Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9281

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
15/01195
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:4466, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invordering. Dwangbevel. Betekeningskosten terecht? Niet-tijdige betaling leges.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2017/215 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/2685
V-N 2017/9.29.25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/01195

uitspraakdatum: 22 november 2016

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 juli 2015, nummer AWB 14/6779, in het geding tussen belanghebbende en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Apeldoorn (hierna: de invorderingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is een dwangbevel toegezonden, waarbij haar € 1.911 aan betekeningskosten in rekening zijn gebracht.

1.2

De invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016 te Arnhem. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Belanghebbende heeft de aanvraag nadien ingetrokken.

2.2

De heffingsambtenaar heeft op 7 december 2013 aan belanghebbende een aanslag leges opgelegd. Op de aanslag staat vermeld dat het betreft leges in verband met het intrekken van een Wabo-aanvraag (nog niet beslist). Het bedrag van de leges is € 28.125.

2.3

De invorderingsambtenaar heeft op 22 maart 2014 een aanmaning aan belanghebbende gezonden voor de betaling van de aanslag leges. Hierbij is een bedrag van € 15 aan aanmaningskosten in rekening gebracht.

2.4

Aan belanghebbende is op 16 mei 2014 een dwangbevel verzonden voor de hiervoor vermelde aanslag leges, eerder in rekening gebrachte kosten ad € 15 en de betekeningskosten van het dwangbevel, € 1.911. Het totaal te betalen bedrag is € 30.051.

2.5

Belanghebbende heeft op 28 mei 2014 bezwaar gemaakt tegen “het in kopie meegezonden dwangbevel en de daarin opgenomen kosten”.

2.6

Belanghebbende heeft bij brief van 2 juli 2014 aan de heffingsambtenaar meegedeeld dat € 9.000 is betaald en dat de betaling van het restant afhangt van de stukken die de heffingsambtenaar zal toezenden en het standpunt dat hij zal innemen over de restitutie van een deel van de leges.

2.7

Belanghebbende heeft bij brief van 4 augustus 2014 aan de invorderingsambtenaar de gronden van het bezwaar aangevuld.

3 Het geschil

In geschil is of de aanmanings- en betekeningskosten terecht in rekening zijn gebracht. Voorts is in geschil of de invorderingsambtenaar een besluit had moeten nemen op het verzoek van belanghebbende om een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase en of de invorderingsambtenaar belanghebbende in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord.

4 Beoordeling van het geschil

Betekeningskosten van het dwangbevel

4.1

De Rechtbank heeft de wettelijke grondslag voor de berekening van de betekeningskosten uiteengezet in de aangevallen uitspraak. Belanghebbende heeft tegen deze uiteenzetting geen gronden aangevoerd, maar uitsluitend betoogd dat de betekeningskosten niet in rekening hadden mogen worden gebracht omdat de aanslag leges ten onrechte of tot een te hoog bedrag zou zijn opgelegd. Belanghebbende verwijst naar beleid van de gemeente Apeldoorn. Zoals het Hof in zijn uitspraak van dezelfde datum met nummer 15/01194 heeft geoordeeld, heeft belanghebbende haar inhoudelijke bezwaren tegen de aanslag leges buiten de wettelijke termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kenbaar gemaakt. In de onderhavige procedure, die uitsluitend op de berekening van kosten voor de invordering van de leges betrekking heeft, kan op gronden die de heffing van de leges betreffen, geen acht worden geslagen.

4.2

Het Hof leidt uit de gedingstukken af dat belanghebbende de aanslag leges niet tijdig heeft betaald en pas ruim na ontvangst van het dwangbevel een deel heeft betaald. De invorderingsambtenaar heeft de betekeningskosten terecht in rekening gebracht. Het standpunt van belanghebbende faalt.

Aanmaningskosten

4.3

Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat een grondslag ontbreekt voor de termijn van 14 dagen die de invorderingsambtenaar belanghebbende heeft gegund om de aanslag leges te betalen. De aanmaningskosten hadden niet in rekening mogen worden gebracht.

4.4

Het Hof is gehouden ambtshalve te toetsen of een bezwaar of beroep binnen de daarvoor geldende termijn van artikel 6:7 van de Awb is ingediend. Tegen de berekening van aanmaningskosten staat de mogelijkheid van bezwaar open (artikel 7 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, die op grond van artikel 231 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is op de invordering van gemeentelijke belastingen). De aanmaning draagt de dagtekening 22 maart 2014. De invorderingsambtenaar heeft in de aanmaning gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken bezwaar te maken tegen de aanmaningskosten. Belanghebbende heeft pas bij brief van 28 mei 2014, ontvangen door de invorderingsambtenaar op 29 mei 2014, bezwaar gemaakt tegen de in het dwangbevel opgenomen kosten. Belanghebbende heeft buiten de wettelijke termijn bezwaar gemaakt tegen de aanmaningskosten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die grond zouden kunnen zijn voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De invorderingsambtenaar had het bezwaar tegen de aanmaningskosten niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het Hof zal dit alsnog doen. Aan de inhoudelijke beoordeling van de aanmaningskosten komt het Hof niet toe.

Verzoek om een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase

4.5

De invorderingsambtenaar heeft geen besluit genomen op het verzoek van belanghebbende om een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. De invorderingsambtenaar had bij uitspraak op bezwaar op dit verzoek moeten beslissen (artikel 7:15, derde lid, van de Awb). Het Hof ziet hierin aanleiding om de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen en zelf te beslissen op het verzoek om proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Proceskosten in de bezwaarfase worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15, tweede lid, van de Awb). Aangezien het bezwaar tegen de aanmaningskosten niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en het bezwaar tegen de betekeningskosten terecht ongegrond is verklaard, wijst het Hof het verzoek om een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase af.

Horen

4.6

Tot slot stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de invorderingsambtenaar haar in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord. De Rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat in artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is bepaald dat – in afwijking van artikel 7:2 van de Awb – de belanghebbende wordt gehoord op zijn verzoek. De eerstgenoemde bepaling is via de schakelbepaling in artikel 231 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing op de heffing van gemeentelijke belastingen. Aangezien belanghebbende in het bezwaarschrift niet heeft verzocht te worden gehoord, was de invorderingsambtenaar niet gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord voordat hij op het bezwaar zou beslissen. Dit standpunt van belanghebbende faalt.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof berekent de kosten die in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 496 voor de kosten in eerste aanleg (1 punt voor het beroepschrift x € 496 x wegingsfactor 1) en € 496 voor de kosten in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift x € 496 x wegingsfactor 1), ofwel in totaal op € 992. Het Hof ziet op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht aanleiding om de hiervoor op forfaitaire wijze berekende proceskostenvergoeding te verminderen. Belanghebbende is gedeeltelijk in het gelijk gesteld, namelijk op twee formele punten, en niet op de hoofdzaak, te weten de kosten die zijn opgenomen in het dwangbevel. Het Hof stelt de proceskostenvergoeding vast op € 248.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de invorderingsambtenaar ingestelde beroep gegrond,

– verklaart het bezwaar tegen het in rekening brengen van de aanmaningskosten niet-ontvankelijk,

– laat de rechtsgevolgen van de uitspraak van de invorderingsambtenaar voor het overige in stand,

– wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase af,

– veroordeelt de invorderingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 248,

– gelast dat de invorderingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 328 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 497 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 22 november 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst)

(A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 22 november 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.