Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:936

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
200.176.291
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbod/vervangende toestemming verhuizing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.176.291

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 284602)

beschikking van de familiekamer van 9 februari 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L. Bosch te Hoorn,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.F. Smallenbroek te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 24 juli 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 8 september 2015;

- het verweerschrift, ingekomen op 16 oktober 2015;

- een journaalbericht van mr. Bosch van 4 januari 2016 met bijlagen, ingekomen op 5 januari 2016;

- een journaalbericht van mr. Smallenbroek van 5 januari 2016 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 19 januari 2016 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [A] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op 10 juli 2007 met elkaar gehuwd.

3.2

Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [kind 1] , op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , en

- [kind 2] , op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

3.3

Bij ouderschapsplan, door de ouders ondertekend op 16 april 2015, zijn de ouders, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

“ [kind 1] en [kind 2] verblijven één weekend per 14 dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 19.00 bij hun vader. Daarnaast één woensdag per 14 dagen en wel de tweede woensdag na het omgangsweekend na schooltijd tot 18.30 uur.

Ouders kunnen in onderling overleg andere afspraken met elkaar maken m.b.t. de dagen en nachten.”

3.4

Bij beschikking van 1 juli 2015 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3.5

De echtscheidingsbeschikking is op 31 augustus 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.6

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 8 juni 2015, heeft de vader verzocht om de moeder te verbieden met de kinderen te verhuizen naar Noord-Holland en, voor het geval dat de moeder wel verhuist, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen.

3.7

Bij verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, heeft de moeder, voor zover hier van belang, de rechtbank verzocht om het verzoek van de vader af te wijzen, alsmede aan haar vervangende toestemming te verlenen om, voor zover nodig tegen een door de rechtbank te bepalen datum, met de kinderen te verhuizen naar [plaats 1] en de moeder tevens vervangende toestemming te verlenen om alles te regelen wat nodig is om de kinderen op het nieuwe adres in te schrijven, waaronder ook, en niet uitsluitend, inschrijving op school, bij de huisarts en tandarts, sportvereniging, etc.

3.8

Bij de bestreden beschikking van 24 juli 2015 heeft de rechtbank de moeder verboden om met de kinderen naar Noord-Holland te verhuizen, de kosten van het geding aldus gecompenseerd, aldus dat de ouders met de eigen kosten belast blijven en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.9

Op 26 augustus 2015 is de moeder met de kinderen verhuisd naar [plaats 1] .

3.10

Bij vonnis in kort geding van 12 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, voor zover hier van belang, in conventie de moeder veroordeeld tot nakoming van de omgangsregeling zoals bepaald in het ouderschapsplan van 16 april 2015, alsmede in reconventie bepaald dat de kinderen voorlopig (totdat de bodemrechter anders heeft beslist dan wel partijen in onderling overleg anders zijn overeengekomen) hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en dat de kinderen ingeschreven zullen worden op basisschool [Basisschool] in [plaats 1] .

4. De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil het door de rechtbank afgewezen verzoek van de moeder om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats 1] te verhuizen.

4.2

De moeder is bij op 8 september 2015 bij het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 24 juli 2015. Zij beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

De moeder verzoekt het hof om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vader alsnog af te wijzen en aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats 1] te verhuizen en hen aldaar op de basisschool [Basisschool] te mogen inschrijven, althans een beslissing te nemen als het hof juist acht, kosten rechtens.

4.3

De vader voert in hoger beroep gemotiveerd verweer.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank, en in hoger beroep aan het hof, worden voorgelegd.

5.2

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW, dient het hof in een geschil als het onderhavige tussen ouders die gezamenlijk zijn belast met het gezag, een zodanige beslissing te nemen als in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoewel het belang van de kinderen een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, de omstandigheden van het geval er toe kunnen leiden dat de belangen van de vader of de moeder zwaarder wegen. Bij de te nemen beslissing heeft het hof - conform vaste rechtspraak - alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, zoals:

- het recht en belang van de moeder om te verhuizen en de vrijheid om haar leven opnieuw in

te richten;

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de moeder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de

verhuizing voor de kinderen en de vader te verzachten en/of compenseren;

- de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de ouder(s) en de kinderen op onverminderd contact met elkaar

en in hun vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de leeftijd van de kinderen en de mate waarin zij geworteld zijn in hun

omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;

- de extra kosten van de omgang na verhuizing.

5.3

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de moeder geen vervangende toestemming dient te worden verleend om met de kinderen te verhuizen naar [plaats 1] en dat haar evenmin de daaruit voortvloeiende toestemming om de kinderen in te schrijven op basisschool [Basisschool] moet worden verleend. Het hof overweegt daartoe als volgt.

5.4

Het hof stelt voorop dat het zeer kwalijk is dat de moeder met de kinderen is verhuisd naar haar nieuwe partner in [plaats 1] , terwijl de rechtbank haar dit expliciet had verboden. Ook de wijze waarop de moeder na een ruzie met de vader met de kinderen is vertrokken naar [plaats 1] verdient naar het oordeel van het hof geen schoonheidsprijs.

5.5

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de moeder met name de noodzaak van de verhuizing onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, evenals de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid met het oog op het belang van de kinderen om zoveel mogelijk in hun vertrouwde sociale omgeving te blijven en met het oog op de continuïteit van de zorgregeling van de vader. Het hof is er in dit verband niet van overtuigd geraakt dat de moeder bij haar beslissing om naar [plaats 1] te verhuizen het belang van de kinderen - die zijn geboren en getogen in [plaats 2] - voor ogen heeft gehad. Kennelijk heeft de moeder zich enkel laten leiden door haar wens om samen te wonen met haar nieuwe partner. Het hof vindt hiervoor bevestiging in de omstandigheid dat de moeder haar huurwoning op 29 augustus 2015 heeft opgezegd, slechts drie dagen na haar verhuizing en voordat zij hoger beroep had ingesteld van de bestreden beschikking. Dit handelen van de moeder, terwijl er een verbod om te verhuizen lag, dient voor haar rekening en risico te blijven.

Voor zover de moeder stelt dat zij op 26 augustus 2015 is gevlucht voor de vader, omdat zij zich onveilig voelde en zij voor haar leven vreesde, overweegt het hof dat deze angst, uitgaande van de stellingen van de moeder niet rechtvaardigt dat de moeder definitief naar [plaats 1] verhuist. Niet is gebleken dat de moeder niet elders kon verblijven totdat de gemoederen tussen partijen tot bedaren waren gekomen. Het voorgaande geldt temeer nu het huwelijk van partijen in die periode is geëindigd en niet uitzonderlijk is dat dit gepaard kan gaan met oplopende spanningen, heftige emoties en ongenuanceerde uitspraken. Het hof merkt in dit verband wel op dat er nimmer rechtvaardiging bestaat voor de door de moeder gestelde doodsbedreiging door de vader.

Het hof acht bij de beantwoording van de vraag of de moeder de noodzaak tot verhuizen aannemelijk heeft gemaakt voorts van belang dat de moeder weliswaar heeft gesteld dat zij in de onderneming van haar nieuwe partner kan werken, maar dat door haar onvoldoende is onderbouwd dat voor haar geen mogelijkheden bestaan om in (de omgeving van) [plaats 2] werk te vinden. Daar komt bij dat de moeder in hoger beroep niet heeft gesteld dat zij in [plaats 1] daadwerkelijk is gaan werken in de onderneming van haar nieuwe partner. Overigens staat de noodzaak evenmin vast, nu niet is gebleken dat de nieuwe partner van de moeder, met wie de relatie nog pril is, niet kan verhuizen.

5.6

De moeder voert voorts aan dat de kinderen inmiddels hun draai hebben gevonden in [plaats 1] . Zij gaan naar school, hebben vriendjes gemaakt en beoefenen sporten. De kinderen hebben volgens de moeder wel hulpverlening nodig voor hetgeen zij bij de vader hebben meegemaakt. De vader stelt daar tegenover dat het niet goed gaat met de kinderen. [kind 2] is niet langer zindelijk en [kind 1] heeft geuit dat zij liever dood zou zijn. Dit is door de moeder niet betwist. Het hof gaat ervan uit dat beide ouders het beste willen voor de kinderen en dat zij beiden goede ouders zijn. De vraag waar het hof thans voor staat is of het op dit moment in het belang van kinderen is om binnen korte tijd weer van woonplaats en daarmee van school en sociale omgeving te veranderen. Gezien de jonge leeftijd van de kinderen, [kind 1] is 8 jaar en [kind 2] is 6 jaar, mede in aanmerking genomen de relatief korte duur van hun verblijf in [plaats 1] , is het hof van mening dat een terugverhuizing naar (de directe omgeving van) [plaats 2] voor hen nu het minst ingrijpend zal zijn, zeker gezien het feit dat zij in [plaats 2] in een voor hen bekende omgeving zullen terugkeren en hier - naast de vader - ook andere familieleden wonen. Het hof realiseert zich dat de terugverhuizing van kinderen met de moeder naar [plaats 2] een grote mentale stap voor de moeder zal zijn. Het hof is er echter van overtuigd dat het belang van de kinderen en de vader in deze zwaarder dient te wegen dan het belang van de moeder. Hierbij oordeelt het hof van belang dat niet is gebleken van zorgelijke signalen over de kinderen toen zij nog in [plaats 2] woonden.

5.7

Voor zover de moeder heeft toegezegd dat zij de overeengekomen zorgregeling tussen de vader en de kinderen onverkort zal handhaven en dat zij de kinderen vanuit [plaats 1] zal blijven brengen naar en ophalen uit [plaats 2] en dat zij daarmee de vader financieel tegemoet komt, overweegt het hof als volgt.

Hoewel de moeder aanvoert dat de kinderen het leuk vinden om met de auto naar de vader te gaan, meent de vader dat de zorgregeling juist onder druk komt te staan en dat de omgang op woensdag niet in het belang van de kinderen is gezien de forse reisttijd heen én weer. De vader is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, waardoor het voor hem op dit moment financieel onmogelijk is om (incidenteel) naar [plaats 1] af te reizen. Daardoor is het voor de vader bijvoorbeeld niet meer mogelijk is om bij gesprekken op school aanwezig te zijn of om te komen kijken bij sportactiviteiten, zoals hij eerder wel deed. Bovendien is het voor hem niet langer mogelijk om spontaan contact te hebben met de kinderen.

Gelet op de genoemde omstandigheden komt de moeder de vader met haar aanbod tot het brengen en halen van de kinderen wel tegemoet in de reguliere zorgregeling, maar kunnen de overige elementen van de zorgregeling, gelet op de eerdere betrokkenheid van de vader, niet worden gecontinueerd.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de uit hun huwelijk geboren kinderen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 24 juli 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.M.J. Schoenaker, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 9 februari 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.