Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9298

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
200.170.778/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid. In strijd met het Procesreglement zijn niet de stukken uit de eerste aanleg overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/7
EB 2017/20
PFR-Updates.nl 2016-0311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.170.778/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/18/153133 / JE RK 14-834, C/18/153482 / JE RK 15-16 en C/18/153460 / FA RK 15-58)

beschikking van 17 november 2016

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: [verzoeker] , en

[verzoekster] ,

verder te noemen: [verzoekster] ,

beiden wonende te [A] (Duitsland),
verzoekers in hoger beroep,

advocaat: mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam,

en

Jeugdbescherming Noord,

gevestigd te Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 6 februari 2015 en 16 april 2015, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 21 mei 2015;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming, regio Noord Nederland, locatie Groningen, (verder te noemen: de raad) van 26 juni 2015 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Struycken van 29 juni 2015 met productie(s);

- een brief van mr. Struycken van 8 juli 2015 met productie(s);

- een brief van mr. Struycken van 11 september 2015;

- een tweetal brieven van mr. Struycken van 17 september 2015;

- een journaalbericht van mr. Struycken van 21 september 2015 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Struycken van 23 september 2015 met productie(s);

- een brief van de GI, ingekomen op 25 september 2015;

- een brief van mr. Struycken van 28 september 2015;

- een brief van de raad van 29 september 2015;

- een journaalbericht van mr. Struycken van 18 december 2015 met productie(s);

- een brief van mr. Struycken van 6 januari 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Struycken van 26 januari 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Struycken van 15 februari 2016 met productie(s);

- een brief van mr. Struycken van 1 maart 2016;

- een brief van mr. Struycken van 16 maart 2016;

- een journaalbericht van mr. Struycken van 31 mei 2016 met productie(s);

- een brief van de raad van 27 september 2016.

2.2

Tevens bevindt zich in het dossier een beslissing van de wrakingskamer van dit hof van 13 oktober 2015, een proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer van dit hof van 7 april 2016 en een beslissing van de wrakingskamer van dit hof van 21 april 2016.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2016 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens zijn verschenen mevrouw Mulder namens de GI en mevrouw [C] namens de raad.

3 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

3.1

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij dit hof heeft het hof geconstateerd dat een groot aantal stukken van de procedure in eerste aanleg in hoger beroep niet was overgelegd, zoals nader uiteengezet in de brief van (de griffie van) het hof van 9 juni 2015. In die brief is mr. Struycken verzocht om de genoemde stukken uit de eerste aanleg zo spoedig mogelijk toe te zenden. Mr. Struycken heeft dit nagelaten, ondank een herhaald verzoek van het hof hiertoe bij brieven van 8 september 2015, 16 september 2015 en
21 september 2015. Dit verzuim is in strijd met artikel 34 lid 1 sub b van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Blijkens artikel 1.2.6 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven dienen deze stukken bij het beroepschrift te worden gevoegd.

3.2

Mr. Struycken heeft bij brieven van 11 en 17 september 2015 aangegeven dat de verzochte stukken reeds bij het hof aanwezig waren in verband met (een) andere procedure(s) van [verzoeker] en [verzoekster] inzake het verzoek tot het treffen van een spoedvoorziening en het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 13 januari 2015, bekend onder de nummers 200.163.595/01 en /02, en dat het hof derhalve volledig geïnformeerd was en tot een inhoudelijk oordeel zou kunnen komen. Mr. Struycken heeft bij zijn tweede brief van 17 september verzocht om (een kopie van) alle dubbele exemplaren van het procesdossier in de hiervoor bedoelde andere zaken aan hem terug te sturen.
Ter zitting van het hof heeft mr. Struycken zijn verzoek om de stukken uit voornoemde procedures alsnog in het dossier te voegen herhaald.

3.3

De hierboven door mr. Struycken bedoelde zaken die bij het hof hebben gediend betreffen andere (afgeronde) procedures. Indien mr. Struycken zich in de onderhavige procedure op stukken uit die procedures had willen beroepen, dan had hij deze over moeten leggen. Hij is verantwoordelijk voor (de omvang van) het procesdossier.

Zoals in de verschillende brieven van het hof - met verwijzing naar het Procesreglement - kenbaar is gemaakt, kunnen eerder ingediende stukken in andere zaken niet in lopende zaken worden gevoegd. Voorts is door het hof uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat er geen aanleiding bestaat om in dit geval af te wijken van de werkwijze die het Procesreglement meebrengt en die altijd wordt toegepast in situaties als de onderhavige. Zou dit al anders zijn, dan zijn de verzoeken van mr. Struycken om stukken uit de andere procedures in het onderhavige dossier te voegen in ieder geval niet voldoende gespecificeerd en onvoldoende concreet.

3.4

Het voorgaande brengt mee dat mr. Struycken op grond van de in 3.1 genoemde wet- en regelgeving de ontbrekende stukken ten tijde van de indiening van het beroepschrift over had moeten leggen. Dat hij dit heeft nagelaten en geen gebruik heeft gemaakt van de hem
bij herhaling geboden mogelijkheid om deze omissie te herstellen, dient voor zijn eigen rekening en risico te blijven. Zonder de ontbrekende stukken uit de eerste aanleg - het hof beschikt alleen over de bestreden beschikking van 16 april 2015; alle overige stukken uit de eerste aanleg ontbreken - is het hof niet in staat inhoudelijk een weloverwogen beslissing te nemen. Het hof zal [verzoeker] en [verzoekster] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoeken in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart [verzoeker] en [verzoekster] niet-ontvankelijk in hun verzoeken in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, A.W. Beversluis en A.W. Jongbloed, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 17 november 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.