Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9355

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
21-006986-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest in drievoudige levensberoving Dwingelderveld en Exloo. Heropening onderzoek in verband met het doen van nader deskundigenonderzoek en het laten opmaken van aanvullende gedragsrapportages.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006986-15

Uitspraak d.d.: 23 november 2016

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 24 november 2015 met parketnummer 18-930051-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

thans ingeschreven en verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem aan de Meidoornlaan 38 te Veenhuizen.

Het hoger beroep

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde medeplegen van moord op [slachtoffer 1] , het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van gekwalificeerde doodslag van voornoemde [slachtoffer 1] en het meer subsidiair tenlastegelegde medeplegen van doodslag op deze [slachtoffer 1] . Zij heeft verdachte veroordeeld ter zake van – kort gezegd – de onder 1 meest subsidiair tenlastegelegde diefstal met geweld in vereniging, de dood van [slachtoffer 1] ten gevolge hebbend en het medeplegen van moord op het echtpaar [slachtoffer 2 en 3] . De rechtbank heeft verdachte ter zake van deze feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van dertig jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Daarnaast bevat het vonnis de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en heeft de rechtbank schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Ten slotte bevat het vonnis beslissingen met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben beide op 7 december 2015 tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 april 2016, 26 oktober 2016, 27 oktober 2016, 23 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie in eerste aanleg, ertoe strekt dat verdachte ter zake van het onder 1 primair (slachtoffer [slachtoffer 1] ), onder 2 primair (slachtoffer [slachtoffer 2] ) en onder 3 primair (slachtoffer [slachtoffer 3] ) tenlastegelegde, telkens medeplegen van moord, wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

Daarnaast heeft de advocaat-generaal met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen gevorderd deze alle vijf volledig toe te wijzen, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij subsidiair volstaan kan worden met één dag hechtenis. Mocht het hof overgaan tot de oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf dan dient bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel het volledig aantal dagen vervangende hechtenis gehanteerd te worden. Met betrekking tot het beslag is door de advocaat-generaal gevorderd dit overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank af te wikkelen.

Deze op schrift gestelde vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. E. van der Meer en mr. W. Anker, naar voren is gebracht.

Beraadslaging

Tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken, dat het onderzoek ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en het onderzoek naar de persoon van verdachte niet volledig is geweest.

Het hof overweegt ten aanzien van feit 1 als volgt.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft in lijn met en onder verwijzing naar hetgeen de officier van justitie in eerste aanleg en in haar appelschriftuur heeft betoogd, aan haar vordering tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen van moord een scenario ten grondslag gelegd. In dat scenario is bij verdachte en medeverdachte sprake geweest van voorbedachte raad. Bij verdachten was sprake van een wilsbesluit om [slachtoffer 1] van het leven te beroven en was er tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan een periode gelegen waarin verdachten zich hadden kunnen beraden over dat besluit en de gevolgen daarvan.

In het door het openbaar ministerie verdedigde scenario heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] op het smalle bospad gelopen dat parallel loopt aan de greppel, in het dossier ook wel aangeduid als pad A of ruiterpad. Nadat het slachtoffer naar rechts is afgeslagen, het brede bospad op is gelopen en voorbij de punt van de greppel – waar de verdachten in stonden – is gegaan, zijn er eerst drie schoten op het slachtoffer gelost. In de greppel zijn ook drie hulzen aangetroffen. Vervolgens is het slachtoffer op de grond gevallen. Het slachtoffer is daarna aan de voeten of benen versleept en niet – zoals verdachten hebben verklaard – aan de armen of handen. Bij dat verslepen is [slachtoffer 1] jas een stuk omhoog gegaan. Rond dit moment is hij beroofd van zijn spullen en is hem gevraagd naar zijn pincode. Daarna, terwijl het slachtoffer op de grond lag, is er nog een vierde keer geschoten. De advocaat-generaal gaat hierbij uit van een schot in de borst dat qua kennelijke hoekbaan van het schot, past bij het afvuren van een kogel staand vanaf de voeten van het slachtoffer. Het door de advocaat-generaal geschetste scenario met de volgorde – schieten, slepen en nogmaals schieten – past, aldus het openbaar ministerie, ook bij de door de forensisch deskundigen geconstateerde schietsporen in de jas van [slachtoffer 1] . Het openbaar ministerie verwijst daarbij naar 'beschadiging 5'. Die beschadiging is waarschijnlijk een inschotbeschadiging van een kogel. De beschadiging komt qua locatie niet overeen met de in het lichaam aangetroffen inschoten. Deze bevindingen zouden verklaard kunnen worden doordat – kort gezegd – de jas van het slachtoffer tijdens het borstschot al een stukje omhoog geschoven zou zijn. Ter ondersteuning van de conclusie dat er enige tijd tussen de eerste drie schoten en het laatste schot heeft gezeten, heeft de officier van justitie in haar requisitoir in het bijzonder de verklaring van getuige [getuige] aangehaald die heeft verklaard over een langere tussenpoos tussen de op één na laatste en laatste knal die hij heeft gehoord. Ten slotte wordt dit scenario volgens het openbaar ministerie onderbouwd door de buiten de greppel aangetroffen vierde huls. Bij repliek heeft de advocaat-generaal – in reactie op het verweer van de raadsman van de verdachte – het belang van de vindplaats van deze vierde huls extra benadrukt. Daaruit leidt zij af dat het aannemelijk is dat er drie keer vanuit de sloot of greppel en één keer vanaf een andere plek geschoten is. Na het vierde schot zou het lichaam van het slachtoffer gesleept zijn naar een verstopplek, aldus de advocaat-generaal. Die plek was verderop in dezelfde greppel als waar verdachten stonden ten tijde van de eerste schoten. Deze door het openbaar ministerie geschetste gang van zaken zou verklaren waarom de jas uiteindelijk veel verder omhoog bij het slachtoffer heeft gezeten ten tijde van het aantreffen van zijn lichaam, dan de jas ten tijde van de schoten zou moeten hebben gezeten.

Standpunt van de verdediging

Mr. Van der Meer heeft namens verdachte ter zake van alle tenlastegelegde feiten verweer gevoerd.

Specifiek ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feitencomplex heeft de raadsman betoogd dat verdachte weliswaar uit was op het bestelen van [slachtoffer 1] , maar dat hij hem niet om het leven wilde brengen. Hij had daartoe dan ook geen plan met zijn broer – medeverdachte – beraamd. Dit volgt ook uit de door verdachte en zijn broer tot op heden afgelegde verklaringen, waarbij verdachte een andere gang van zaken dan het openbaar ministerie heeft geschetst. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij en zijn broer in de greppel haaks op het brede bospad hebben gewacht totdat [slachtoffer 1] het bos uitkwam. Zijn broer zag dat [slachtoffer 1] aan kwam lopen, voorbij de greppel liep en heeft [slachtoffer 1] vervolgens neergeschoten. Volgens verdachtes verklaringen bij de politie is er twee- tot driemaal geschoten. In eerste aanleg en in hoger beroep heeft verdachte aangegeven dat er drie schoten zijn gelost, die elkaar snel opvolgden.

Op vragen omtrent de aangetroffen vierde huls, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat er dan waarschijnlijk vier schoten zijn gelost. Met betrekking tot de locatie van de vierde huls heeft de raadsman bij pleidooi toegevoegd dat deze door allerlei omstandigheden op een andere plek, gelegen buiten de greppel, terecht kan zijn gekomen en een later gelost vierde schot ook niet in overeenstemming is met de verschillende getuigenverklaringen die melding maken van een korte tijdspanne tussen de schoten. Het verbinden van conclusies omtrent de voorbedachte raad en het opzet op de dood aan de vierde huls zou louter speculatief zijn, aldus de raadsman, hetgeen hij bij dupliek heeft benadrukt. Vervolgens hebben de verdachten [slachtoffer 1] naar een plaats in de greppel gesleept, verder gelegen van het bospad dan waar zij zelf daarvoor in de greppel hadden gestaan. Volgens verdachte is [slachtoffer 1] aan zijn armen gesleept, hetgeen hij bij de politie nader heeft geconcretiseerd als het bij de schouders aan de jas van [slachtoffer 1] slepen en waarbij hij ter terechtzitting in hoger beroep het slepen onder de oksels heeft genoemd. Hierna is [slachtoffer 1] door de verdachten afgedekt met takken en bladeren.

Overwegingen

Het hof overweegt het volgende. Het dossier bevat een aantal processen-verbaal en rapporten dat voor de toetsing van beide scenario's relevant is.

Uit het proces-verbaal van onderzoek plaats delict d.d. 26 januari 20131 volgt dat op de plaats delict vier hulzen zijn aangetroffen. Drie van deze hulzen bevinden zich op de plek – in de greppel – waarover beide verdachten verklaren dat zij hebben staan wachten op [slachtoffer 1] en van waaruit aldus verdachten ook geschoten zou zijn. Dit betreft een locatie in de greppel tussen de 3,40 meter en 5,50 meter afstand vanaf de onverharde weg, ook wel pad B of het brede bospad genoemd. De vierde huls is buiten de sloot of greppel, derhalve naar het hof aanneemt op een hoger gelegen berm en zijwaarts – ten opzichte van de drie hulzen – op enige afstand, doch blijkens het proces-verbaal relaas forensisch onderzoek d.d. 18 mei 20142 in nagenoeg dezelfde lijn, van de overige drie hulzen aangetroffen. Het slachtoffer zelf is op 20 meter afstand, gerekend vanaf de onverharde weg, op de rug liggend, het hoofd in noordoostelijke richting, met de armen boven het met een jas bedekt hoofd, aangetroffen. In de greppel, op de plaats waar het slachtoffer lag, ter hoogte van het hoofd, werd een kogelpunt aangetroffen. Bemonstering van deze kogelpunt leidt tot de conclusie dat daarop aangetroffen DNA matcht met DNA van het slachtoffer.3 Van deze vindplaatsen is een overzichtskaart in het dossier gevoegd, zij het zonder vermelding van voornoemde afstanden.

Zowel de hulzen als de kogelpunt passen bij een vuurwapen van het merk Glock, kaliber 9mm, Parabellum, aldus het NFI-rapport d.d. 27 december 2012 dat betrekking heeft op het munitieonderzoek4. Het in een later stadium door medeverdachte aangewezen pistool als zijnde het gebruikte pistool heeft blijkens het NFI-rapport d.d. 14 mei 2014, inhoudende een aanvullend wapen- en munitieonderzoek5 de opschriften en uiterlijke kenmerken van een semiautomatisch werkend pistool van het merk Glock, model 17, kaliber 9mm Parabellum. Het dossier bevat voorts diverse NFI-rapporten die zien op de pathologie naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 21 november 20126, met daarop een aanvullend verslag d.d. 17 januari 20137. Aldus deze rapporten zijn de letsels van het slachtoffer bestudeerd, is vastgesteld dat er minimaal drie en maximaal vijf keer geschoten is en is per letsel – voor zover mogelijk – vastgesteld of het waarschijnlijker is dat het een inschot- of een uitschotletsel betreft. Het verschil in minimum en maximum aantal schoten is gelegen in de beweeglijke onderdelen van het lichaam, zoals de handen of armen die op één lijn zouden kunnen worden gebracht met andere letsels. Op de rug van het slachtoffer is daarnaast krasvormig letsel aangetroffen, hetgeen na het overlijden is ontstaan. Dit krasvormig letsel kan duiden op het verslepen van het lichaam, aldus de rapportage. Met betrekking tot de kleding bevat het dossier een herzien NFI-rapport schotrestenonderzoek d.d. 25 september 20138. Beide voornoemde onderzoeken zijn vervolgens gecombineerd in een zogenoemd gecombineerd pathologie- en schotrestenonderzoek, gedateerd van 25 september 20139. Uit dit laatste rapport volgt dat de beschadigingen in de jas en letsels in de borst beter passen wanneer de jas van het slachtoffer tijdens ten minste één schot, naar het hof begrijpt in ieder geval het inschot in de borst, niet normaal gedragen is. Tevens is in dit rapport de vraag gesteld naar de positie van de schutter en het slachtoffer ten opzichte van elkaar, waarbij vele mogelijkheden zijn gegeven. Op basis van het gecombineerde onderzoek van het letsel en de kleding konden daarover echter geen uitspraken gedaan worden.

Naast voornoemde rapporten zijn in aanvulling op het reeds genoemde standpunt van de verdediging de verklaringen van verdachte en zijn broer zoals afgelegd bij de politie van belang. Verdachtes broer heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer 1] de verdachten, die in de sloot of greppel stonden, voorbijliep in de richting van de parkeerplaats.10 Toen [slachtoffer 1] zich op een afstand van zes meter bevond, is [slachtoffer 1] door hem van achteren beschoten.11 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met zijn broer in de greppel stond en zijn broer op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Tijdens dit schieten heeft verdachte zijn vingers in zijn oren gestopt en zich omgedraaid.12 Het hof leidt uit de op pagina 347 en pagina 530 aangetroffen tekeningen gemaakt door respectievelijk medeverdachte en verdachte af dat zij vlakbij en naast elkaar in de greppel stonden.

Het hof stelt voorop dat voornoemde rapportages van de deskundigen van het NFI dateren van voor de aanhouding van verdachten op 3 maart 2014. Een verklaring van verdachte en de medeverdachte over de feiten was op het moment van de totstandkoming van de verschillende rapportages nog niet voorhanden. Dit gegeven leidt er – hoe dan ook – toe dat de deskundigen in hun onderzoeksbevindingen nog geen rekening hebben kunnen houden met het scenario van de verdachten, dat het slachtoffer van achteren op een afstand van zes meter vanaf nagenoeg één locatie, namelijk vanuit de greppel, is beschoten. De deskundigen hebben dat scenario niet kunnen toetsen aan de hand van de vastgestelde onderzoeksresultaten en evenmin kunnen vergelijken met het scenario van het openbaar ministerie.

Het hof constateert dat het openbaar ministerie betekenis toekent aan de vindplaats van de hulzen. In de tot nu toe uitgevoerde forensische onderzoeken zijn die vindplaatsen van de hulzen in het kader van scenariovergelijking niet meegenomen.

Evenmin beschikt het hof over informatie over de afstand waarover het door medeverdachte gebruikte wapen – een Glock model 17, kaliber 9 mm Parabellum – de hulzen uitwerpt, behoudens de omstandigheid dat dit wapen kennelijk aan de rechterzijde de hulzen uitwerpt, zoals de officier van justitie op pagina 12 van het aan de appelschriftuur gehechte requisitoir heeft vermeld. Deze informatie zou van belang kunnen zijn voor het beter in context kunnen plaatsen van de vindplaatsen van de hulzen in relatie tot voornoemde scenario’s. Het hof constateert dat het openbaar ministerie aan deze kwestie in het kader van bewijsvoering betekenis toekent.

In dit verband merkt het hof op dat het dossier geen volledige informatie bevat waaruit de exacte onderlinge afstand van of tussen alle hulzen, in het bijzonder de niet in de greppel zijwaarts liggende huls blijkt. Zo ontbreekt een kaart met duidelijke maatvoering. Uit de huidige in het proces-verbaal genoemde afstanden tot het brede bospad kunnen geen conclusies getrokken worden, ook nu het punt op de bosweg van waar gemeten is, niet nader is geduid. Evenmin heeft het hof een forensisch onderzoek aangetroffen waarin de vindplaats van de kogelpunt onder het hoofd van het slachtoffer is betrokken, dan wel een mogelijke verklaring is gegeven voor het op die plek aantreffen van de kogelpunt, bezien in het licht van voornoemde scenario’s. Naast de vindplaats van de vierde huls, wordt door het openbaar ministerie waarde gehecht aan de vermoedelijke richting van schieten. Hoewel de door de patholoog opgemaakte tekening van de geconstateerde vijf doorschoten een indicatie kan geven van mogelijke richtingen, ontbreekt een volledig (visueel) schotbanenonderzoek.

Ten slotte hebben het openbaar ministerie en de verdachte duidelijk tegengestelde standpunten ingenomen over het verslepen van het slachtoffer. Uit het dossier blijkt niet of uit het rugletsel, dat kennelijk door het slepen is veroorzaakt, conclusies getrokken kunnen worden over de wijze en de richting van slepen van het lichaam van [slachtoffer 1] , al dan niet in combinatie met de onderzoeksbevindingen over de aangetroffen positie van de door [slachtoffer 1] gedragen jas en broek, alsmede de aangetroffen positie van het lichaam van [slachtoffer 1] in de greppel, waarbij het hoofd in noordoostelijke richting gelegen was.

Nader onderzoek

Het hof acht het noodzakelijk dat op bovenstaande punten nader onderzoek wordt verricht. Het dossier dient te worden gecompleteerd met – indien mogelijk – een volledig schotbanenonderzoek en eenduidige informatie – hetzij ingetekend op een kaart, dan wel op andere wijze – omtrent de onderlinge afstand van de hulzen en op welke afstand daarvan het lichaam van [slachtoffer 1] zich bevond in de greppel. Voor zover dit relevant geacht wordt, dient ook concrete informatie over het uitwerpen van de hulzen door het wapen voorhanden te zijn. Voorts dient onderzoek gedaan te worden naar de vraag of uit het rugletsel, eventueel in samenhang met overige voornoemde omstandigheden, conclusies getrokken kunnen worden over de wijze van slepen van het lichaam.

Met inachtneming van deze informatie en alle relevante andere reeds in het dossier opgenomen onderzoeksresultaten, dient nader integraal onderzoek te worden verricht, naar de elkaar uitsluitende scenario's van het openbaar ministerie en de verdachten, voor zover dat volgens te benoemen deskundigen mogelijk is. Dit betreft enerzijds het scenario dat, aldus verdachten, er enkel geschoten is vanuit de greppel en dat het slachtoffer aan het bovenlichaam, de schouders, naar een plaats verderop in de greppel is gesleept. Anderzijds houdt het scenario van het openbaar ministerie in dat er vanaf meerdere punten op het slachtoffer geschoten is en dat het slachtoffer in meerdere fases aan de benen is versleept. Bij voornoemd onderzoek dient de locatie in de greppel van waar geschoten is, zoals verdachte en zijn medeverdachte die onder meer ter zitting van het hof hebben aangeduid en zoals die uit het onderzoek ter plaatse is vastgelegd, te worden betrokken.

Het voorgaande betekent dat het hof het dossier in handen van de raadsheer-commissaris zal stellen opdat onder zijn leiding de door het hof gewenste completering en het onderzoek plaats kunnen vinden.

Rapportages omtrent de persoon van verdachte

Zoals hiervoor reeds is vermeld acht het hof zich niet voldoende voorgelicht over de persoon van verdachte.

In het dossier bevinden zich verschillende rapportages met betrekking tot de persoon van verdachte. Een aantal deskundigen hebben onder meer over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte geadviseerd. De Rapportage Pro Justitia van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt door de deskundigen psychiater Ronhaar en klinisch psycholoog Boer dateert van 28 november 2014. Vervolgens heeft op verzoek van de verdediging een contra-expertise van het PBC onderzoek plaatsgevonden. Deze laatste Pro Justitia rapportage is geschreven door psychiater Van Gestel en psycholoog Van Casteren en is opgemaakt op 31 augustus 2015. Bij zowel de rapportage opgemaakt door het PBC, als de contra-rapportage heeft een milieuonderzoek plaatsgevonden en zijn de verdachten gedurende enige tijd geobserveerd.

Ter terechtzitting van het hof heeft de verdediging zich op een aantal van de voornoemde rapportages beroepen. Deze rapportages zijn inmiddels ruim een jaar tot twee jaar geleden opgemaakt.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hof nader (technisch) forensisch (deskundigen) onderzoek naar de verschillende scenario’s noodzakelijk acht. Dit door het hof noodzakelijk geachte nadere onderzoek zal zonder meer enige tijd in beslag nemen. Consequentie daarvan is dat de nadere behandeling van de strafzaak van verdachte en de beoordeling van zijn persoon – mede op basis van de rapportages – niet eerder dan over enige tijd aan de orde is. Het hof vindt in het bovenstaande aanleiding te oordelen dat de rapportages van de deskundigen Ronhaar en Boer van 28 november 2014 én die van Van Gestel en Van Casteren van 31 augustus 2015 een (korte) aanvulling of actualisering behoeven. Het hof wenst te worden geïnformeerd over de vraag of hun conclusies en adviezen nog steeds van kracht zijn en indien dat niet het geval is, in welke zin zij bijstelling behoeven. Opgemerkt zij dat de deskundigen opnieuw met verdachte dienen te spreken alvorens aanvullend te rapporteren. Het hof gaat ervan uit dat verdachte daaraan zal meewerken.

Slotoverwegingen

Het hof overweegt nog het volgende. De levenslange gevangenisstraf is ter terechtzitting in hoger beroep een belangrijk onderwerp van debat geweest. Zowel het openbaar ministerie, de verdediging, als de slachtoffers hebben hun visie gegeven op de vraag of het hof die straf in de zaak van verdachte kon of moest opleggen.

Nu het hof al in het kader van de bewijsvraag heeft vastgesteld dat het onderzoek onvolledig is geweest en dat in dat kader nader onderzoek noodzakelijk is, zal de behandeling van de zaak worden geschorst en komt het hof op dit moment aan een verdere beoordeling niet toe. Het hof onthoudt zich in de gegeven situatie van iedere uitspraak over een al dan niet mogelijke afdoening in de vorm van een straf en/of maatregel.

Ten slotte merkt het hof op dat de nadere onderzoeken er – hoe dan ook – toe leiden dat de einduitspraak in verdachtes zaak voor een zekere tijd uitgesteld wordt. Het hof realiseert zich dat dit uitstel voor alle betrokkenen – verdachte, de benadeelde partijen en de nabestaanden van de slachtoffers die zich niet als benadeelde hebben gevoegd – een langere periode van onzekerheid meebrengt en van allen geduld vraagt. Dat geduld wordt door het hof gevraagd in het belang van de waarheidsvinding.

BESLISSING

Het hof:

Heropent het onderzoek, onder gelijktijdige schorsing daarvan.

Om de klemmende redenen dat het zittingsrooster van het hof een eerdere behandeling van de zaak niet toelaat en de onderzoekshandelingen naar verwachting niet binnen een maand zullen zijn voltooid, zal het onderzoek langer dan een maand, maar niet langer dan drie maanden worden geschorst.

Stelt de stukken in volle omvang in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, teneinde:

- het door het hof noodzakelijk geachte nadere (forensisch) onderzoek te doen uitvoeren naar de scenario's van het openbaar ministerie en de verdediging, waarbij alle onderzochte en nog te onderzoeken aspecten worden betrokken, zoals hiervoor voormeld, voor zover dat volgens de door de raadsheer-commissaris te benoemen deskundigen te onderzoeken is;

- voornoemde gedragsdeskundigen op te dragen aanvullend op de reeds uitgebrachte rapportages te rapporteren, zoals hiervoor vermeld;

- en voorts alle andere onderzoekshandelingen te verrichten welke hem dienstig voorkomen.

Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.

Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw van verdachte en aan de benadeelde partijen, alsmede diens raadslieden.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. P. Koolschijn en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier,

en op 23 november 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van onderzoek plaats delict, proces-verbaalnummer 03TGO12003-FTOAH-002, d.d. 26 januari 2013, pagina 38 (in het bij het hof voorhanden zijnde dossier opgenomen in ordner 10 van een procesdossier genaamd ‘ [pleegplaats] ’, bestaande uit TGO [pleegplaats] met proces-verbaalnummer 2012078849 en TGO Bosrand met proces-verbaalnummer 2013054198).

2 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal relaas forensisch onderzoek, proces-verbaalnummer 2012078849-FTOAH-001, d.d. 18 mei 2014, pagina 13 (opgenomen in ordner 10 van het onder 1 genoemde dossier).

3 Rapport van dr. A.G.M. van Gorp, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, inhoudende een onderzoek naar biologische sporen, RNA-onderzoek en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] in [plaats] op 7 november 2012, d.d. 16 januari 2013 (ongenummerd opgenomen als bijlage 10 in ordner 11 van het onder 1 genoemde dossier).

4 Rapport van ing. R. Hermsen, NFI-deskundige wapens en munitie, inhoudende een munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats] in de gemeente [gemeente] op 4 november 2012, d.d. 27 december 2012 (ongenummerd opgenomen als bijlage 5 in ordner 11 van het onder 1 genoemde dossier).

5 Rapport van ing. R. Hermsen, inhoudende een aanvullend wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats] op 4 november 2012, d.d. 14 mei 2014 (ongenummerd opgenomen als bijlage 37 in ordner 11 van het onder 1 genoemde dossier).

6 Rapport van dr. B. Kubat, arts en patholoog, inhoudende een pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 21 november 2012 (ongenummerd opgenomen als bijlage 2 in ordner 11 van het onder 1 genoemde dossier).

7 Brief van dr. B. Kubat, inhoudende een aanvullend verslag sectie, d.d. 17 januari 2013 (ongenummerd opgenomen als bijlage 11 in ordner 11 van het onder 1 genoemde dossier).

8 Herzien rapport van dr. A. Brouwer-Stamouli, inhoudende een schotrestenonderzoek naar aanleiding van en schietincident in [plaats] in de gemeente [gemeente] op 4 november 2012 d.d. 25 september 2013 (opgenomen als bijlage 30 in ordner 11 van het onder 1 genoemde dossier).

9 Rapport van dr. B. Kubat en dr. A. Brouwer-Stamouli, inhoudende een gecombineerd pathologie- en schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats] op 4 november 2012, d.d. 25 september 2013 (ongenummerd opgenomen als bijlage 31 in ordner 11 van het onder 1 genoemde dossier).

10 Een in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor van medeverdachte, documentcode V-001-14, d.d. 16 april 2014 (pagina 341 (ordner 2) van het onder 1 genoemde dossier).

11 Een in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor van medeverdachte, documentcode V-001-15, d.d. 16 april 2014 (pagina 357 (ordner 2) van het onder 1 genoemde dossier).

12 Een in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte, documentcode V-002-20, d.d. 16 april 2014 (pagina 517 (ordner 2) van het onder 1 genoemde dossier).