen partijen bestaande pachtovereenkomst te ontbinden en [geïntimeerde] tot ontruiming te veroordelen op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2

De pachtkamer heeft bij vonnis van 1 juli 2015 de vorderingen afgewezen en de gemeente veroordeeld in de proceskosten.

4 Debeoordelingvanhetgeschilinhogerberoep

4.1

Kern van het debat tussen partijen is de vraag of (nog) sprake is van bedrijfsmatige landbouw. In de oorspronkelijk pachtovereenkomst is opgenomen: “Het gepachte mag voor geen andere doeleinden worden gebruikt dan voor de uitoefening van het tuinbouwbedrijf. De pachter moet het gepachte overeenkomstig de bestemming gebruiken.” De gemeente voert aan dat [geïntimeerde] het gepachte niet meer conform de gebruiksbepaling in de pachtovereenkomst gebruikt omdat hij een hoveniersbedrijf exploiteert. Op dezelfde grond betoogt zij dat geen sprake meer is van bedrijfsmatige landbouw.

4.2

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van pacht of niet komt het aan op ‘het overeengekomen gebruik, zoals geworden en goedgevonden’, hetgeen meebrengt dat als overeengekomen gebruik ook geldt het feitelijk gebruik dat al dan niet stilzwijgend is toegestaan. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken moet het hof als vaststaand aannemen dat de rechtsvoorgangers van [geïntimeerde] al een hoveniersbedrijf hadden en planten kweekten, mede ten behoeve van het hoveniersbedrijf. [geïntimeerde] heeft daartoe stukken overgelegd (productie 1 bij conclusie van antwoord). Met name uit de niet-betwiste verklaring van J. [geïntimeerde] in een e-mail van 30 april 2014 volgt dat de kwekerij vanaf de Tweede Wereldoorlog planten en bloemen aan de gemeente leverde en dat het hoveniersbedrijf de gemeentelijke plantsoenendienst assisteerde met mankracht. In de jaren daarna heeft het hoveniersbedrijf in opdracht van de gemeente groenvoorzieningen aangelegd en de plantsoenendienst ondersteund. Dit was dus al ruim voor de inwerkingtreding van Titel 5 van Boek 7 BW per 1 september 2007 het geval. Hieruit volgt dat het gebruik als plantenkwekerij en hoveniersbedrijf, zoals geworden en goedgevonden, al geruime tijd het overeengekomen gebruik is.

4.3

De kweek van bomen en planten door [geïntimeerde] merkt het hof aan als ondergeschikt aan het hoveniersbedrijf, de verkoop op kleine schaal van eigen en ingekochte planten eveneens. Die ondergeschiktheid volgt niet alleen uit de stellingen van [geïntimeerde] zelf, maar ook uit de overgelegde boekhoudstukken kan worden afgeleid dat de inkomsten van het bedrijf voornamelijk bestaan uit de werkzaamheden (uurloon) van het hoveniersbedrijf. In elk geval heeft [geïntimeerde] niet (cijfermatig) toegelicht wat de opbrengsten van de kwekerij zijn, wat wel op zijn weg had gelegen. Dat de opbrengsten meer dan ondergeschikt zijn, ligt overigens gelet op de geringe omvang van de cultuurgrond niet voor de hand.

4.4

Naar oud recht was volgens de vaste rechtspraak van deze kamer onder pacht te verstaan alle vruchttrekking met een economisch oogmerk van meer dan ondergeschikte betekenis en partijen hebben dat destijds ook voor ogen gehad. Onder het nieuwe recht is van die ruime opvatting afstand genomen en is nodig dat het agrarisch gebruik van het ter beschikking gestelde gericht is op een agrarische onderneming. Het tegen betaling in gebruik geven van landbouwgrond voor een ander bedrijf dan een landbouwbedrijf is onder het nieuwe recht geen pacht, maar huur (vgl. MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30448, nr. 3,
p. 14).

4.5

De kweek van bomen en heesters betreft agrarisch gebruik van de grond (tuinbouw), maar dit gebruik strekt niet (overwegend) ten behoeve van een agrarische onderneming. Een hoveniersbedrijf is geen landbouwbedrijf. Daarmee kwalificeert de rechtsverhouding tussen partijen onder het nieuwe recht niet als een pachtovereenkomst maar als huur
(vgl. ook gerechtshof Arnhem 15 februari 2011, ECLI:GHARN:2011:BP6580, TvAR 2011/5629, [appellant A] / [geïntimeerde A] en gerechtshof Arnhem 14 februari 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW4844, [appellant B] / [geïntimeerde B] ). Daarbij merkt het hof op dat het in deze gaat om de ingebruikgeving van een woning, garage/schuur, kas en cultuurgrond, die verschillende huurregimes kennen en waar bij de bedrijfsruimte(n) nog de vraag aan de orde is of sprake is van 7:290 BW of 7:230a BW bedrijfsruimte. De pachtkamer van het hof is niet bevoegd daarover te beslissen. Dat is de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht. Het hof zal de zaak dan ook naar die rechter verwijzen ter verdere behandeling en beslissing.

Slotsom

4.6

Het bestreden vonnis kan niet in stand kan blijven en het hof zal zich onbevoegd verklaren om van de zaak kennis te nemen. Het hof zal de zaak verwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht. In hetgeen het hof bij dit arrest heeft overwogen en beslist, zullen partijen aanleiding kunnen zien om hun stellingen aan te passen en de gemeente om haar eis te wijzigen.

4.7

Het hof zal de kosten van het hoger beroep en de eerste aanleg reserveren als na te melden. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de gemeente begroot het hof op:

- explootkosten € 96,16

- griffierecht € 711
- salaris advocaat € 1.788 (2 punten x tarief II).
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] begroot het hof op € 311 aan griffierecht en op € 1.788 (2 punten x tarief II) voor salaris advocaat.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 1 juli 2015;

verklaart zich onbevoegd om van de zaak kennis te nemen;

verwijst de zaak naar de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht;

reserveert de kosten van het hoger beroep en de beslissing omtrent de kosten van de eerste aanleg tot op de einduitspraak.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, E.B. Knottnerus en F.J.P. Lock en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 november 2016.