Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9064

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
200.178.819/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Alimentatieplichtige is zzp-er. Gemiddelde winst uit onderneming gedurende een periode van 6 jaar.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2017/50
PFR-Updates.nl 2016-0314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.178.819/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/380325 / FL RK 14-2402)

beschikking van 8 november 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F. Heidinga te Almere,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P. Bosma te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 27 augustus 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 15 oktober 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 1 december 2015;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bosma van 1 april 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Heidinga van 1 april 2016 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 1991 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is [in] 1993 de thans meerderjarige [de meerderjarige] geboren (verder te noemen: [de meerderjarige] ).

3.2

Partijen hebben in 2008 en 2009 samen in Italië gewoond. Nadat partijen eind 2009 naar Nederland zijn teruggekeerd, hebben zij tot medio 2012 een zogeheten latrelatie gehad. Medio 2012 hebben partijen besloten het huwelijk te beëindigen.

3.3

De man heeft sinds 1 januari 2010 een eenmanszaak, genaamd [C] .

3.4

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 5 november 2014, heeft de vrouw verzocht - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en te bepalen dat de man met ingang van 11 augustus 2014 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te betalen van € 3.351,60 netto per maand.

3.5

De man heeft verweer gevoerd en verzocht - voor zover hier van belang - het verzoek van de vrouw met betrekking tot een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud af te wijzen.

3.6

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 27 augustus 2015 - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand van € 236,- bruto per maand.

3.7

Ter zitting in hoger beroep hebben partijen verklaard dat de echtscheidingsbeschikking op 19 oktober 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

4.2

De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 augustus 2015. De grieven zien op de draagkracht van de man. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de vastgestelde partneralimentatie en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 3.351,60 bruto per maand dient te betalen met ingang van 29 juni 2015, althans een zodanig bedrag en met een zodanige ingangsdatum als het hof juist acht.

4.3

De man is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de man een rendement heeft genoten van € 29.121,12 respectievelijk dat het rendement kan worden bepaald op een willekeurige datum, in casu 25 juni 2015, en opnieuw rechtdoende de bestreden beschikking te verbeteren althans te bepalen dat door de man over zijn vermogen tot en met 2014 geen rendement is behaald dat gevolgen heeft voor de draagkracht van de man en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover daarbij een uitkering tot levensonderhoud is toegekend van € 236,- per maand, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Ingangsdatum

5.1

Ter zitting is gebleken dat de ingangsdatum van de alimentatieverplichting in hoger beroep geen geschilpunt (meer) is tussen partijen. Het hof zal, evenals de rechtbank, uitgaan van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking ingeschreven is in de registers van de burgerlijke stand, te weten 19 oktober 2015.

Behoefte vrouw

5.2

In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat de behoefte van de vrouw in 2015 € 1.968,- netto per maand bedraagt.

Behoeftigheid

5.3

Tussen partijen is in geschil of de vrouw behoeftig is en zo ja, tot welk bedrag.

5.4

Het hof is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, de vrouw haar stelling dat zij momenteel als gevolg van medische beperkingen niet in staat is om te solliciteren en/of betaalde arbeid te verrichten onvoldoende heeft onderbouwd.

Uit het inleidend verzoekschrift van de vrouw komt naar voren dat de vrouw gedurende 26 jaar voor [D] heeft gewerkt. Vanaf de geboorte van [de meerderjarige] in 1993 is de vrouw daar parttime gaan werken. In 2001 is zij wegens een reorganisatie ontslagen en heeft zij ter zake van een ontslagvergoeding tot 2011 een uitkering via een stamrechtconstructie ontvangen van € 6.324,- bruto per jaar. Vanaf 2001 heeft de vrouw gedurende vijf jaar niet gewerkt en voor [de meerderjarige] gezorgd. Sinds 2006 heeft de vrouw, weliswaar op grond van tijdelijke contracten en parttime, weer betaalde arbeid verricht, laatstelijk in 2012 en 2013 voor 32 uur per week. Vanaf april 2013 is de vrouw werkloos. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat zij sindsdien veelvuldig heeft gesolliciteerd. Echter, de man heeft gesteld - en de vrouw heeft dit erkend - dat de vrouw in de periode dat zij daarvoor parttime werkte, selectief heeft gesolliciteerd, omdat zij spaargeld had en dit (deels) heeft aangewend om in haar levensonderhoud te voorzien.

Voor zover de vrouw zich op het standpunt heeft gesteld dat zij tijdens het huwelijk zorg heeft gedragen voor [de meerderjarige] en daardoor een achterstand heeft op de arbeidsmarkt, volgt het hof haar hierin niet. Uit het voorgaande volgt immers dat de vrouw tijdens het huwelijk heeft gewerkt en ook nadat zij gedurende vijf jaar geen betaalde arbeid had verricht, weer werk heeft gevonden.

5.5

Gelet op het bovenstaande acht het hof het redelijk om de vrouw vanaf 19 oktober 2015 (de ingangsdatum van de onderhoudsverplichting van de man) een verdiencapaciteit ter hoogte van € 1.000,- netto per maand toe te dichten.

5.6

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de resterende behoefte van de vrouw (€ 1.968,- - € 1.000,- = ) € 968,- netto per maand bedraagt. In beginsel dient deze resterende behoefte gebruteerd te worden, aangezien de vrouw hierover belasting verschuldigd is. Echter, gelet op de hierna te bespreken draagkracht van de man, is evident dat de door de man te betalen bijdrage in de resterende behoefte van de vrouw (die bruto veel hoger is gelegen dan € 968,- netto) wordt begrensd door de (maximale) draagkracht van de man. Het hof zal derhalve brutering van die resterende behoefte achterwege laten en volstaan met het bespreken van de draagkracht van de man.

Draagkracht man

* Bedrijfsresultaten

5.7

De vrouw heeft de door de man overgelegde financiële stukken en de daarin vermelde bedrijfsresultaten betwist. De vrouw heeft zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening dient te worden gehouden met de gemiddelde winst uit de onderneming van de man over de jaren 2013 tot en met 2015.

5.8

De man heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat met de gemiddelde winst uit zijn onderneming over de jaren 2010 tot en met 2015 rekening gehouden dient te worden. Daarbij heeft hij aangevoerd dat, aangezien hij nog niet over de jaarstukken over het jaar 2015 beschikt, met betrekking tot 2015 uitgegaan dient te worden van de behaalde omzet in dat jaar minus een bedrag van € 8.000,- aan bedrijfslasten.

5.9

Het hof acht het in het onderhavige geval redelijk om bij de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van de winst uit onderneming over de jaren 2010 tot en met 2015. De man werkt als zzp-er (consultant) in de ICT-branche, binnen, gelet op zijn arbeidsverleden, het deelgebied logistiek. Op basis van de overgelegde financiële stukken constateert het hof dat er in de afgelopen zes jaar sprake is geweest van een patroon waarbij de man in periodes geen omzet behaalt. De man heeft ter zitting aangegeven dat dit vanaf het laatste kwartaal 2015 en in dit jaar weer het geval is. De man weet niet hoe dit komt. Hij heeft zijn netwerk op orde en zijn beschikbaarheid is bekend. Inmiddels is hij, vanwege deze onzekerheid, ook aan het solliciteren voor een vaste baan. Op dit moment heeft de man geen opdrachten als zzp-er en geen (zicht op een) vaste baan. Gelet op de door de man aangegeven onzekerheid in de continuïteit van zijn inkomen geeft het naar het oordeel van het hof daarom een meer representatief beeld van het inkomen van de man als wordt uitgegaan van zijn winst uit onderneming over een ruimere periode, de afgelopen zes jaren, dan over de door de vrouw verzocht periode van de laatste drie jaren. Daarnaast heeft de vrouw haar stellingen dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van de financiële stukken van de man en haar stelling dat de man de inkomsten over 2014 moedwillig buiten de procedure heeft willen houden, onvoldoende onderbouwd zodat het hof daaraan voorbij zal gaan. De door de man overgelegde stukken sluiten bovendien cijfermatig op elkaar aan. Zo heeft de man definitieve aanslagen inkomstenbelasting overgelegd, over de jaren 2011 en 2012, welke aanslagen overeenkomen met de door de man ingediende aangiftes. Ter zitting heeft de man nog verklaard dat hij nog niet beschikt over de definitieve aanslagen over de jaren 2013 tot en met 2015. Hij dient zijn aangifte inkomstenbelasting jaarlijks - met toestemming van de Belastingdienst - pas in september in. De definitieve aanslag over 2012 is pas opgelegd op 11 maart 2015. Gelet op het moment van indiening van de aangifte en de duur van de periode voordat de definitieve aanslag wordt opgelegd, acht het hof de stelling van de man dat hij nog niet beschikt over definitieve aanslagen over de afgelopen jaren, aannemelijk. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de door de man overgelegde jaarrekeningen niet zijn opgesteld door een accountant, gaat het hof voorbij aan deze stelling nu een zzp-er niet verplicht is om jaarstukken op te stellen noch om deze te laten controleren door een belastingadviseur of accountant.

5.10

Uit de overgelegde jaarstukken blijkt dat de winst uit onderneming in 2010 € 23.386,-, in 2011 € 29.207,-, in 2012 € 39.662,-, in 2013 € 32.492,- en in 2014 € 76.137,- bedroeg.

Met betrekking tot het jaar 2015 heeft de man - nu hij over dat jaar nog niet over andere financiële stukken beschikt - de aangiftes omzetbelasting overgelegd. De man heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het resultaat over 2015 voor de onderhavige procedure bepaald kan worden door uit te gaan van de totale omzet in dat jaar minus een bedrag van € 8.000,- aan bedrijfslasten. Nu de vrouw dit niet heeft betwist en dit het hof ook overigens niet onaannemelijk voorkomt, mede in verhouding tot de bedrijfslasten en omzet in de voorgaande jaren, zal het hof voor het jaar 2015 uitgaan van een resultaat van:

€ 39.120,- + € 35.785,- + € 25.032,- + € 0,- = € 99.937,- - € 8.000,- = € 91.937,-.

5.11

Gelet op het voorgaande zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met een gemiddelde winst uit onderneming van (afgerond) € 48.804,- (( € 23.386,- + € 29.207,- + € 39.662,- + € 32.492,- + € 76.137,- + € 91.937,-) / 6).

* Rendement

5.12

Tussen partijen is in geschil of er rekening dient te worden gehouden met een door de man al dan niet behaald rendement uit vermogen en zo ja, op welke wijze.

5.13

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man in een jaar tijd een rendement over zijn vermogen heeft genoten van € 29.121,12 en dat dit bedrag bij de draagkrachtberekening van de man opgevoerd dient te worden onder post 102c, als redelijkerwijs te realiseren rendement, en derhalve niet onder post 104/105, zoals in de berekening bij de bestreden beschikking is gedaan en waardoor enkel rekening is gehouden met de te betalen inkomstenbelasting door de man over het behaalde rendement, maar niet met de inkomsten uit vermogen. Voorts is de vrouw van mening dat onder post 104/105 de omvang van het vermogen van de man op 1 januari 2014, volgens de vrouw in totaal € 98.167,-, dient te worden opgenomen.

5.14

De man heeft verweer gevoerd en gesteld dat hij voldoende heeft aangetoond dat hij geen rendement over zijn vermogen heeft behaald en dat in de bestreden beschikking ten onrechte rekening is gehouden met een door de vrouw gesteld rendement op een willekeurige datum.

5.15

Het hof overweegt als volgt. Uit het inleidend verzoekschrift van de vrouw blijkt dat partijen, nadat zij eind 2009 zijn teruggekeerd naar Nederland, het bedrag dat resteerde uit de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning (circa € 200.000,-), bij helfte hebben verdeeld. In hoger beroep heeft de man dit bevestigd en zich op het standpunt gesteld dat nu het vermogen tussen partijen is verdeeld, het vermogen buiten beschouwing moet blijven bij de berekening van de draagkracht van de man. Het hof volgt de man in dit standpunt. Het hof acht het niet redelijk om thans bij de berekening van de draagkracht van de man zijn (deel van het) vermogen wel te betrekken en dit bij de vrouw in het kader van haar behoeftigheid niet te doen, nu het betreffende vermogen indertijd tussen partijen bij helfte is verdeeld. Het hof zal dan ook bij de berekening van de draagkracht van de man het eventuele (rendement uit) vermogen buiten beschouwing laten.

* Woonlasten

5.16

De man heeft in hoger beroep - zonder nadere toelichting - twee huurovereenkomsten overgelegd, één betreffende zijn huidige woning in [A] en één betreft de "toekomstige woning [E] ". Uit deze overeenkomsten kan worden afgeleid dat de man voor zijn woning te [A] met ingang van 16 november 2015 voor de duur van één jaar en 15 dagen een huurprijs van € 916,98 per maand dient te betalen en dat hij voor zijn woning te [E] een huurprijs van € 1.050,- per maand zou moeten betalen. De vrouw heeft ter zitting betwist dat rekening dient te worden gehouden met de hogere huurprijs van de gestelde toekomstige woning, nu deze huurovereenkomst niet is getekend en gedateerd en bovendien onduidelijk is per wanneer de man in deze woning zal gaan wonen.

5.17

Het hof is van oordeel dat gelet op de betwisting van de vrouw, de man onvoldoende heeft aangetoond dat hij een hogere huurprijs dient te betalen. Het hof zal dan ook uitgaan van de huidige huurprijs van (afgerond) € 917,-.

* Conclusie draagkracht man

5.18

Het voorgaande en mede in aanmerking genomen de voor het overige niet betwiste draagkrachtberekening van de rechtbank in eerste aanleg, leidt tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier van het hof gewaarmerkte berekening van de draagkracht van de man voor partneralimentatie naar de tarieven van 2015-II. Uit de berekening blijkt dat de man een draagkrachtruimte heeft van € 970,- per maand. Van deze draagkrachtruimte is 60%, derhalve € 582,- beschikbaar voor partneralimentatie. Rekening houdend met het door de man te verkrijgen fiscaal voordeel is de man in staat € 1.003,- bruto per maand bij de dragen in de behoeftigheid van de vrouw.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.6 is overwogen, zal het hof de partneralimentatie bepalen op laatstgenoemd bedrag.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 27 augustus 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 19 oktober 2015 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.003,- bruto per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, J.G. Idsardi en A.W. Jongbloed, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 8 november 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.