Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9412

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
WAHV 200.168.567
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

a. Het hof oordeelt op basis van de toepasselijke wetsartikelen en de in het arrest beschreven mandaatconstructie dat voldoende is komen vast te staan dat de medewerker van de CVOM, die op 1 oktober 2013 op het beroep heeft beslist, daartoe bevoegd was. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de CVOM op 1 oktober 2013 nog niet als afzonderlijk parket van het openbaar ministerie gold.

b. Het argument van de betrokkene dat de verbalisant niet bevoegd zou zijn tot oplegging van de sanctie, omdat hij als BOA in het domein generieke opsporing niet is beëdigd namens de bevoegde minister, slaagt evenmin. De akte van beëdiging van de verbalisant is namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ondertekend door een met name genoemde teammanager BTR van de Dienst Justis. Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar bepaalt dat de minister van Veiligheid en Justitie de BOA beëdigt en ten behoeve van de beëdiging een akte van beëdiging opmaakt. Andere relevante bepalingen, de wetsgeschiedenis en de feitelijke gang van zaken leiden tot het oordeel dat de bevoegdheid van de minister om een BOA te beëdigen, kon worden uitgeoefend door zijn staatssecretaris en ook aan deze is opgedragen. Uit een schriftelijk stuk kan worden geconcludeerd dat op juiste wijze toepassing is gegeven aan de relevante voorschriften met betrekking tot ondermandaatverlening aan de teammanager BTR van de Dienst Justis. De verbalisant is op juiste wijze beëdigd en was bevoegd om de sanctie op te leggen.

c. Het verweer dat geen sanctie kan worden opgelegd aan een rechtspersoon jonger dan 12 jaar, faalt. Een redelijke uitleg van artikel 3, tweede lid, WAHV, brengt mee dat deze leeftijdsgrens slechts ziet op natuurlijke personen.

d. Het verzoek tot vergoeding van proceskosten voor rechtsbijstand wordt afgewezen. De Stichting heeft de autobestuurster ten tijde van de gedraging en tevens huisgenoot van de gemachtigde gemachtigd. Zij heeft op haar beurt de gemachtigde ingeschakeld. Nu de gemachtigde statutair bestuurder van de Stichting is, kan hij ondanks deze constructie niet tevens worden aangemerkt als een derde die aan de Stichting beroepsmatig rechtsbijstand verleent.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2017/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.168.567

24 november 2016

CJIB 172698120

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 27 januari 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: de Stichting ),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

advocaat te [vestigingsplaats] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 22 april 2016 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Naar aanleiding van het tussenarrest van 22 april 2016 heeft de advocaat-generaal schriftelijk een nader standpunt ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft een schriftelijke reactie gegeven op het nadere standpunt van de advocaat-generaal.

Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van het hof.

Beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep

1. Voor zover hier van belang kan ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de WAHV tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 58,-. Op grond hiervan dient het hoger beroep van de betrokkene in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. De gemachtigde van de betrokkene doet een beroep op doorbreking van het appelverbod. Hij voert daartoe aan dat hij geen oproep heeft ontvangen voor de zitting van de kantonrechter.

3. Het hof is van oordeel dat wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van artikel 14, eerste lid, van de WAHV is gewettigd. Indien een partij niet behoorlijk is opgeroepen om te worden gehoord en de rechter niettemin een beslissing in de zaak van die partij neemt, kan er naar het oordeel van het hof sprake zijn van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

4. Artikel 12, eerste lid, van de WAHV luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen.”

5. Ingevolge artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde gezonden.

6. Het dossier bevat een aan de gemachtigde gerichte brief, gedateerd 17 december 2014, inhoudende een uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter van 27 januari 2015. Deze brief is correct geadresseerd en voorzien van een paraaf van de griffier van de rechtbank. Echter, niet kan worden vastgesteld of deze oproepingsbrief een origineel dan wel een afschrift betreft. Uit de stukken blijkt daarnaast niet - uit een aantekening, stempel of anderszins - of en wanneer (het origineel dan wel een afschrift van) deze brief zou zijn verzonden. Mede in het licht van het ontbreken van een deugdelijke verzendadministratie, kan derhalve niet worden vastgesteld dat de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 1 oktober 2014, zodat artikel 12, eerste lid, van de WAHV juncto artikel 6:17 van de Awb is geschonden.

7. Gelet op het voorgaande is sprake van een zodanige schending van het beginsel van hoor en wederhoor dat het appelverbod van artikel 14, eerste lid, van de WAHV moet worden doorbroken. Het hoger beroep van de betrokkene zal derhalve ontvankelijk worden geacht en de beslissing van de kantonrechter zal in verband met het voorgaande worden vernietigd. Ter beoordeling van het hof staat vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

8. De griffier van het hof heeft de gemachtigde op grond van het voorgaande opgeroepen voor de zitting van het hof van 19 februari 2016.

9. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 58,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 9 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 23 maart 2013 om 11.14 uur op de Wibautstraat te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

10. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de betrokken verbalisant niet bevoegd was om een administratieve sanctie op te leggen aan een rechtspersoon die korter dan 12 jaar geleden is ontstaan. Hij wijst daarbij op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de WAHV.

Daarnaast heeft de gemachtigde aangevoerd dat de weginrichting ter plaatse in het geheel niet is aangepast aan de geldende maximum snelheid van 50 km/h, in welk geval het - naar zijn mening - onacceptabel is toch handhavend op te treden.

Verder heeft de gemachtigde aangevoerd dat de in deze zaak betrokken verbalisant - een buitengewoon opsporingsambtenaar in het domein generieke opsporing - in strijd met de toepasselijke wettelijke voorschriften is beëdigd namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, en niet namens de minister die daartoe bevoegd was. De akte van beëdiging beschouwt de gemachtigde daarom als ongeldig. Nu geen sprake is van een op rechtsgeldige wijze beëdigde verbalisant, dient aan de verklaring van de verbalisant niet meer waarde te worden toegekend dan aan een verklaring van een willekeurige andere persoon, zo stelt de gemachtigde.

Tenslotte heeft de gemachtigde aangevoerd dat onduidelijk is welke ambtenaar van de CVOM op het administratief beroep heeft beslist, zodat ook niet valt na te gaan of de bevoegdheid om op het administratief beroep te beslissen door de officier van justitie aan die persoon gemandateerd was. De door de advocaat-generaal verstrekte nadere informatie hieromtrent volstaat volgens de gemachtigde niet om de bevoegdheid van de door de advocaat-generaal genoemde medewerker vast te stellen.

Ten aanzien van de bevoegdheid om op het administratief beroep te beslissen

11. Artikel 6, eerste lid, van de WAHV schrijft voor dat degene tot wie de beschikking is gericht, daartegen beroep kan instellen bij de officier van justitie in het arrondissement waar de gedraging is verricht dan wel, indien niet kan worden vastgesteld in welk arrondissement de gedraging is verricht, bij de officier van justitie in het arrondissement van de woonplaats van de betrokkene.

12. De gedraging die de betrokkene wordt verweten zou zijn verricht in het arrondissement Amsterdam, zodat de officier van justitie in dat arrondissement bevoegd is om op het administratief beroep in deze zaak te beslissen.

13. Uit de door de advocaat-generaal verstrekte informatie blijkt het volgende. De hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam heeft voornoemde bevoegdheid bij algemeen mandaatbesluit van 1 januari 2013, onder verwijzing naar hoofdstuk 10, afdeling 10.1.1 van de Awb, gemandateerd aan de hoofdofficier van justitie/directeur van de CVOM. In dit mandaatbesluit is tevens toestemming verleend aan de hoofdofficier van justitie/directeur van de CVOM om de gemandateerde bevoegdheid in schriftelijk ondermandaat op te dragen aan medewerkers van de CVOM die belast zijn met

- voor zover hier van belang - het inhoudelijk beoordelen van en het beslissen op bezwaar- en beroepschriften voortvloeiend uit de WAHV.

Vervolgens heeft de hoofdofficier van justitie/directeur van de CVOM bij ondermandaatbesluit van 1 januari 2013 - voor zover hier van belang - ondermandaat verleend aan de medewerkers van de afdeling Mulder van de CVOM, om te beslissen op beroepschriften in de zin van de WAHV waarvoor de hoofdofficier van justitie/directeur van de CVOM zelfstandig bevoegd is dan wel waarvoor hij is gemandateerd door de hoofdofficieren van justitie bij de arrondissementsparketten. Daarbij is vermeld dat een lijst met medewerkers van de CVOM, die onder de ondermandaatregeling vallen, onderdeel uitmaakt van het ondermandaatbesluit. Volgens de advocaat-generaal bleek het actueel houden van deze lijst van medewerkers in de praktijk, wegens de vele personele wijzigingen, ondoenlijk, zodat op enig moment werd volstaan met het bij het ondermandaatbesluit voegen van de aktes van aanstelling van de betreffende medewerkers van de CVOM.

In de onderhavige zaak is, blijkens de door de advocaat-generaal verstrekte informatie, op het administratief beroep beslist door [medewerker CVOM] , die van 1 september 2013 tot 1 februari 2014 was aangesteld als medewerker Verwerken & Behandelen bij de CVOM, en wiens akte van aanstelling bij het ondermandaatbesluit was gevoegd.

14. Uit het bepaalde in artikel 7, eerste lid, WAHV volgt dat hoofdstuk 10, titel 10, afdeling 10.1.1 van de Awb - betreffende het mandaat - hier van toepassing is.

15. Artikel 10:3 van de Awb bepaalt - voor zover van belang - dat het een bestuursorgaan is toegestaan om mandaat te verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet dan wel ingeval zich één van de in artikel 10:3 van de Awb genoemde uitzonderingen voordoet.

16. Artikel 10:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de mandaatgever kan toestaan dat ondermandaat wordt verleend.

17. Bij algemeen mandaatbesluit van 1 januari 2013 heeft de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, zijnde het hoofd van het parket van de in dit geval bevoegde officier van justitie, de bevoegdheid om op het administratief beroep te beslissen gemandateerd aan de hoofdofficier van justitie/directeur van de CVOM en daarbij toestemming gegeven voor het verlenen van ondermandaat aan de medewerkers van de afdeling Mulder van de CVOM. Deze mandaatconstructie is in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 10:3 en 10:9 van de Awb. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de CVOM op 1 oktober 2013, ten tijde van de beslissing op administratief beroep in deze zaak, nog niet als afzonderlijk parket van het openbaar ministerie gold, dat de aard van de bevoegdheid en de regeling waarop deze bevoegdheid steunt - de WAHV - zich niet tegen de mandaatverlening verzetten, en ook anderszins niet gebleken is van strijdigheid met enig wettelijk voorschrift.

18. Het hof ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat [medewerker CVOM] , toenmalig CVOM-medewerker, degene is die het administratief beroep feitelijk heeft beoordeeld en daarop heeft beslist. Dat louter de akte van aanstelling van die Versteeg bij het ondermandaatbesluit was gevoegd, en dat zijn naam niet was vermeld op de van het ondermandaatbesluit deel uitmakende (niet bijgewerkte) lijst met medewerkers, maakt niet dat deze ondermandaatverlening in strijd met de toepasselijke wettelijke voorschriften moet worden geacht. Dat die lijst met medewerkers niet langer werd bijgewerkt, is naar het oordeel van het hof voldoende ondervangen door de bijvoeging van de aktes van aanstelling van de betreffende medewerkers. Aldus is de bevoegdheid van die medewerkers voldoende komen vast te staan.

19. Gelet op het voorgaande faalt dit verweer van de gemachtigde. Hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd leidt het hof niet tot de conclusie dat de beslissing op administratief beroep onbevoegd is genomen en daarom vernietigd moet worden.

Ten aanzien van de beëdiging van de verbalisant

20. Artikel 142, eerste lid en onder a, van het Wetboek van Strafvordering houdt in

- voor zover van belang - dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn belast, de personen aan wie door de minister van Veiligheid en Justitie, onderscheidenlijk het College van procureurs-generaal, een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend.

21. Op grond van het bepaalde in artikel 2 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar dient een buitengewoon opsporingsambtenaar tevens te beschikken over een akte van beëdiging, teneinde zijn opsporingsbevoegdheid te kunnen uitoefenen en daarvan ambtsedig proces-verbaal te kunnen opmaken.

22. Het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar houdt in - zakelijk weergegeven - dat de minister van Veiligheid en Justitie de buitengewoon opsporingsambtenaar beëdigt. Artikel 19, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar bepaalt - voor zover hier van belang - dat de minister ten behoeve van de beëdiging een akte van beëdiging opmaakt.

23. Artikel 46, tweede lid, van de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden van 24 augustus 1815 (verder: de Grondwet) bepaalt dat een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister optreedt. De staatssecretaris is in dat geval uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

24. Uit de gegevens in het zaakoverzicht van het CJIB blijkt dat onderhavige sanctie is opgelegd door verbalisant [verbalisant] , buitengewoon opsporingsambtenaar domein generieke opsporing. Het nummer van de akte van beëdiging is 6038875/0. Uit de akte van beëdiging van verbalisant [verbalisant] en het proces-verbaal van diens beëdiging blijkt, voor zover hier van belang, dat [verbalisant] een geldige titel van opsporingsbevoegdheid heeft en dat hij is beëdigd tot buitengewoon opsporingsambtenaar voor het domein generieke opsporing. De akte van beëdiging is opgemaakt door [teammanager BTR] , teammanager BTR, namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

25. Het hof wordt gesteld voor de vraag of de onder 22. genoemde bevoegdheid van de minister van Veiligheid en Justitie kon worden uitgeoefend door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, zodat de akte van beëdiging door voornoemde [teammanager BTR] kon worden opgemaakt namens de staatssecretaris.

26. Uit de Memorie van Toelichting op het toenmalige voorstel tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de Koning en de ministers alsmede de staatssecretarissen (MvT I, Kamerstuk Tweede Kamer 1979-1980, kamerstuknummer 16035, ondernummer 3, p. 8) volgt dat de bevoegdheid van de staatsecretaris om als minister ad interim op te treden wordt beperkt tot die gevallen waarin de te vervangen minister zulks nodig acht en diens bevoegdheid aanwijzingen te geven in beginsel tot haar recht kan komen.

27. Artikel 1 van het Besluit van de minister van Veiligheid en Justitie van 16 november 2012, houdende bekendmaking van de taak waarmee de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie meer in het bijzonder zal zijn belast (Stcrt. 2012, nr. 24375), houdt in dat de toenmalige staatssecretaris van Veiligheid in Justitie binnen de grenzen van het door de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde beleid, onder meer was belast met de aangelegenheden betreffende de portefeuille persoonsgerichte preventie.

28. Het hof stelt vast dat de onderwerpen waarmee de staatssecretaris in het bijzonder is belast tamelijk algemeen zijn geformuleerd. Voorts, gelet op de feitelijke gang van zaken, kan als uitgangspunt gelden dat de minister de staatssecretaris heeft belast met de beëdiging van (buitengewoon) opsporingsambtenaren. De reikwijdte van de portefeuille persoonsgerichte preventie is in voornoemd besluit niet nader ingevuld. Het hof acht in dit geval voldoende aangetoond dat de taak die hier in het geding is, de beëdiging van buitengewoon opsporingsambtenaren, een taak is die geacht kan worden binnen deze

portefeuille te vallen. De beëdiging is vereist om de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn opsporingsbevoegdheid te kunnen laten uitoefenen en daarvan ambtsedig proces-verbaal op te maken. Ingeval de buitengewoon opsporingsambtenaar, met gebruikmaking van zijn opsporingsbevoegdheid, een gedraging constateert en besluit hiervoor al dan niet een sanctie op te leggen, gaat van dat (handhavende) optreden mede een preventieve werking uit. De gemachtigde, die stelt dat de beëdiging van buitengewoon opsporingsambtenaren niet onder de portefeuille persoonsgerichte preventie kan worden gebracht, miskent dat.

29. Ter zitting van het hof van 19 februari 2016 is door de advocaat-generaal een schriftelijk stuk ingediend, waarin uitgebreid is toegelicht dat, en met toepassing van welke voorschriften, ondermandaat van onderhavige bevoegdheid is verleend aan [teammanager BTR] , teammanager BTR van de Dienst Justis, die de akte van beëdiging namens de staatssecretaris heeft ondertekend. In reactie op dat stuk heeft de gemachtigde gepersisteerd bij zijn standpunt dat de staatssecretaris niet in de plaats van de minister aan de basis van deze ondermandaatverlening kan staan (welk verweer op grond van het voorgaande niet slaagt), maar voor het overige niet betwist dat op juiste wijze toepassing is gegeven aan de relevante voorschriften met betrekking tot deze ondermandaatverlening. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de door de advocaat-generaal verstrekte nadere informatie geen aanleiding geeft voor een andersluidend oordeel, ziet het hof geen aanleiding om de ondermandaatverlening als gebrekkig aan te merken.

29. Gelet op het voorgaande faalt het verweer van de gemachtigde, dat onderhavige akte van beëdiging als ongeldig moet worden beschouwd.

Ten aanzien van de verweten gedraging en de daarvoor opgelegde sanctie

31. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat namens de betrokkene de gedraging niet wordt ontkend, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij acht het hof nog van belang dat de ambtsedige verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, inhoudt dat de snelheidsmeting die tot voormelde constatering heeft geleid, is verricht met gebruikmaking van een voor de meting geteste, geijkte en op voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel. Er bestaat geen aanleiding tot enige twijfel aan die verklaring. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

32. De enkele, niet nader onderbouwde stelling van de gemachtigde, dat de weginrichting op de pleeglocatie zich niet verhield tot de geldende maximumsnelheid, geeft daar geen aanleiding toe. Nog daargelaten dat deze stelling in het geheel niet aannemelijk is geworden, bij gebreke aan enige onderbouwing, staat voorop dat de weginrichting niet bepalend is voor de geldende maximumsnelheid, maar de bebording die ter plaatse aanwezig is. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat de pleeglocatie is gelegen binnen de bebouwde kom - aangegeven middels bord H1 uit de bijlage van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - waar, tenzij anders aangegeven, een maximumsnelheid van 50 km per uur geldt. Reeds daarom kan dit verweer niet slagen.

32. Het verweer van de gemachtigde, dat de betrokken verbalisant niet bevoegd was om onderhavige sanctie aan een rechtspersoon jonger dan 12 jaar op te leggen, kan evenmin slagen. Deze stelling berust op een onjuiste lezing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, WAHV. Een redelijke uitleg van die bepaling brengt mee dat de daar bedoelde leeftijdsgrens slechts ziet op natuurlijke personen.

34. Nu de gedraging vaststaat en er geen reden bestaat de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen, zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van proceskosten

35. Nu de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, komt het verzoek om vergoeding van proceskosten, voor zover het de kosten betreft die zijn gemaakt in hoger beroep, in beginsel voor toewijzing in aanmerking.

36. Het verzoek betreft de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In dat verband overweegt het hof dat de onderhavige administratieve sanctie is opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig waarmee de gedraging is verricht, te weten [betrokkene] (verder: De Stichting ), waarvan, zoals het hof ambtshalve bekend is, de gemachtigde de statutair bestuurder is. De gemachtigde heeft dit ter zitting van het hof bevestigd. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting van het hof blijkt verder dat De Stichting [bestuurster] , bestuurster van het voertuig ten tijde van de gedraging en daarnaast huisgenoot van de gemachtigde, heeft gemachtigd om beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking. Vervolgens heeft [bestuurster] de gemachtigde gemachtigd om namens haar beroep in te stellen. Gezien deze constructie is het hof van oordeel dat de gemachtigde, statutair bestuurder van De Stiching , niet tevens kan worden aangemerkt als een derde die aan de Stichting beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Dat er, zoals hij heeft betoogd, een zakelijke overeenkomst tussen de gemachtigde en [bestuurster] bestaat, op grond waarvan hij gedurende de procedure is opgetreden, doet daar niet aan af. Het hof zal derhalve het verzoek om vervoeging van proceskosten afwijzen, voor zover het betreft de opgevoerde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

37. Het hof ziet wel aanleiding de door de gemachtigde gemaakte kosten, ten behoeve van het bijwonen van de zitting van het hof, te vergoeden. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 worden de reiskosten berekend naar het tarief per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Derhalve zal het hof ter zake van reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting in Leeuwarden een bedrag toekennen van € 50,40 ( [vestigingsplaats] - Leeuwarden v.v. per trein).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep, gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 50,40.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.