Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9157

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
WAHV 200.163.239 ev
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangifte verduistering voertuig door partner. Aan de betrokkene komt geen beroep toe op artikel 8, sub b, WAHV. Aangifte is gedaan na pleegdatum, terwijl in aangifte wordt opgemerkt dat ten tijde van de gedraging toestemming bestond voor gebruik van het voertuig.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2017/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.163.239, 200.163.240, 200.165.901 en 200.166.153

16 november 2016

CJIB 181563080, 181254638, 181254980 en 181254816

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissingen

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland

van 15 december 2014, 3 februari 2015 en 9 februari 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissingen ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld verweerschriften in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene zijn als kentekenhouder bij inleidende beschikkingen de volgende administratieve sancties opgelegd:

 een sanctie van € 95,- ter zake van “overschrijding maximumsnelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom met 12 km/u”, welke gedraging zou zijn verricht op 15 mei 2014 om 11:55 uur op de N381 Buttinga te Oosterwolde met het voertuig met het kenteken [kenteken] (CJIB-nummer 181563080);

 een sanctie van € 136,- ter zake van “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom, met 16 km/u”, welke gedraging met hetzelfde voertuig zou zijn verricht op 21 april 2014 om 04:29 uur op Het Noord te Drachten (CJIB-nummer 181254638);

 een sanctie van € 231,- ter zake van “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom met 24 km/u”, welke gedraging met hetzelfde voertuig zou zijn verricht op 6 mei 2014 om 12:49 uur op de Vaart ZZ (t.h.v. kazerne) te Assen (CJIB-nummer 181254980);

 een sanctie van € 180,- ter zake van “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom met 20 km/u”, welke gedraging met hetzelfde voertuig zou zijn verricht op 14 april 2014 om 06:21 uur op Het Noord te Drachten (CJIB-nummer 181254816).

2. De betrokkene voert aan dat de gedragingen zijn verricht door haar toenmalige partner, [ex-partner], die van haar auto gebruikmaakte. Zelf heeft de betrokkene in de 43 jaar dat zij haar rijbewijs heeft nog nooit een bekeuring gehad. [ex-partner] heeft de boetes destijds in ontvangst genomen en toegezegd dat hij ze zou betalen. Hij heeft dit echter nooit gedaan. Aanmaningen zijn door [ex-partner] weggemoffeld, zodat de betrokkene hier niet van afwist. [ex-partner] is op enig moment met de noorderzon vertrokken en heeft daarbij de auto van de betrokkene verduisterd. Hiervan heeft zij aangifte gedaan. De betrokkene vindt het niet eerlijk dat onschuldige mensen de dupe worden van wetten en regels.

3. Het hof stelt voorop dat, gelet op artikel 5 van de WAHV, administratieve sancties worden opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig als niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is. Daarom is het in beginsel niet van belang om vast te stellen wie het motorrijtuig ten tijde van de gedraging heeft bestuurd. Niet bestreden is dat de onder 1. genoemde gedragingen zijn verricht met een voertuig waarvan de betrokkene op dat moment kentekenhouder was.

4. Artikel 8, aanhef en onder b, van de WAHV bepaalt dat de officier van justitie de sanctiebeschikking vernietigt wanneer de kentekenhouder aannemelijk maakt dat een ander tegen zijn of haar wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt en dit gebruik redelijkerwijs niet kon worden voorkomen. Uit de door de betrokkene overgelegde aangifte blijkt dat de toenmalige partner van de betrokkene tot omstreeks eind mei 2014 haar toestemming had om van het voertuig gebruik te maken. Alle gedragingen dateren van daarvoor. De betrokkene kan zich dan ook niet op de uitzondering van artikel 8, aanhef en onder b, van de WAHV beroepen.

5. De betrokkene heeft zelf toestemming verleend voor het gebruik van haar voertuig zodat de sancties ingevolge de kentekenaansprakelijkheid aan haar konden worden opgelegd. Dat er misbruik is gemaakt van het vertrouwen dat de betrokkene in haar toenmalige partner stelde is, wat daar ook van zij, een omstandigheid die voor haar eigen risico komt. Hoezeer ook valt te begrijpen dat de betrokkene, gelet op omstandigheden waarin zij zich bevond, heeft gehandeld zoals zij heeft gedaan, een en ander brengt niet mee dat als gevolg daarvan de kentekenaansprakelijkheid in het onderhavige geval niet zou gelden. Het hof merkt overigens nog op dat het de betrokkene vrijstaat om te proberen de sancties te verhalen op degene die daar in haar ogen verantwoordelijk voor is.

6. De sancties zijn terecht opgelegd. Van bijzondere omstandigheden die een matiging daarvan zouden rechtvaardigen, is niet gebleken.

7. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter in de onderhavige zaken telkens een juiste beslissing heeft gegeven. Het hof zal de bestreden beslissingen dan ook bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissingen van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.