Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:9042

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
11-11-2016
Zaaknummer
21-004720-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van voorbedachte raad; het hof ziet bewijsrechtelijke problemen als ook een contra-indicatie (onder meer) gelegen in de psychische toestand van verdachte. Veroordeling van verdachte ter zake van doodslag en poging tot doodslag. Overwegingen omtrent voorwaardelijk opzet en toerekening. Oplegging van gevangenisstraf van 6 jaar, met aftrek, en TBS met verpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0465
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004720-15

Uitspraak d.d.: 11 november 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 4 augustus 2015 met parketnummer 16-659727-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

thans verblijvende in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 19 november 2015 en 28 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair (impliciet primair: moord), 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest, en de oplegging van de TBS-maatregel met verpleging, de volledige toewijzing van de vorderingen benadeelde partij van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de teruggave aan verdachte van de aan hem toebehorende, op de beslaglijst vermelde goederen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. A. Taner, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

Primair


hij op of omstreeks 29 juli 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, die [slachtoffer 1] (met) een (koks)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in diens (linker)zij, althans romp, in elk geval lichaam, gestoken, althans geduwd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

Subsidiair


hij op of omstreeks 29 juli 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (diepe steekverwonding met beschadiging van de aorta en/of de onderste holle ader en/of de milt en/of de darm), heeft toegebracht, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, die [slachtoffer 1] (met) een (koks)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in diens (linker)zij, althans romp, in elk geval lichaam, te steken, althans te duwen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;


2.
hij op of omstreeks 29 juli 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een winkel gevestigd aan de [adres] ) heeft weggenomen een (koks)mes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan "de Marskramer", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.
hij op of omstreeks 28 juli 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk
[slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp met ([zeer] veel kracht) op/tegen/in diens (onder)rug en/of diens borst(been), althans romp, heeft gestoken en/of geprikt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak ter zake van het onder 1 primair, impliciet primair, ten laste gelegde (moord)

Onder 1 primair, impliciet primair, is aan verdachte moord gepleegd ten aanzien van
[slachtoffer 1] ten laste gelegd. Of sprake is geweest van moord hangt af van de vraag of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De rechtbank heeft geoordeeld dat bij verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad en heeft moord bewezen geacht. Ter terechtzitting van het hof heeft ook de advocaat-generaal daartoe geconcludeerd. De raadsman van verdachte heeft, zoals weergegeven in de pleitnota, betwist dat sprake is geweest van voorbedachte raad en hij heeft gepleit tot de vrijspraak van verdachte.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Vast is komen te staan dat verdachte het koksmes waarmee hij het slachtoffer heeft gestoken kort daarvoor had gestolen bij de Marskramer. Verdachte heeft geen bevredigende verklaring kunnen geven voor het verwerven van dit mes en het feit dat hij het mes heeft meegenomen naar de woning van het slachtoffer. Aanvankelijk heeft verdachte verklaard dat hij naar de woning van het slachtoffer is gegaan omdat hij nog geld van hem tegoed had en dat hij het mes heeft gepakt en daarmee heeft gestoken omdat hij werd weggeduwd. Tijdens een raadkamerverhoor bij de rechtbank op 13 augustus 2014 heeft verdachte evenwel verklaard dat hij het mes had meegenomen met het idee om [slachtoffer 1] daarmee te steken, dat hij onderweg naar diens woning heeft nagedacht het wel of niet te doen en nog wel heeft getwijfeld, dat hij uit het niets heeft gestoken, zonder dat hij werd geduwd of iets dergelijks. Verdachte benoemt daarbij dat hij met voorbedachte raad heeft gehandeld. In een latere verklaring ter terechtzitting bij de rechtbank, heeft verdachte afstand genomen van deze verklaring. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte nader over de verschillende door hem afgelegde verklaringen verklaard.

Verdachte heeft bij het hof aangegeven dat hij ten tijde van het afleggen van zijn verklaring in de raadkamer in een erg verwarde toestand verkeerde. Ook heeft hij aangegeven dat hij zich de gebeurtenissen in de aanloop van het steken van [slachtoffer 1] niet specifiek kan herinneren en dat hij zelf niet begrijpt dat hij in de raadkamer deze verklaring heeft afgelegd. In het Pro Justitia Rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC) d.d. 27 februari 2015 wordt verslag gedaan van de psychische toestand van verdachte mede aan de hand van informatie die door het PPC is verstrekt waar verdachte ten tijde van de raadkamerzitting verbleef.

Uit de samenvatting van die verslaglegging blijkt dat verdachte in deze periode in verwarde toestand verkeerde. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat er twijfels zijn over de juistheid van deze door verdachte eenmalig afgelegde verklaring.

Daarbij komt dat het hof vaststelt dat uit genoemd rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, evenals een ziekelijke stoornis, te weten een chronisch psychotische stoornis in de vorm van schizofrenie, en dat deze ook ten tijde van het laste gelegde aanwezig waren; de deskundigen stellen dat verdachte in die tijd op psychotisch niveau functioneerde. Op pagina 62 van genoemd rapport staat voorts gerelateerd: “Zowel de gebrekkige ontwikkeling als de ziekelijke stoornis hebben de gedragskeuzes van betrokkene ten tijde van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, beïnvloed. (…) Onderzoekers zijn van mening dat ook voor zover betrokkene planmatig handelde, hij niet op gezonde wijze, los van de beschreven problematiek, keuzes en afwegingen heeft kunnen maken.” Als ander aspect van het ziektebeeld wordt door de deskundigen genoemd dat verdachte leidt aan geheugenstoornissen.

In het voorgaande ziet het hof bewijsrechtelijke problemen als ook een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, komt het hof derhalve, met de verdediging, tot de conclusie dat verdachte partieel vrijgesproken dient te worden van de onder 1 primair, impliciet primair, ten laste gelegde voorbedachte raad.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder 1 primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde (doodslag)

Het hof ziet zich ter zake van feit 1 primair voorts gesteld voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag gepleegd ten aanzien van [slachtoffer 1] . Dit is impliciet subsidiair aan hem ten laste gelegd.

Ter terechtzitting van het hof heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte ook hiervan vrijgesproken dient te worden nu hij geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Het enkele steken in de zij levert naar algemene ervaringsregels geen aanmerkelijke kans op het intreden van diens dood op, aldus de raadsman.

Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] als gevolg van zijn handelen zou kunnen komen te overlijden.

Of sprake is van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg dat het (behoudens contra-indicaties) niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit het dossier blijken de navolgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] met een mes eenmaal in de linkerzij gestoken waarbij het mes in diens lichaam is achtergebleven. [slachtoffer 1] heeft het mes op enig moment zelf uit zijn lichaam verwijderd.

Verdachte heeft gestoken met een koksmes met een lemmet van 15 centimeter en een heft van 12 centimeter. Bij het steken zijn vitale organen beschadigd, zoals de aorta, de onderste holle ader en de milt. Hierdoor is een verbloedingsshock ontstaan met als gevolg overlijden door hartfalen. De verwonding had een steekkanaal van ongeveer 18 centimeter te herleiden van links naar rechts en iets naar voren en voetwaarts door de romp.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat verdachte met een groot, scherp mes [slachtoffer 1] in de zij heeft gestoken in de buurt van zijn vitale organen waarvan enkele ook daadwerkelijk zijn geraakt en beschadigd. Verdachte heeft een zeer diepe wond toegebracht waarbij het mes voorbij het lemmet, tot en met een deel van het heft, in het lichaam van [slachtoffer 1] is gekomen. Hieruit leidt het hof af dat verdachte met aanzienlijke kracht moet hebben gestoken.

Anders dan de verdediging heeft bepleit, levert het op de hiervoor beschreven wijze van steken naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat [slachtoffer 1] het leven zou laten. Het handelen van verdachte dient naar de uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer 1] dat het niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken.

Anders dan is bepleit, acht het hof derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en dat hij de onder 1 primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd. Het verweer wordt verworpen.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder 3 ten laste gelegde

Onder 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag gepleegd ten aanzien van [slachtoffer 2] .

Ter terechtzitting van het hof heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte hiervan vrijgesproken dient te worden nu verdachte geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] . Het mes waarmee verdachte heeft gestoken was bot en derhalve niet geschikt om een ander dodelijk te verwonden. Naar algemene ervaringsregels levert het steken met een dergelijk mes niet de aanmerkelijke kans op dat [slachtoffer 2] het leven zou laten, aldus de raadsman.

Ook hier geldt dat voorwaardelijk opzet aanwezig is indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] als gevolg van zijn handelen zou kunnen komen te overlijden. De jurisprudentieregels op dit punt, zoals die reeds hiervoor zijn weergegeven, gelden ook hier.

Uit het dossier blijken de navolgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft [slachtoffer 2] met kracht met een mes gestoken waarbij deze op het borstbeen, vlak onder de hals, is geraakt en een bloedende verwonding heeft opgelopen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het mes van metaal was en het handvat zwart. Na het steken was het mes krom, gekreukeld. Voor het steken was dit nog niet het geval. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het mes precies op zijn bot (borstbeen) terecht is gekomen. Getuige [getuige] heeft aangegeven dat het mes ongeveer 25 centimeter groot was.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat verdachte [slachtoffer 2] met veel kracht met een mes – zoveel kracht dat het mes na het steken krom/gekreukeld is geraakt nadat het op het borstbeen is afgeketst – heeft gestoken in de richting van diens bovenlichaam in de buurt van de hals(slagaders) en andere vitale lichaamsdelen.

Anders dan de verdediging heeft bepleit levert het op de hiervoor beschreven wijze van steken naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat [slachtoffer 2] het leven zou laten. Het handelen van verdachte dient naar de uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer 2] dat het niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken. Dat voornoemd handelen van verdachte in het onderhavige geval geen ergere gevolgen heeft gehad dan ‘slechts’ het toebrengen van een verwonding, lijkt niet gelegen in het handelen van verdachte, maar in het feit dat het mes is afgeketst op het borstbeen van [slachtoffer 2] .

Anders dan is bepleit, acht het hof derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] en dat hij de onder 3 ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

Primair


hij op 29 juli 2014 te [plaats] , opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer 1] met een koksmes in diens linkerzij gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.
hij op 29 juli 2014 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel gevestigd aan de [adres] heeft weggenomen een koksmes, toebehorende aan "de Marskramer";

3.
hij op 28 juli 2014 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2] met een mes met (zeer) veel kracht tegen diens borstbeen heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft het hof gelet op de omtrent de persoon van verdachte opgemaakte rapportages, in het bijzonder het reeds genoemde Pro Justitia Rapport van het NIFP, locatie PBC, d.d. 27 februari 2015 en het Pro Justitia rapport van het NIFP, locatie PBC, d.d. 16 juli 2015, beide opgesteld door D. Harari, psychiater, en
T.W. van de Kant, psycholoog.

Uit deze rapportages blijkt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis, te weten een chronisch psychotische stoornis in de vorm van schizofrenie, en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er is sprake van een grote structuurarmoede en er zijn structurele beperkingen in het functioneren van verdachte. De diagnostische achtergrond van deze beperkingen is een vermoedelijk foetaal alcoholsyndroom, mogelijk een autistische stoornis, vermoedelijke zwakbegaafdheid en een verstoorde sociaal emotionele ontwikkeling door ernstige omstandigheden in de kindertijd. Verdachtes persoonlijkheid is door alle problematiek scheef gegroeid, maar ook vooral onrijp en weinig gedifferentieerd. Vanaf jonge leeftijd is bij hem sprake van verslavingsproblematiek.

De deskundigen stellen vast dat de gebrekkige ontwikkeling en de ziekelijke stoornis ten tijde van het bewezen verklaarde aanwezig waren en dat verdachte functioneerde op psychotisch niveau. De gedragskeuzes van verdachte zijn hierdoor beïnvloed. De deskundigen adviseren om verdachte als minstens verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Ze relateren in dit kader: “Sterk verminderd toerekeningsvatbaar zou recht doen aan de ernst van de psychopathologie van betrokkene, maar onderzoekers hebben dit niet kunnen onderbouwen doordat er onvoldoende zicht is verkregen op de toedracht van het ten laste gelegde. Ook is niet uitgesloten dat indien er meer zicht op het ten laste gelegde was verkregen, onderzoekers tot het advies zouden zijn gekomen betrokkene als geheel ontoerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde te beschouwen.”

Het hof neemt voornoemde conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over en maakt die tot de zijne. Het hof concludeert dat de bewezen verklaarde feiten op zijn minst in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend en acht, nu ook verder geen feiten of omstandigheden bekend zijn die de strafbaarheid van verdachte zouden kunnen opheffen of uitsluiten, de feiten en verdachte in zoverre strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

Oplegging straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten, te weten doodslag, alsmede een poging daartoe en een diefstal.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] met een mes in de zij gestoken ten gevolge waarvan hij is komen te overlijden. Daarmee heeft verdachte [slachtoffer 1] beroofd van zijn kostbaarste bezit, zijn leven. Tevens heeft verdachte de dag ervoor [slachtoffer 2] met een mes gestoken. Dat [slachtoffer 2] hier (enkel) een verwonding aan heeft overgehouden lijkt slechts gelegen in het feit dat het mes is afgeketst op het borstbeen van [slachtoffer 2] en is niet te danken aan het handelen van verdachte.

Onduidelijk blijft waarom verdachte is gekomen tot zijn daden en waarom hij zodanig hevig geweld heeft toegepast als gevolg waarvan [slachtoffer 1] is overleden. Verdachte heeft met zijn daden gezorgd voor angst- en onveiligheidsgevoelens bij de nabestaanden van [slachtoffer 1] en bij [slachtoffer 2] in het bijzonder en in de maatschappij in het algemeen. Het hof rekent dit verdachte aan.

Aan de nabestaanden van [slachtoffer 1] heeft verdachte een groot en onherstelbaar leed toegebracht. Uit de slachtofferverklaring van de moeder van [slachtoffer 1] , [benadeelde 2] , afgelegd ter terechtzitting van het hof, blijkt dat zij en haar gezin nog dagelijks geconfronteerd worden met het verlies waar zij mee moeten leven. Tevens geeft zij aan zich dagelijks af te vragen waarom dit haar zoon heeft kunnen en moeten overkomen.

Voorts houdt het hof rekening met het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 september 2016, waaruit blijkt dat verdachte meermalen eerder onherroepelijk veroordeeld is ter zake van strafbare feiten, waaronder ook geweldsdelicten.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en verdachtes strafrechtelijk verleden, komt naar het oordeel van het hof geen andere straf in aanmerking dan een lange onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.

Nu het hof anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, komt tot de bewezenverklaring van doodslag ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, zal het hof een lagere straf opleggen dan in eerste aanleg is gedaan en door de advocaat-generaal is gevorderd. Tevens zal het hof in de strafmaat rekening houden met het feit dat de bewezen verklaarde feiten op zijn minst in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend, zoals hiervoor reeds is overwogen.

Aan verdachte wordt derhalve een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, opgelegd.

Oplegging maatregel

De rechtbank heeft naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal dit opnieuw gevorderd. Het hof zal hierna beoordelen of deze maatregel zal worden opgelegd.

Het dossier bevat meerdere rapportages omtrent de persoon van verdachte, waaronder de reeds hiervoor aangehaalde. Aan de hand van onder meer die rapportages zal het hof toetsen of aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereisten voor het opleggen van een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is voldaan.

Zoals hiervoor reeds is weergegeven is bij verdachte sprake van een ziekelijke stoornis, te weten een chronisch psychotische stoornis in de vorm van schizofrenie, en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Beiden bestonden ook ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

Tevens is in onderhavige zaak sprake van misdrijven zoals bedoeld in artikel 37a, lid 1, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of er sprake is van zodanig recidivegevaar dat die de oplegging van de maatregel eist, in die zin dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

Uit de Justitiële Documentatie van verdachte blijkt dat hij veelvuldig met justitie in aanraking is geweest.

In het Reclasseringsadvies d.d. 17 september 2014 stelt de reclassering dat er een zeer hoge kans op recidive is.

Ook de hiervoor aangehaalde deskundigen geven aan dat het risico op recidive zeer hoog is indien verdachte onbehandeld blijft. Verdachte mist de coping die nodig is om zich op niet criminele wijze staande te houden. Daarbij is de kans groot dat verdachte middelen of alcohol gebruikt en hierop verder ontregelt en tot een geweldsdelict komt. Er is in de situatie van verdachte, zijn voorgeschiedenis en zijn persoon geen enkele beschermende factor aan te wijzen die het risico op geweld zou verlagen.

De deskundigen stellen dat in eerste instantie de psychotische stoornis behandeld dient te worden, met name medicamenteus, en dat voorts, bij opklaren van de psychose, de forse onderliggende ontwikkelingspathologie en verslavingsproblematiek behandeling behoeven. De deskundigen merken op dat de behandeling van de psychose bemoeilijkt zou kunnen worden door de ontwikkelingsstoornis, die de leerbaarheid en capaciteiten van verdachte drukt. De behandeling zal intensief en langdurig moeten zijn in een kliniek die afgestemd is op het niveau van functioneren van verdachte. Bovendien zal de behandeling een stevig juridisch kader behoeven. De deskundigen relateren dat behandeling in de GGZ nooit is gelukt, evenmin als reclasseringscontacten of pogingen verdachte te huisvesten. Een behandeling als bijzondere voorwaarde achten zij dan ook niet haalbaar. Een behandeling in het kader van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis) achten de deskundigen volstrekt ontoereikend qua tijdsbestek.

De deskundigen adviseren derhalve om de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.

Het hof is – met de rechtbank en de advocaat-generaal - van oordeel dat, gelet op de problematiek die omschreven wordt, behandeling niet anders kan dan in het kader van een terbeschikkingstelling.

Het hof stelt derhalve vast dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege eist. Deze maatregel zal dan ook – conform het vonnis van de rechtbank en de eis van de advocaat-generaal -, naast eerdergenoemde gevangenisstraf, aan verdachte opgelegd worden.

Het hof stelt voorts vast dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit heeft gelet op artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht als gevolg dat deze maatregel niet gemaximeerd is en derhalve een periode van vier jaar te boven kan gaan.

Beslag

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal het hof de teruggave aan verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder de nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 16 en 17 vermelde inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten respectievelijk:

- 1 rechterschoen, Nike;

- 1 linkerschoen, Nike;

- 1 zwarte pet, Nike;

- 1 zwarte damesfiets Trans du Pain;

- 1 gestreepte blouse;

- 1 trui;

- 1 jas;

- 1 shirt;

- 1 broek;

- 2 sokken;

- 1 stuk ondergoed;

- 1 broek;

- 1 vest;

- 1 document uit zak met diverse documenten [verdachte] ;

- 1 fietslamp.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 276,08. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot genoemd bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Verdachte wordt verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt naar het hof uit de toelichting van de raadsvrouw van de benadeelde partij begrijpt in totaal € 14.036,33. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.786,33. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schade betreft materiële schade.

In eerste aanleg is een bedrag van € 8.250,-- op de vordering in mindering gebracht. Dit betreft een bedrag dat is uitgekeerd uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij
mr. W. van Egmond gesteld dat het reeds uitgekeerde bedrag slechts een voorschot betreft en dat uit artikel 6 van de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven en de jurisprudentie (vgl. de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 26 januari 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:156)) volgt dat dit bedrag niet in mindering gebracht dient te worden op de vordering benadeelde partij. De raadsman van verdachte heeft verzocht het uitgekeerde bedrag wel in mindering te brengen op de vordering.

Met het gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelt het hof dat de uitkering van het Schadefonds een voorlopig karakter heeft en dat deze niet in mindering gebracht dient te worden op hetgeen de benadeelde partij in onderhavige strafzaak vordert. Het hof zal het reeds uitgekeerde bedrag van € 8.250,-- dan ook niet in mindering brengen waarmee de schade wordt gesteld op een bedrag van € 14.036,33. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Verdachte wordt verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof ter zake van beide vorderingen de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Het hof acht het - met de verdediging - illusoir dat verdachte, aan wie een langdurige gevangenisstraf en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege waarvan de duur in de gegeven situatie onbepaald is, wordt opgelegd, in staat zal zijn binnen een redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarmee zou de normaliter op te leggen vervangende hechtenis, die immers is bedoeld als drukmiddel voor betalingsonwilligen, een punitief karakter krijgen, hetgeen het hof ongewenst acht. Anders dan de verdediging heeft verzocht, ziet het hof hierin echter geen reden in het geheel af te zien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft er immers belang bij een vergoeding uit het schadefonds te ontvangen en het verhaal hiervan op verdachte door de Staat te laten uitvoeren die buiten vervangende hechtenis over andere middelen beschikt (zoals bijvoorbeeld beslaglegging op nog te ontvangen vermogens ) om dat verhaal te laten plaatsvinden. Het hof houdt met het genoemde rekening door te bepalen dat bij gebreke aan betaling van de aan de Staat te betalen bedragen telkens slechts één dag vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 45, 57, 63, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

hetgeen op de beslaglijst vermeld staat onder de nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 16 en 17, te weten respectievelijk:

- 1 rechterschoen, Nike;

- 1 linkerschoen, Nike;

- 1 zwarte pet, Nike;

- 1 zwarte damesfiets Trans du Pain;

- 1 gestreepte blouse;

- 1 trui;

- 1 jas;

- 1 shirt;

- 1 broek;

- 2 sokken;

- 1 stuk ondergoed;

- 1 broek;

- 1 vest;

- 1 document uit zak met diverse documenten Witstijn;

- 1 fietslamp.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 276,08 (tweehonderdzesenzeventig euro en acht cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 276,08 (tweehonderdzesenzeventig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 14.036,33 (veertienduizend zesendertig euro en drieëndertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 14.036,33 (veertienduizend zesendertig euro en drieëndertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,

en op 11 november 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.