Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9183

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2016
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
WAHV 200.163.642
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mobiele telefoon vasthouden tijdens het rijden. Of was het een bruine boterham?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2017/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.163.642

17 november 2016

CJIB 179450009

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 22 december 2014

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard en bepaald dat een bedrag van € 237,- aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Op 4 februari 2015 heeft het hof nog een brief van de betrokkene met bijlagen ontvangen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 februari 2014 om 15:17 uur op de A15 te Hardinxveld-Giessendam.

2. De betrokkene ontkent met klem de gedraging te hebben verricht. Hij had geen mobiele telefoon in zijn hand, maar een bruine boterham. De betrokkene heeft nog aan de verbalisant aangeboden om het toestel te controleren, zodat de verbalisant kon zien dat het niet was gebruikt. De verbalisant weigerde dit. Voorts legt de betrokkene een uitdraai van zijn provider over waaruit blijkt dat op voornoemde datum en tijd niet met zijn telefoon gebeld of ge-sms-t is. Ook heeft de betrokkene foto's overgelegd waaruit blijkt dat de mobiele telefoon geen internetmogelijkheid heeft en dat de vrachtwagen is voorzien van bluetooth. In zijn nadere toelichting klaagt de betrokkene erover dat de verbalisant geen verklaring heeft opgenomen, terwijl de betrokkene daar wel om heeft gevraagd.

3. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp in zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof van het merk: Nokia.”

5. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het aanvullend proces-verbaal d.d. 15 juli 2015 houdt onder meer het volgende in:

“De waarnemingen zoals omschreven in het bijgevoegde zaakoverzicht zijn correct. Als er enige geringe twijfel zou bestaan met betrekking tot de door mij gedane waarneming dan wordt er geen bekeuring uitgeschreven. Ik zou het me zeker kunnen herinneren als iemand met een bruine boterham een telefoongesprek zou trachten te voeren. Er zou dan uiteraard geen bekeuring uitgeschreven zijn maar hulpverlening worden aangeboden.”

6. Het hof gaat voorbij aan het verweer van de betrokkene - wat daar ook van zij - dat zijn verklaring door de verbalisant niet is opgenomen in het zaakoverzicht, nu het hof de verklaring van de betrokkene niet betrekt bij de vaststelling of de gedraging is verricht. Zoals in het voorgaande is overwogen, biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant reeds op zichzelf voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht.

7. Het verweer van de betrokkene ten aanzien van de gedraging komt feitelijk hierop neer dat de verbalisant een bruine boterham die de betrokkene vasthield heeft aangezien voor een mobiele telefoon. Het hof acht dit - de geringe gelijkenis tussen een boterham en een mobiele telefoon in aanmerking genomen - onaannemelijk.

8. De betrokkene is - naar het hof begrijpt - van mening dat de uitdraai van de provider, waaruit kan worden afgeleid dat de betrokkene het toestel ten tijde van de gedraging niet heeft gebruikt, met zich meebrengt dat de sanctie ten onrechte is opgelegd. Dit verweer kan de betrokkene niet baten. Artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarop de sanctie in deze zaak is gebaseerd, verbiedt (kort gezegd) het enkele vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het besturen van een motorrijtuig. Niet van belang is of er met het toestel ten tijde van de gedraging is gebeld of ge-sms-t. De verbalisant was er dan ook niet toe gehouden om, alvorens de sanctie op te leggen, de sms- en belgeschiedenis van het toestel te controleren.

9. Gelet op het voorgaande leidt het betoog van de betrokkene niet tot twijfel aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant. Naar het oordeel van het hof staat derhalve vast dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook terecht ongegrond verklaard.

10. Het hof stelt vast dat de beslissing van de kantonrechter het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard en bepaald dat een bedrag van € 237,- aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd. Uit de overwegingen van de kantonrechter volgt echter niet dat de kantonrechter het beroep gegrond heeft willen verklaren, noch dat er redenen aanwezig waren om de sanctie te matigen of achterwege te laten. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter op dit punt niet in stand kan blijven.

11. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is bepaald dat een bedrag van € 237,- aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd, vernietigen en de beslissing van de kantonrechter voor het overige bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij is bepaald dat het bedrag van € 237,-, dient te worden gerestitueerd;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Vlieger-Dijkstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.