Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9529

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
200.196.050/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldigheid ingescande handtekening bij aanvraag verlenging machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0327
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2017/5021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.196.050/01

(zaaknummers rechtbank Overijssel 184575 en 185150 )

beschikking van 22 november 2016

inzake

1 [verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de moeder,

2. [verzoeker],
wonende te [B] , gemeente [H] ,

verder te noemen: de vader,

verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. W. Römelingh te Den Haag,

en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI of gecertificeerde instelling.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 familie [C] ,

wonende te [D] ,

verder te noemen: de gezinshuisouders van [de minderjarige1] ,

2. familie [E],

wonende te [F] , gemeente [H] ,

verder te noemen: de gezinshuisouders van [de minderjarige2] ,

3. familie [G],

wonende te [H] ,

verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige3] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 18 april 2016, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 14 juli 2016;

- het verweerschrift met productie(s);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 3 augustus 2016;

- een brief van mr. Römelingh van 2 oktober 2016 met productie(s);

- een e-mailbericht van de GI van 25 oktober 2016 met productie(s) (het door het hof opgevraagde verzoekschrift 11 april 2016).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 28 oktober 2016 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [I] en mevrouw [J] .

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de verbroken relatie van de ouders - die van 2005 tot januari 2016 hebben samengewoond - zijn geboren [in] 2005 te [K] (Duitsland) [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), [in] 2007 te [K] (Duitsland) [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ) en [in] 2011 te [H] [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ). De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

3.2

[de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] staan sinds 24 november 2014 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt tot 24 november 2016.

3.3

De kinderen zijn op 17 maart 2015 op verzoek van de raad met spoed uit huis geplaatst. De machtiging uithuisplaatsing is laatstelijk verlengd tot 24 mei 2016.

3.4

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een gezinshuis verlengd tot uiterlijk 24 november 2016, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een gezinshuis verleend tot uiterlijk 24 november 2016 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige3] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 24 november 2016.

3.5

Ter ontlasting van de ouders is vanaf medio 2014 vakantie/weekendpleegzorg ingezet voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . [de minderjarige3] is op 17 maart 2015 bij zijn huidige pleegouders geplaatst. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn op 17 maart 2015 gezamenlijk in een ander pleeggezin geplaatst. [de minderjarige2] is op 27 november 2015 overgeplaatst naar haar huidige gezinshuisouders die aanvankelijk haar pleegouders waren. [de minderjarige1] verblijft sinds 5 februari 2016 bij haar huidige gezinshuisouders.

4 De omvang van het geschil

De ouders zijn met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

18 april 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De ouders verzoeken de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank, althans de beschikking van de rechtbank te vernietigen met een zodanige uitspraak als het hof juist acht.

5 De motivering van de beslissing

Handtekening

5.1

Volgens de ouders zijn het verzoek van de GI en de daarop gegeven beschikking van de rechtbank nietig. Zij voeren daartoe aan dat het verzoekschrift van de GI niet is voorzien van een originele handtekening, maar van een gescand exemplaar. De GI heeft daartegen ingebracht dat niet is aangetoond noch aannemelijk gemaakt dat de gescande handtekening niet afkomstig is van de GI. Mevrouw [I] heeft ter zitting bevestigd dat het om haar handtekening gaat.

5.2

Per 1 maart 2008 is de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer in werking getreden. Sindsdien is in artikel 33 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een algemene regeling met betrekking tot het elektronisch verzenden van berichten aan en door de civiele gerechten opgenomen. Ingevolge het systeem van rechtsvordering is artikel 33 Rv zowel van toepassing in dagvaardings- als in verzoekschriftprocedures en eveneens in procedures in hoger beroep. De artikelen 3:15a en 3:15b Burgerlijk Wetboek (BW) geven nadere regels voor authentificatie van elektronische berichten. Ingevolge artikel 3:15c BW zijn deze bepalingen ook buiten het vermogensrecht van toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

5.3

Ingevolge artikel 3:15a lid 1 BW heeft een elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening, indien de methode die daarbij is gebruikt voor authentificatie voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische gegevens werden gebruikt en op alle overige omstandigheden van het geval.

5.4

Onder een elektronische handtekening wordt bijvoorbeeld verstaan een gescande handtekening van een papieren drager (MvT, Kamerstukken II 2006/07, 30 815, nr. 3, p. 14-15).

5.5

De GI heeft bij monde van mevrouw [I] ter zitting uitgelegd dat ondertekening van verzoekschriften met gescande handtekeningen tegenwoordig in haar organisatie de gebruikelijke werkwijze is. Mevrouw [I] heeft aangegeven dat het verzoekschrift wordt getypt door de betreffende gezinsvoogd, in dit geval zijzelf, dat de gezinsvoogd het verzoekschrift per mail aanlevert bij het secretariaat van de GI, dat het secretariaat het verzoekschrift vervolgens overzet en uitprint op briefpapier van de GI en daarbij de digitale handtekening van de betreffende gezinsvoogd invoegt, dat alleen het secretariaat toegang tot die stukken heeft, dat het secretariaat de tekst van het verzoekschrift niet wijzigt, zelfs niet in geval van typefouten van de gezinsvoogd, dat het secretariaat het gescande verzoekschrift in zijn geheel terugstuurt naar de gezinsvoogd en dat het de gezinsvoogd is die uiteindelijk zijn of haar goedkeuring geeft.

Voorheen moesten de gezinsvoogden persoonlijk op het secretariaat komen om hun handtekeningen op het originele briefpapier van de GI te plaatsen. Aangezien het secretariaat zich echter op het hoofdkantoor van de GI bevindt en niet alle gezinsvoogden daar fysiek werkzaam zijn ging er op die manier veel te veel (reis)tijd overheen om de verzoekschriften de deur uit te krijgen, aldus mevrouw [I] .

5.6

De Hoge Raad heeft in 1992 reeds geoordeeld (ECLI:NL:HR:1992:ZC0778) dat een redelijke, met de voortgang van de communicatietechniek rekening houdende en met de eisen van een goede procesorde verenigbare wetstoepassing met zich brengt dat, ingeval een naar behoren ondertekend verzoekschrift volledig, met de daarop zichtbare ondertekening, per fax wordt verzonden naar en ontvangen door de griffie van het gerecht waarbij het moet worden ingediend, de ter griffie ingekomen faxkopie dient te worden aangemerkt als een naar behoren ondertekend verzoekschrift. Het hof is van oordeel dat een gescande handtekening in het huidige digitale tijdperk minstens vergelijkbaar is met die op een faxkopie. Het hof gaat dan ook niet mee met de eis van de ouders dat het verzoekschrift een zogenaamde "natte" handtekening moet bevatten.

5.7

Gezien het vorenstaande acht het hof de gescande handtekening van mevrouw [I] onder het verzoekschrift van de GI voor authentificatie voldoende betrouwbaar. Een dergelijk gescande handtekening doet volgens het hof in de gegeven omstandigheden niet onder voor een originele handtekening. Voor het hof bestaat geen twijfel dat de gescande handtekening afkomstig is van mevrouw [I] . Nu verder gesteld noch gebleken is dat de GI als organisatie niet betrouwbaar is of de werkwijze onzorgvuldig plaatsvindt, ziet het hof geen enkel beletsel de ondertekening van het verzoekschrift van de GI acceptabel te achten. De door mr. Römelingh ter zitting aangehaalde uitspraken zien op andersoortige procedures (straf-/bestuurszaken) en/of situaties.

5.8

Met de GI is het hof daarom van oordeel dat sprake is van een naar behoren ondertekend verzoekschrift in de zin van artikel 278 lid 2 Rv. Voor niet-ontvankelijkheid van de GI in verband met nietigheid van het ingediende verzoekschrift, en terugverwijzing naar de rechtbank, zoals verzocht, is reeds daarom geen plaats.

Uithuisplaatsing

5.9

Anders dan de rechtbank beschouwt het hof het verzoekschrift van de GI van

11 april 2016 als een wijziging van haar eerdere verzoekschrift van 29 maart 2016 in die zin dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een andere voorziening (gezinshuis) dient te worden voortgezet dan aanvankelijk was verzocht (pleeggezin). Nu de wet sinds 1 januari 2015 niet langer meerdere categorieën uithuisplaatsing kent is voor zowel [de minderjarige1] en [de minderjarige3] als voor [de minderjarige2] onverminderd sprake van een verlengingsprocedure.

5.10

Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.11

De ouders kunnen zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] over de periode van 24 mei 2016 tot 24 november 2016 niet verenigen. Zij voeren aan dat de kinderen bij de moeder kunnen komen wonen, nu de spanningen in de thuissituatie zijn opgeheven door hun uiteengaan, de moeder geen plannen meer heeft om naar Duitsland te verhuizen en zij in staat is de kinderen te verzorgen en op te voeden. Voorts blijkt niet dat de kinderen al elders zijn gehecht. De ouders zijn van mening dat de gedragsproblemen van de kinderen zijn veroorzaakt door de uithuisplaatsing en overplaatsingen en niet in en door de thuissituatie. De ouders zijn van mening dat een buitenhuis- of netwerkplaatsing ook tot de mogelijkheden behoort.

5.12

De GI is van mening dat voorafgaand aan de uithuisplaatsing voldoende hulpverlening is ingezet, helaas zonder het gewenste resultaat. De uithuisplaatsing was daardoor en is nog steeds nodig om de kinderen de verzorging en opvoeding te geven die zij nodig hebben, aldus de GI. De kinderen hebben gezien de zorgen over hun gedrag en ontwikkeling alle drie afzonderlijk opvoeders nodig met bovengemiddelde opvoedvaardigheden. Er is geen zicht gekomen op de opvoedvaardigheden en leerstrategie van de moeder. De moeder is de mogelijkheid geboden om samen met de kinderen in [L] een gezinsonderzoek te ondergaan, maar daar wilde zij niets van weten, aldus de GI. Nu er te veel vragen en onduidelijkheden over de opvoedvaardigheden van de moeder zijn kunnen de kinderen niet bij haar wonen. De aanvaardbare termijn is volgens de GI nu ook aan de orde. Voor de kinderen is het noodzakelijk om te weten waar zij zullen opgroeien, aldus de GI.

5.13

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de ouders aanvoeren, de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Bij de voorlaatste verlengingsbeschikking van

29 oktober 2015 heeft de kinderrechter geoordeeld dat binnen een half jaar duidelijkheid diende te ontstaan ten aanzien van de opvoedvaardigheden en de leerstrategie van de moeder (via een IQ-test) en de huisvesting van de ouders. Ten aanzien van de huisvesting van de ouders was genoemde duidelijkheid binnen de gestelde termijn weliswaar ontstaan, maar ten aanzien van de opvoedvaardigheden (in de vorm van een persoonlijkheidsonderzoek) en de leerstrategie van de moeder niet. Het gebrek aan zicht op de competenties en mogelijkheden van de moeder heeft de GI mede aan haar onderhavige verlengingsverzoek van 29 maart 2016 ten grondslag gelegd. De moeder heeft daar tegen ingebracht dat zij wel degelijk haar best heeft gedaan om de nodige informatie te verschaffen. Zij stelt echter driemaal tevergeefs bij verschillende psychologen om een IQ-test en een persoonlijkheidsonderzoek te hebben gevraagd. Gebleken is dat deze verzoeken van de moeder steeds niet in behandeling worden genomen, omdat zij geen gerichte eigen hulpvraag heeft, althans niet anders dan dat zij haar kinderen weer thuis wil hebben. Complicerende factor in dit verband lijkt te zijn, zo heeft het hof ook ter zitting waargenomen, dat de moeder de gestelde problemen in het geheel niet (h)erkent. Dit geldt zowel voor de eerder in de thuissituatie bij de ouders gesignaleerde problemen als voor de (gedrags)problemen die de kinderen sinds de uithuisplaatsing laten zien. Volgens de moeder is het huidige gedrag van de kinderen een rechtstreeks gevolg van de in haar ogen nog immer onterecht voltrokken (spoed)uithuisplaatsing. Op verzoek van de ouders heeft het hof de rechtmatigheid van die uithuisplaatsing echter reeds getoetst en bij beschikking van 8 september 2015 bekrachtigd. Daarmee staat vast dat uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] op 17 maart 2015 noodzakelijk was in het belang van hun verzorging en opvoeding. De ontkennende en strijdende opstelling van de moeder maakt het voor de hulpverlening, zo ervaart ook de GI, moeilijk om tot de in het belang van de kinderen vereiste samenwerking te komen.

5.14

In de periode van 29 oktober 2015 tot 26 mei 2016 zijn naast de reeds door de kinderrechter op 29 oktober 2015 aanwezig geoordeelde gronden voor verlenging van de uithuisplaatsing, toenemende zorgen naar voren gekomen over het gedrag en de ontwikkeling van de kinderen. In hun (aanvankelijke) pleeggezinnen is duidelijk geworden dat de kinderen zeer intensieve zorg nodig hebben, hetgeen een specifieke benadering vraagt. Om de pleegouders ondersteuning te bieden en om te onderzoeken wat de kinderen individueel nodig hadden is in beide gezinnen Pleegzorg Plus-begeleiding ingezet. Voor (de pleegouders van) [de minderjarige3] is dit vooralsnog voldoende geweest. De zorg die [de minderjarige2] en [de minderjarige1] nodig hebben is echter dermate specifiek en intensief gebleken dat plaatsing in een gezinshuis nodig was.

5.15

De door de GI in haar verzoekschrift opgesomde kindkenmerken, afgeleid uit de verslagen van [M] , [N] en [O] , zijn op zichzelf bezien mogelijk niet direct verontrustend, zoals namens de ouders is gesteld, maar laten in gezamenlijkheid wel een zorgelijk beeld zien van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de individuele kinderen.

Voor het hof is duidelijk dat [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ieder voor zich opvoeders nodig hebben met bovengemiddelde opvoedvaardigheden.

5.16

Vaststaat dat de moeder, in ieder geval in de situatie dat zij nog samenleefde met de vader, [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] niet de veiligheid heeft kunnen bieden die de kinderen, destijds nog maar negen, zeven respectievelijk drie jaar oud, nodig hadden. Het hof is daarom van oordeel dat het na de uithuisplaatsing aan de moeder was om aan te tonen dat zij daar, mogelijk als gevolg van de relatiebreuk met de vader, (gaandeweg) wel toe in staat was. Zij heeft de haar daartoe geboden kans van gezinsopname in Beilen echter niet gegrepen. Hetgeen de moeder ter zitting heeft aangegeven over de reden daarvan overtuigt niet.

5.17

Daarbij komt dat de kinderen na de uithuisplaatsing een positieve ontwikkeling hebben laten zien, met name op het gebied van het herkennen en reguleren van gevoelens. De gezinsvoogd heeft daar ter zitting ook uit eigen ervaring over verteld. Zij kent de kinderen al van voor de uithuisplaatsing en heeft hen nadien zien veranderen. Vooral [de minderjarige1] en [de minderjarige2] lieten in de tijd dat zij nog thuis bij de ouders woonden claimend gedrag zien richting de gezinsvoogd. [de minderjarige3] is inmiddels minder vluchtig, druk en ongecontroleerd, aldus de gezinsvoogd. Het lukt hem volgens haar steeds beter om minder bezig te zijn met wat er allemaal om hem heen gebeurt. De sociaal-emotionele groei die de kinderen, ieder naar zijn of haar individuele (beperkte) vermogen, sinds de uithuisplaatsing hebben laten zien, lijken de tekortkomingen op het gebied van individuele ondersteuning en leeftijdsadequate benadering van de kinderen in de thuissituatie bij de ouders, die de thans van kracht zijnde maatregelen van kinderbescherming noodzakelijk hebben gemaakt, alleen maar te bevestigen. Zonder enig zicht op de (individuele) (actuele) opvoedingsvaardigheden en leerstrategie van de moeder, acht het hof thuisplaatsing van de kinderen bij haar daarom onverantwoord, temeer nu zij niet of nauwelijks een ondersteunend netwerk heeft in Nederland.

Het hof is van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging de continuïteit van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en de veiligheid in hun dagelijkse verzorging en opvoeding niet is gewaarborgd en beoordeelt de verlenging van de uithuisplaatsing tot uiterlijk 24 november 2016 dan ook noodzakelijk.

5.18

[O] heeft op 12 oktober 2015 een verslag met haar visie op het perspectief van de kinderen gemaakt en daarover advies uitgebracht aan de GI. Volgens [O] is er onvoldoende basis dat de ontwikkeling van de kinderen in de thuissituatie bij de moeder wordt gestimuleerd en dat er aangesloten wordt bij dat wat ze nodig hebben. [O] adviseert geen terugplaatsing naar de moeder maar het verder in kaart brengen van kindfactoren en dat wat zij nodig hebben van een opvoeder. De GI onderschrijft dat advies. Ook de kinderrechter heeft op 18 april 2016 geoordeeld dat het perspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt. Hoewel een oordeel over het perspectief voor de onderhavige (reeds binnen enkele dagen verstrijkende) verlenging gezien het vorenstaande voor het hof niet van doorslaggevend belang is, acht het hof, zoals ruim een jaar geleden ook al overwogen, het thans echt van het grootste belang dat op korte termijn duidelijkheid ontstaat over het toekomstperspectief van de kinderen. De raad schreef nota bene op 5 november 2014 al dat de kinderen binnen een termijn van ongeveer een half jaar duidelijkheid moesten krijgen waar zij verder zouden gaan opgroeien. Inmiddels zijn we alweer twee jaar verder en is die duidelijkheid er nog steeds niet, althans niet voor de ouders en dan dus ook niet voor de kinderen. Wellicht kan een raadsonderzoek naar een verderstrekkende maatregel hierbij helpend zijn.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover daarbij een beslissing is genomen over [de minderjarige1] en [de minderjarige3] en, gelet op het onder 5.9 overwogene, te vernietigen voor zover daarbij een beslissing is genomen over [de minderjarige2] en (in zoverre) opnieuw te beschikken als na te melden.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 18 april 2016 voor zover het [de minderjarige1] en [de minderjarige3] betreft;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 18 april 2016 voor zover het [de minderjarige2] betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een gezinshuis, tot uiterlijk

24 november 2016;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, I.A. Vermeulen en

B.F. Keulen, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 22 november 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.