Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9075

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
200.200.907/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten jeugdzorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.200.907/01

(zaaknummer rechtbank C/17/150825 / FJ RK 16-922)

beschikking van 10 november 2016

inzake

[verzoeker] ,

thans verblijvende in behandelcentrum [A] te [B] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. J.G. Schaap te Sneek,

en

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de moeder] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de moeder,

2 [de vader] ,

wonende te [D] ,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 21 augustus 2016 en 28 september 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 oktober 2016;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van

13 oktober 2016;

- het verweerschrift met productie(s);

- een email van de GI van 25 oktober 2016 bij productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 31 oktober 2016 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. [verzoeker] werd tevens vergezeld door mevrouw [E] , pedagogisch medewerker bij [A] . Namens de GI zijn

mr. [F] en mevrouw [G] verschenen. Namens de raad is, in het kader van zijn adviserende rol, mevrouw [H] verschenen. Voorts zijn de vader en de moeder verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders is [verzoeker] [in] 2000 geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [verzoeker] .

3.2

Het college van de gemeente Leeuwarden heeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet (Jw) bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. Een gekwalificeerde gedragswetenschapper die [verzoeker] met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft ingestemd met het verzoek. Het college heeft de kinderrechter verzocht een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp ten behoeve van [verzoeker] te verlenen voor de duur van vier weken.

3.3

Bij beschikking van 31 augustus 2016 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, met ingang van 31 augustus 2016 een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [verzoeker] verleend voor de duur van vier weken.

3.4

Bij beschikking van 14 september 2016 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, [verzoeker] op verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de GI tot 14 december 2016.

3.5

Bij inleidend verzoekschrift van 21 september 2016 heeft de GI de kinderrechter verzocht ten aanzien van [verzoeker] op grond van artikel 6.1.2 lid 1 Jw een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen tot 14 december 2016.

3.6

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van

28 september 2016 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [verzoeker] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en doen verblijven met ingang van 28 september 2016 tot uiterlijk 14 december 2016.

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoeker] is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

28 september 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

[verzoeker] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw recht te doen inzake het primaire verzoek, opname in een pleeggezin voor de duur van het opstellen van het behandelplan. Omwille van doelmatigheid verzoekt [verzoeker] om het behandelplan bij voorkeur uit te laten voeren in [I] . Subsidiair verzoekt [verzoeker] toewijzing van de plaatsing voor de duur van vier weken in een gesloten inrichting voor het opstellen van een behandelplan in plaats van de duur van drie maanden.

4.2

Ter zitting van het hof heeft [verzoeker] zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat hij het hof thans verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen tot het moment dat het behandelplan van [verzoeker] bekend is, zijnde 9 november 2016, en te bepalen dat [verzoeker] vanaf

9 november 2016 tot uiterlijk 14 december 2016 in [A] verblijft in een open setting.

4.3

De GI heeft verweer gevoerd en verzoekt het hof het ingestelde beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is [verzoeker] ontvankelijk in zijn hoger beroep.

5.2

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 2 Jw slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

5.3

Het hof stelt vast dat is voldaan aan de in artikel 6.1.2 lid 3, 6.1.2 lid 5 en 6.1.10 lid 1 Jw aan het verlenen van een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 1 Jw gestelde formele eisen. Dit betekent dat nu ter beantwoording de vraag voorligt of wordt voldaan aan de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie.

5.4

[verzoeker] kan zich met de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg voor de duur van drie maanden niet verenigen. [verzoeker] is van mening dat een opname van kortere duur voldoende is om diagnostiek-onderzoek te laten plaatsvinden en een behandelplan op te stellen. [verzoeker] verbleef ongeveer een jaar op [J] , een open woongroep te [K] , en na een aantal incidenten heeft de gemeente Leeuwarden het verzoek gedaan om hem tijdelijk in een gesloten instelling te plaatsen. Om weer bij [J] te kunnen wonen is een behandelplan nodig. Dit behandelplan zal op 9 november 2016 gereed zijn en [verzoeker] is van mening dat hij daarna tot uiterlijk 14 december 2016 in een open setting bij [A] kan verblijven. Een minderjarige hoort niet opgesloten te zitten zonder dat er sprake is van ernstige gronden. De noodzaak van een gesloten plaatsing is volgens [verzoeker] onvoldoende gemotiveerd en ongegrond.

5.5

De GI stelt dat er bij [verzoeker] sprake is van ernstige gedragsproblemen die de laatste jaren zijn verergerd. Hierdoor kon [verzoeker] niet meer bij [J] blijven en was een gesloten plaatsing bij [A] noodzakelijk. De eerste weken in [A] stelde [verzoeker] zich onhandelbaar op, maar gaandeweg gaat het beter met [verzoeker] . Hij gaat weer naar school, eet beter en vindt de opname minder erg dan eerst. Ondanks die prille verbetering is het naar de mening van de GI nog te vroeg om te kunnen spreken over het opheffen van de gesloten plaatsing. Plaatsing buiten het gesloten kader geeft [verzoeker] niet alleen de mogelijkheid om zich te onttrekken aan de noodzakelijke behandeling maar zal tevens voor nieuwe spanningen, stress en instabiliteit bij [verzoeker] zorgen en naar verwachting de vervolgbehandeling bemoeilijken.

5.6

Het hof stelt voorop dat niet in geschil is - en dat ook voldoende uit de overgelegde stukken naar voren komt - dat bij [verzoeker] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Aan het hof ligt de vraag voor of deze ernstige problemen maken dat de opneming en het verblijf in een gesloten setting noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [verzoeker] zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

5.7

Naar het oordeel van het hof is het evident dat [verzoeker] hulp nodig heeft. Er is sprake van een autismespectrumstoornis (ASS) en PDD-nos. Daarnaast is er sprake van prikkelgevoeligheid, zijn er bij [verzoeker] ook kenmerken van ADHD en is er sprake van forse systeem-problematiek, te typeren als ouder-kind relatieproblematiek. [verzoeker] laat een beperkt sociaal inzicht en verantwoordelijkheidsgevoel zien en wil graag de controle houden. Bij [verzoeker] was voor zijn opname bij [A] sprake van externaliserend probleemgedrag in de vorm van recalcitrant gedrag, moeite om zich aan regels en afspraken te houden, stagnerende schoolgang, niet aanspreekbaar zijn op zijn gedrag en verbale agressie. [verzoeker] sneed zichzelf met scherven van kapot gegooide borden en kopjes, vertoonde dwingend gedrag, vernielde dingen op zijn kamer, liep weg en hield zich niet aan de afspraken. De hulp op [J] was derhalve niet meer toereikend en de opneming en het verblijf in een gesloten setting waren noodzakelijk om te voorkomen dat [verzoeker] zich aan de zorg die hij nodig heeft zou onttrekken. Er is bij [verzoeker] bij [A] sprake van een voorzichtige positieve lijn in zijn gedrag en zijn vrijheden worden stapsgewijs uitgebreid. Met de GI is het hof echter van oordeel dat de machtiging tot opname in een gesloten accommodatie noodzakelijk blijft, om te voorkomen dat [verzoeker] zich aan de noodzakelijke hulp onttrekt. De rust, voorspelbaarheid en de prikkelarme behandelomgeving zijn belangrijke voorwaarden om de behandeling, specifieke trainingen en therapieën te doen slagen. Binnen de gesloten setting kunnen de vrijheden van [verzoeker] de komende weken verder uitgebreid worden als [verzoeker] in staat blijkt de positieve lijn in zijn gedrag door te trekken. Het hof ziet het grote belang van [verzoeker] bij een perspectief in [J] nu hij daar ‘warmte en geborgenheid’ heeft ervaren. Het hof hecht een groot belang aan het feit dat de wederzijdse verbondenheid tussen [verzoeker] en [J] , ondanks zijn (tijdelijke) verhuizing, in stand is gebleven. Een te snelle overgang naar een geheel open setting acht het hof echter niet in het belang van [verzoeker] omdat hij zich dan kan onttrekken aan de hulpverlening wat de kans op een succesvolle overgang naar [J] zal verkleinen.

5.8

De GI heeft aangegeven dat zij nog moet onderzoeken of [J] de aangewezen plek voor [verzoeker] is. Voor [verzoeker] is [J] erg belangrijk, hij geeft aan dat het als familie voelt en hij voelt zich er veilig. Het hof acht het dan ook van groot belang dat [verzoeker] na (uiterlijk) 14 december 2016 wordt geplaatst bij [J] , mits dit past in de gestelde diagnostiek.

In ieder geval dient de GI haast te maken met het onderzoek naar [J] zodat het voor [verzoeker] snel duidelijk is waar hij naartoe werkt.

5.9

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 28 september 2016.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, A.R. van der Winkel en J.D.S.L. Bosch, bijgestaan door mr. M. Koster als griffier, en is op 10 november 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.