Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:932

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
200.171.671
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie. Uitleg convenant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.171.671

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 163199)

beschikking van de familiekamer van 9 februari 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man,

advocaat: mr. L. van Straten te Almelo,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.R. de Witte te Delden, gemeente Hof van Twente.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 12 maart 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 juni 2015;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen op 24 juli 2015;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Straten van 30 juli 2015, met de producties 18 tot en met 22, ingekomen op diezelfde datum;

  • -

    een journaalbericht van mr. De Witte van 6 november 2015 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Straten van 23 november 2015 met de producties 23 tot en met 26, ingekomen op 24 november 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 8 december 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 20 februari 2014 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

  • -

    [kind 1] (hierna “[kind 1]”), geboren op [geboortedatum] 2007, en

  • -

    [kind 2] (hierna “[kind 2]”), geboren op [geboortedatum] 2011,

hierna gezamenlijk te noemen “de kinderen”, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Bij echtscheidingsbeschikking van 13 november 2013 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, tevens bepaald dat de inhoud van het aangehechte echtscheidingsconvenant, tevens houdende een ouderschapsplan, deel uitmaakt van die beschikking en voorts bepaald dat de man, met ingang van het moment dat de vrouw met de kinderen de woning aan de [adres te woonplaats] (hierna: de voormalige echtelijke woning) heeft verlaten en zich op een ander adres heeft ingeschreven, aan haar zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 130,- per kind per maand.

3.4

Bij ouderschapsplan van 28 oktober 2013, dat behoort bij het echtscheidingsconvenant van dezelfde datum, zijn partijen het volgende overeengekomen:

“Artikel 5 – Kinderalimentatie

Partijen komen overeen dat de man maandelijks met een bedrag van € 130,00 per kind per maand bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, vanaf het moment dat de vrouw met de kinderen niet meer in de echtelijke woning woont en de woning is verkocht. Deze alimentatie is gebaseerd op een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.670,00 per maand en 8 kinderbijslagpunten.

De man geniet een inkomen van € 1.600,00 netto per maand. De vrouw geniet een inkomen van € 1.070,00 netto per maand.

Zolang de man de eigenaarslasten van de woning draagt en de schulden aan Wehkamp en de Creditcardmaatschappij aflost, terwijl de vrouw met de kinderen de woning bewoont, kan de man geen bijdrage leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.”

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie). De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van de man, strekkende tot nihilstelling van zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, afgewezen.

4.2

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair te bepalen dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 19 januari 2015 wordt vastgesteld op € 14,- per kind per maand, subsidiair te bepalen dat zijn bijdrage met ingang van 12 juli 2014 wordt vastgesteld op € 19,- per kind per maand en met ingang van 1 januari 2015 op € 14,- per kind per maand, en meer subsidiair te bepalen dat zijn bijdrage met ingang van een door het hof vast te stellen datum wordt vastgesteld op het bedrag dat het hof juist acht, kosten rechtens.

4.3

De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man stelt in zijn tweede grief de vraag aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het hof oordeelt hierover als volgt.

In de eerste plaats valt als een wijzing van omstandigheden aan te merken dat het dienstverband voor bepaalde tijd, dat de man met ingang van 22 juli 2013 met Tempo-Team Payroll Solutions was aangegaan en waarbij hij te werk was gesteld bij [bedrijf] te [plaats], per 21 januari 2014 van rechtswege is geëindigd en dat ook de daarop gevolgde payroll-opdracht van Tempo team met eveneens een tewerkstelling bij [bedrijf], die van 22 januari 2014 tot 18 februari 2014 heeft gelopen, van rechtswege is geëindigd. Omdat de man, gelet op de korte duur van voormelde dienstverbanden, niet of nauwelijks recht had op een werkloosheidsuitkering, heeft de man - naar hij ter mondelinge behandeling bij dit hof voldoende overtuigend heeft verklaard - moeten besluiten zijn werkzaamheden die hij voordien uitoefende voortaan als zelfstandig ondernemer uit te oefenen. De stelling van de vrouw dat de man na beëindiging van (een van) voormelde dienstverbanden aanspraak had op een ontslagvergoeding, waarmee hij zijn inkomen geheel of gedeeltelijk had kunnen aanvullen tot het oude niveau, is door de man gemotiveerd betwist en blijkt ook niet uit de overgelegde payroll-opdrachten of uit de salarisstroken 2014.

Daarnaast is de man op [geboortedatum] 2014 vader geworden van de na te noemen [kind 3], zodat ook in zoverre sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden.

Naar het oordeel van het hof heeft de man hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt. Het hof zal de draagkracht van de man, zoals door hem verzocht, opnieuw beoordelen. Grief 2 slaagt dus in zoverre.

5.2

Als ingangsdatum een eventueel gewijzigde alimentatieverplichting hanteert het hof

21 oktober 2014, de datum van de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, nu de vrouw eerst vanaf die datum rekening heeft kunnen en moeten houden met een gewijzigde alimentatieverplichting.

5.3

Dit betekent dat eerst moet worden beoordeeld welke de alimentatieverplichtingen over de periode tot 21 oktober 2014 op de man rusten.

De man stelt in grief 1 de ingangsdatum van zijn alimentatieverplichting en de uitleg van hetgeen is overeengekomen in artikel 5 van het ouderschapsplan aan de orde. In de toelichting op zijn grief stelt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij reeds vanaf 12 juli 2014 kinderalimentatie aan de vrouw verschuldigd is, nu volgens hem uit artikel 5 van het ouderschapsplan volgt dat hij geen kinderalimentatie is verschuldigd zolang de vrouw met de kinderen de voormalige echtelijke woning bewoont, de man de eigenaarslasten van die woning draagt en de man de schulden van Wehkamp en de Creditcardmaatschappij aflost. Dit betekent dat volgens de man dat voor het inwerkingtreden van zijn alimentatieverplichtingen aansluiting moet worden gezocht bij de datum waarop de voormalige echtelijke woning is verkocht en - naar het hof begrijpt – is geleverd, te weten 19 januari 2015.

De vrouw betwist dat gemotiveerd. Volgens haar volgt uit de beschikking van de rechtbank van 13 november 2013 dat de man vanaf het moment dat de vrouw met de kinderen de voormalige echtelijke woning heeft verlaten en zich op een ander adres heeft ingeschreven aan haar de in die beschikking vermelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 130,- per kind per maand is verschuldigd. Zij stelt dat zij met de man is overeengekomen dat de man vanaf het moment dat zij met de kinderen een andere woning heeft betrokken kinderalimentatie aan haar zou gaan voldoen. Zij heeft in juni 2014 met de kinderen een huurwoning betrokken en zich vanaf 12 juli 2014 op het adres van die huurwoning laten inschrijven, zodat vanaf die datum de overeengekomen kinderalimentatie is gaan lopen.

5.4

Het hof constateert dat de tekst van artikel 5 van het ouderschapsplan en de tekst van het dictum van de beschikking van 13 november 2013, dat - naar volgt uit de overgelegde stukken - exact overeenstemt met het verzoek dat beide partijen destijds aan de rechtbank hebben gedaan, onderling niet eensluidend zijn en in samenhang bezien, ruimte laten voor zowel de interpretatie van de man als die van de vrouw.

Het hof stelt bij de beoordeling van dit onderdeel van het geschil tussen partijen voorop dat de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding tussen partijen is geregeld, niet alleen kan worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen in de overeenkomst, maar dat het tevens aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Niettemin is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin de desbetreffende bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang en neemt de betekenis van een taalkundige uitleg toe wanneer het zoals hier gaat om een overeenkomst tussen twee gelijkwaardige partijen, die betrekking heeft op kinderalimentatie. Deze beoordelingsmaatstaf dient ook in deze zaak - waarin het er om gaat op welke datum de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met betrekking tot de kinderen - te worden toegepast.

5.5

In de overeengekomen alimentatieafspraak staat blijkens de tekst van artikel 5 van het ouderschapsplan de draagkracht van de man centraal, in die zin dat betaling van de daarin overeengekomen kinderalimentatie afhankelijk wordt gesteld van zijn draagkracht. De man moet worden geacht voldoende draagkracht hebben voor een bijdrage van € 130,- per kind per maand, indien hij de schulden aan Wehkamp en de Creditmaatschappij zou hebben afgelost en zodra hij de hypotheeklasten van de voormalige echtelijke woning niet langer zou voldoen. De draagkracht voor de betaling van € 130,- per kind per maand is aldus afhankelijk gesteld van de door de man te verrichten feitelijke betalingen aan de desbetreffende crediteuren. Uit de stukken volgt dat de man de schuld aan Wehkamp in januari 2014 volledig had afgelost en dat hij, naar de vrouw onbetwist heeft gesteld, de schuld aan de creditmaatschappij per 1 juli 2014 redelijkerwijs had kunnen aflossen. Naar de man ter mondelinge behandeling heeft verklaard heeft hij - anders dan tussen partijen was afgesproken - de maandelijkse betaling van de verschuldigde hypothecaire rente en aflossing van meet af aan achterwege gelaten. Een redelijke uitleg van artikel 5 van het ouderschapsplan, welk ouderschapsplan tevens deel uitmaakt van de beschikking van 13 november 2013, brengt onder deze omstandigheden met zich mee dat de man in ieder geval tot 21 oktober 2014 moet worden geacht voldoende draagkracht te hebben gehad om met ingang van 12 juli 2014 de overeengekomen kinderalimentatie van € 130,- per kind per maand aan de vrouw te voldoen, zodat hij over de periode van 12 juli 2014 tot 21 oktober 2014 verplicht was tot betaling daarvan. Grief 1 faalt dus in zoverre.

5.6

Voor de periode vanaf 21 oktober 2014 geldt het volgende.

Ter mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat de behoefte van de kinderen voor zowel 2014 als voor 2015, rekening gehouden met de indexering, kan worden gesteld op € 305,- per kind per maand. Ter mondelinge behandeling zijn partijen voorts overeengekomen dat ook de behoefte van [kind 3] € 305,- per maand bedraagt. Het hof zal dan ook uitgaan van een gelijke behoefte voor alle drie de kinderen voor wie de man onderhoudsplichtig is.

5.7

De man stelt in de grieven 2 tot en met 4 de draagkracht van de man en die van de vrouw ter discussie. Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken.

5.8

De man, geboren op [geboortedatum] 1982, is op 15 september 2014 gehuwd met [A] (hierna: [A]). Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2014 [kind 3] geboren. De man is aanvankelijk tot 20 januari 2014 en aansluitend van 22 januari 2014 tot 18 februari 2014 via Tempo-Team Payroll Solutions werkzaam geweest als kitter. Op 19 februari 2014 is de man met steun van een oude werkgever een eenmanszaak “[B]” gestart, waarvan de ondernemingsactiviteiten zijn omschreven als schilderen, glaszetten, kitten en afdichting.

Blijkens het fiscaal rapport van 6 mei 2015 is de winst uit de onderneming van de man in 2014 € 17.685,-. De man en [A] ontvangen in 2015 in totaal aan zorgtoeslag € 1.214,-, aan huurtoeslag € 2.423,- en aan kindgebonden budget € 797,-.

5.9

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Nu de man een netto besteedbaar inkomen heeft dat hoger is dan € 1.500,- per maand, zal zijn draagkracht over het jaar 2014 worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 860,-)] en over het jaar 2015 worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 875,-)]. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 860,- aan overige lasten in 2014 en € 875,- in 2015, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.10

Om proceseconomische overwegingen zal het hof de draagkracht van de man over de volgende twee perioden berekenen:

I. van 21 oktober 2014 tot en met 31 december 2014, waarbij - eveneens om proceseconomische redenen - over deze gehele periode tevens rekening wordt gehouden met de onderhoudsverplichting van de man jegens de op [geboortedatum] 2014 geboren [kind 3], en

II. vanaf 1 januari 2015, vanwege het gewijzigd inkomen uit arbeid gedurende dat jaar en de wijziging van de fiscaliteiten met ingang van die datum.

5.11

Het hof neemt voor het inkomen van de man over periode van 21 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 de winst uit de onderneming van de man 2014 als uitgangspunt. Nu de man op 19 februari 2014 is gestart met zijn onderneming, gaat het hof voor deze periode uit van het inkomen van de man omgerekend op jaarbasis van (€ 17.685,- : 45 weken x 52 weken =) € 20.436,- bruto per jaar. Dit inkomen uit arbeid is lager dan hetgeen de man tijdens het huwelijk verdiende (€ 25.000,- bruto per jaar inclusief vakantietoeslag), hetgeen niet ongebruikelijk is voor een startende ondernemer.

Nu de man ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat er een stijgende lijn in het bedrijfsresultaat is, gaat het hof in redelijkheid ervan uit dat hij vanaf 1 januari 2015 een inkomen uit de onderneming ontvangt dat gelijk is aan zijn inkomen tijdens de huwelijkse periode van € 25.000,- bruto op jaarbasis inclusief vakantietoeslag. Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof aan de zijde van de man rekening met de algemene heffingskorting, arbeidskorting, de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Tevens houdt het hof in 2015 bij de man rekening met het kindgebonden budget voor [kind 3] van € 66,- per maand.
Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man over de periode van 21 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 vast op € 1.660,- per maand (zie bijlage I) en in 2015 op € 1.970,- per maand (zie bijlage II). Dit brengt de draagkracht van de man:

I. over de periode van 21 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 op 70% [€ 1.660,- – (0,3 x € 1.660,- + € 860,-) = € 211,40 en

II. vanaf 2015 op 70% [€ 1.970,- – (0,3 x € 1.970,- + € 875,-) = € 352,80.

De vrouw heeft haar stelling dat de man uitsluitend een eigen bedrijf heeft gestart om onder zijn verplichting tot betaling van kinderalimentatie uit te komen, tegenover de gemotiveerde betwisting van die stelling door de man tijdens de mondelinge behandeling, niet nader onderbouwd, zodat het hof aan die stelling zal voorbijgaan. Het hof verwijst in dit verband nog naar hetgeen hiervoor onder 5.1 is overwogen.

5.12

[A] is sinds 26 januari 2015 10 uur per week werkzaam als huishoudelijke hulp. Daarvoor was zij 20 uur per week werkzaam als huishoudelijke hulp. Het belastbaar jaarinkomen in 2015 van [A] bedraagt € 5.768,-.

Partijen zijn het erover eens dat [A] met haar inkomsten uit arbeid niet meer dan de minimale bijdrage van € 25,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] voor haar rekening kan nemen.

5.13

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1983, vormt met de kinderen van partijen een gezin. Zij heeft blijkens de jaaropgaaf 2014 over dat jaar een belastbaar loon van € 10.044,-. Het hof gaat ervan uit dat haar inkomen over 2015 gelijk is aan dat over 2014. De vrouw had in 2014 recht op het kindgebonden budget van € 129,- per maand en in 2015 van € 406,- per maand. Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting, met de arbeidskorting en in 2014 met de alleenstaande ouderkorting.
Nu het NBI van de vrouw in beide jaren lager is dan € 1.275,- (zie bijlagen III en IV), stelt het hof de draagkracht van de vrouw op de minimale bijdrage van € 25,- per kind per maand.

5.14

Nu zowel [A] als de vrouw niet meer dan de minimale bijdrage van € 25,- per kind per maand kunnen voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun eigen kind/kinderen, dient de draagkracht van de man gelijkelijk te worden verdeeld over zijn drie kinderen.

Nu het tekort van de man en de vrouw om gezamenlijk in de behoefte van de kinderen te voorzien twee keer zo groot is als de zorgkorting (15% van de behoefte is € 91,50 per maand voor twee kinderen) strekt de zorgkorting niet in mindering strekken op de bijdrage van de man. De draagkracht van de man is aldus:

I. over de periode van 21 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 € 211,40 : 3 = € 70,46 per kind per maand, en

II. vanaf 1 januari 2015 € 352,80 : 3 = € 117,60 per kind per maand.

De grieven 2 tot en met 4 slagen dus deels.

5.15

Voor zover mocht blijken dat de man aan de vrouw door tussenkomst van het LBIO te hoge bedragen aan kinderalimentatie mocht hebben voldaan, is het hof van oordeel dat van de vrouw redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij deze te veel betaalde bedragen met haar netto inkomen dat beneden bijstandsniveau ligt, en in aanmerking genomen de lasten die voor haar rekening komen, waaronder die betreffende de afbetaling van de restschuld na verkoop van de voormalige echtelijke woning van € 50,- per maand, aan de man terugbetaalt.

5.16

Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en beslissen als volgt.

5.17

In de omstandigheid dat partijen ex-echtgenoten zijn en het geschil betrekking heeft op de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de uit het huwelijk van partijen geboren kinderen, ziet het hof aanleiding de proceskosten aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 12 maart 2015, en opnieuw beschikkende:

verstaat dat de man aan de vrouw tot 21 oktober 2014 € 350,- per kind per maand is verschuldigd als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en veroordeelt hem tot betaling aan haar van die bijdrage;

wijzigt de beschikking van de rechtbank van 13 november 2013 en artikel 5 van het daaraan gehechte ouderschapsplan, en bepaalt dat de man aan de vrouw :

  • -

    met ingang van 21 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 € 70,46 per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen, en

  • -

    vanaf 1 januari 2015 € 117,60 per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

laat de beschikking van de rechtbank van 13 november 2013 en artikel 5 van het daaraan gehechte ouderschapsplan voor het overige in stand;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, G.P.M. van den Dungen en R. Krijger, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op
9 februari 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.