Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9132

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
200.185.644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering ex art. 843a Rv van cessie-akte. Daarna overlegt wederpartij alsnog de gevraagde akte. Is vordering nodeloos gemaakt zodat kosten voor eiser blijven? Hof: neen. Buiten rechte is meermaals geweigerd akte af te geven. Door eerst na instelling vordering daaraan te voldoen, zijn de proceskosten van eiser nodeloos veroorzaakt (artikel 237 lid Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.185.644

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , 359618)

arrest van 15 november 2016

in het incident ex artikel 843a Rv in de zaak van

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,

3. [appellant 3],
wonende te [woonplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf],
gevestigd te [woonplaats] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

in eerste aanleg: geïntimeerde sub 1 eiser in conventie, tevens
verweerder in reconventie

verweerders in het incident,

advocaat: mr. J. Witvoet,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

[geïntimeerde] ,

zetelende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, tevens

eiseres in reconventie,

eiseres in het incident,

hierna: de [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. K. Meijering.

Appellant sub 1 zal hierna [appellant 1] , appellante sub 2 [appellant 2] , appellant sub 3 [appellant 3] , appellante sub 4 [bedrijf] en appellanten gezamenlijk zullen [appellanten] worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
7 oktober 2015 dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 december 2015,

- de incidentele memorie ex artikel 843a Rv van de [geïntimeerde] ,

- de conclusie van antwoord in het exhibitie-incident,

- de akte uitlaten omtrent proceskosten, vermindering van eis en overleggen productie.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1

Ten aanzien van de vraag of een vordering tot overlegging van of inzage in bescheiden voor toewijzing in aanmerking komt, stelt het hof voorop dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van een aantal cumulatieve vereisten. Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet de eiser een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en moet hij inzage, afschrift of uit-treksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan een partij slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen. Ook indien aan voormelde vereisten is voldaan, kan de vordering wegens gewichtige redenen of omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde gegevens een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd, worden afgewezen.

3.2

De [geïntimeerde] heeft erop gewezen dat in juni 2012 een overeenkomst tot verkoop van het oude postkantoor te [plaats] gesloten is met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] , waarvan [appellant 1] destijds de directeur was. Tussen partijen zijn geschillen ontstaan omtrent (de uitvoering van) voormelde overeenkomst, welke hebben geleid tot een procedure tussen deze partijen. De rechtbank heeft bij vonnis van 7 oktober 2015 de eisen in conventie van [bedrijf 1] en [appellant 1] alsmede de eis in reconventie van de [geïntimeerde] afgewezen. In het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is [bedrijf 1] geen partij meer, omdat zij in staat van faillissement is verklaard. Naast [appellant 1] zijn in hoger beroep partij [appellant 2] , vriendin van [appellant 1] , diens broer [appellant 3] en [bedrijf] waarvan de behandelend advocaat in eerste aanleg de eisende partij vertegenwoordigde, aldus de [geïntimeerde] .

3.3

De [geïntimeerde] heeft in het onderhavige incident gevorderd de overlegging van een cessieovereenkomst waarvan in 2015 mededeling aan de [geïntimeerde] is gedaan door middel van betekening van deze cessie. De [geïntimeerde] heeft erop gewezen dat eerder bij herhaling is verzocht om een afschrift van de cessieovereenkomst hetgeen is uitgebleven. Zij heeft, kort samengevat, verder aangevoerd dat zij een rechtmatig belang bij het verkrijgen van een afschrift van de cessieovereenkomst heeft omdat zij wil nagaan in hoeverre de wisseling van procespartijen rechtens juist is. Daarnaast heeft zij er belang bij om te kunnen weten aan wie zij, bij een negatieve uitkomst van het hoger beroep, eventueel zou moeten betalen. De [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat tevens voldaan wordt aan de overige vereisten van artikel 843a Rv.

3.4

Bij conclusie van antwoord in het incident hebben [appellanten] de vordering van de [geïntimeerde] betwist. Zij hebben er op gewezen dat de [geïntimeerde] bij deurwaardersexploot van 31 augustus 2015 geïnformeerd is over de overdracht van (een deel van) de vordering van [appellant 1] op de [geïntimeerde] . Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de [geïntimeerde] geen rechtens relevant belang heeft bij haar vordering en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Desalniettemin hebben [appellanten] een kopie van de bedoelde akte van cessie in het geding gebracht (productie 2 bij conclusie van antwoord in het exhibitie incident). Nu de vordering nodeloos door de [geïntimeerde] is ingesteld dienen de kosten van incident door de [geïntimeerde] te worden gedragen, aldus [appellanten]

3.5

De [geïntimeerde] heeft naar aanleiding van de overlegging van de cessie-akte, waarmee voldaan is aan haar vordering, haar vordering verminderd tot enkel een veroordeling van [appellanten] in de kosten van het incident.

3.6

Nu de vordering tot afgifte van de akte van cessie is ingetrokken behoeft die vordering naar het oordeel van het hof geen verdere bespreking en beoordeling. Het geschil beperkt zich daarmee tot de proceskosten van het incident.

3.7

Het hof stelt voorop dat uit HR 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087), dat zag op een vordering in kort geding maar ook in zoverre van toepassing is op een situatie als de onderhavige, volgt dat als de gedaagde vrijwillig aan de vordering van de eisende partij voldoet ook geldt dat de eisende partij ter zitting zijn vordering kan verminderen tot alleen de vordering tot voldoening van de proceskosten, zodat de rechter hierover alsnog een oordeel dient te geven.

3.8

[appellanten] hebben afgezien van het voeren van verweer tegen de incidentele vordering van de [geïntimeerde] - op welke punten verweer kan worden gevoerd is (onder andere) geregeld in artikel 843a Rv - en zijn overgegaan tot het verstrekken van de door de [geïntimeerde] gevorderde bescheiden. Anders dan [appellanten] hebben aangevoerd is de vordering door de [geïntimeerde] niet nodeloos ingesteld, immers de vordering heeft er juist toe geleid dat de akte van cessie ter beschikking en ter kennis van de [geïntimeerde] is gekomen. Gelet op het bepaalde in het vierde lid van artikel 3:94 BW kan de [geïntimeerde] als debitor cessus ook verlangen dat aan haar een uittreksel van de akte en van de titel ter hand wordt gesteld. Daarmee heeft zij tevens belang bij en aanspraak op de verzochte inzage.

3.9

De [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij buiten rechte viermaal heeft verzocht om overhandiging van de cessie-akte. Zij heeft in het geding gebracht haar brief van 22 september 2015, waarbij voor het eerst dit verzoek is gedaan, en de afwijzende reactie van de raadsman van [appellanten] van 6 oktober 2015. Nu deze laatste brief afkomstig is van de raadsman van [appellanten] gaat het hof ervan uit dat laatstgenoemde partij met de inhoud van deze brief bekend is.

3.10

Gelet op de inhoud van de onder 3.9 aangehaalde brief van de zijde van [appellanten] en de onbestreden gebleven stelling van de [geïntimeerde] dat ook op de drie opvolgende (confraternele) verzoeken van haar raadsman afwijzend is gereageerd, kon de [geïntimeerde] niet anders dan tot de conclusie komen dan dat [appellanten] niet bereid waren de akte van cessie vrijwillig aan haar ter beschikking te stellen. Ook in zoverre was de vordering van de [geïntimeerde] in het incident niet nodeloos gedaan.

3.11

Een en ander betekent dat niet de [geïntimeerde] als aanlegger van het incident, maar [appellanten] de proceskosten in dit incident dienen te dragen, nu zij aan deze vordering eerst na instelling daarvan hebben voldaan, in plaats van een vrijwillige afgifte voorafgaand aan deze incidentele procedure. In zoverre zijn de proceskosten van de [geïntimeerde] nodeloos veroorzaakt als bedoeld in artikel 237, eerste lid, laatste volzin Rv.

Slotsom

3.12

Het hof wijst de verminderde incidentele vordering strekkende tot veroordeling van [appellanten] in de kosten van het incident toe.

VERVOLG HOOFDZAAK

3.13

Het hof zal de hoofdzaak naar de rol verwijzen voor memorie van antwoord aan de zijde van de [geïntimeerde] . Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident:

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de [geïntimeerde] vastgesteld op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de roldatum 10 januari 2017 voor memorie van antwoord aan de zijde van de [geïntimeerde] ;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, P.L.R. Wefers Bettink en M.F.J.N. van Osch en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016.