Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:90

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-01-2016
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
14/00555
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:2145, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:87
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslag beschikte over een nieuw, navordering rechtvaardigend feit, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord. Voorts is in geschil of ter zake van de door belanghebbende in F verrichte activiteiten kan worden geoordeeld dat deze in het onderhavige jaar een bron van inkomen vormden en of belanghebbende dienaangaande aanloopverliezen in aftrek kan brengen, zoals belanghebbende verdedigt en de Inspecteur weerspreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/133
V-N 2016/22.2.1
FutD 2016-0147
FutD 2016-0148
NTFR 2016/667 met annotatie van Drs. M.J.M.A. Toet
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 14/00555

uitspraakdatum: 12 januari 2016

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 mei 2014, nummer AWB LEE 12/2941, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 2005 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.563. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 1.674.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 1 mei 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. dr. [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door [C] . Voorts was aanwezig prof. dr. [D] . Tegelijk met de onderhavige zaak zijn de zaken behandeld met de nummers 14/01248, 14/01244 en 14/01247 en van [E] de zaken met de nummers 14/00560, 14/01245, 14/01243, 14/01246 en 14/00557.

1.7

Partijen hebben een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende, geboren [in] 1956, is gehuwd met [E] ( [E] ), geboren [in] 1956.

2.2

Met ingang van 5 mei 2003 exploiteert belanghebbende in de vorm van een eenmanszaak een onderneming onder de naam [F] . Deze onderneming heeft als bedrijfsomschrijving "mensen helpen met het vinden van gewenst werk door koppeling met anderen in networks en door persoonlijke training" en was in eerste instantie opgericht voor oud-werknemers van [G] . Een belangrijk instrument bij deze trainingen is de beeldtelefoon. De bedrijfsactiviteiten van [F] bestaan uit het zoeken van klanten voor de producten en diensten van [H] met betrekking tot de verkoop van vaste, mobiele, en beeldtelefoons en energie op provisiebasis; het wereldwijd op- en uitbouwen van een distributienetwerk op dat gebied; het geven van trainingen aan distributeurs in omgang met klanten, klantenwerving, productkennis, teamopbouw en verkooptechniek.

2.3

Op 6 mei 2004 is [E] toegetreden tot evenvermelde onderneming en zijn belanghebbende en [E] verder gegaan met [F] in de vorm van een vennootschap onder firma. Beide firmanten zijn sindsdien gerechtigd tot 50 percent van het resultaat. De vennootschapsakte dateert van 15 december 2005. In de akte is opgenomen dat de overeenkomst is ingegaan op 6 mei 2004.

2.4

In april 2006 heeft [E] Stichting [I] opgericht. Deze stichting heeft als doelstelling "het creëren van mogelijkheden om te bevorderen dat kinderen, die daaraan behoefte hebben, in aanmerking komen voor logopedie."

2.5

Op 10 januari 2007 en op 31 maart 2009 hebben belanghebbende en [E] [J] V.O.F. en [K] V.O.F. opgericht. [J] V.O.F. had tot doel het ontwikkelen en vermarkten van producten en diensten op het gebied van orthopedagogie en logopedie. [K] V.O.F. had tot doel het aanbieden van "full video bi-directional expertise", een online videoverbinding tussen de logopedist en de klant. [J] V.O.F. is volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel opgeheven op 15 september 2010. De activiteiten van [K] V.O.F. zijn op 17 januari 2011 ingebracht in een B.V.

2.6

Op 31 maart 2009 is een boekenonderzoek ingesteld bij [F] V.O.F., [J] V.O.F. en [K] V.O.F.

2.7

De datum van het controlerapport is 16 januari 2012. Bij "Reikwijdtes van het onderzoek" is in het rapport het volgende vermeld:"V.O.F. [F]

Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften:

- omzetbelasting over het tijdvak 6 mei 2004 tot en met 31 december 2009;

- ook is het bezwaarschrift tegen de aanslag omzetbelasting over 2004 onderzocht.


V.O.F. [J]

Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 10 januari 2007 tot en met 31 december 2009.

[K] V.O.F.

Geen aangiften onderzocht. De onderneming is gestart op 31 maart 2009. Over 2009 zijn alle kwartaalaangiften zonder vermelding van omzet, verschuldigde omzetbelasting en te verrekenen omzetbelasting ingediend.".

2.8

Op 3 juni 2010 is een boekenonderzoek ingesteld bij Stichting [I] . De reikwijdte van het onderzoek is de aanvaardbaarheid van de aangiften in de omzetbelasting over het tijdvak van 3 april 2006 tot en met 31 december 2009.

2.9

Verder heeft bij belanghebbende en [E] een boekenonderzoek plaatsgevonden, waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften in de IB/PVV voor de jaren 2003 tot en met 2010 is beoordeeld. In het bijzonder is onderzocht of in de betreffende jaren sprake is van een bron van inkomen. In een brief van de Inspecteur van 15 december 2011 zijn de resultaten van het boekenonderzoek opgenomen. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

"Fiscale resultaten 2003-2010

Uit de ingediende jaarrekeningen en aangiften inkomstenbelasting blijken de volgende fiscale resultaten vóór de ondernemersaftrek:

VOF [F] :

omzet

kosten

resultaat

Jaar 2003 (nog éénmanszaak)

1.017

11.737

-

10.720

Jaar 2004

1.422

20.780

-

19.358

Jaar 2005

1.074

18.639

-

17.565

Jaar 2006

14.354

40.541

-

26.187

Jaar 2007

1.116

20.975

-

19.859

Jaar 2008

2.794

16.518

-

13.724

Jaar 2009

3.037

8.284

-

5.247

(…)

Bron van inkomen voor de inkomstenbelasting

Met uitzondering van het jaar 2010 zijn nooit positieve resultaten behaald. Het resultaat over dit jaar is overigens verwaarloosbaar klein. Elk jaar is sprake van forse verliezen. Nooit is een begin van uitzicht op positieve resultaten geweest. Steeds was sprake, met uitzondering van 2006 toen [I] klant was, van 1 of 2 opdrachtgevers. Op basis van bovenstaande cijfers concludeer ik dat er geen sprake kan zijn van een bron van inkomen. Ik zal met terugwerkende kracht naar 2005 geen negatieve fiscale resultaten uit de onderneming accepteren. Op de jaren 2003 en 2004 kom ik in verband met verjaring niet terug.

(…)

Ik blijf van mening dat over alle gecontroleerde jaren en de jaren 2009 en 2010 de bron-vraag negatief moet worden beantwoord.".

2.10

In 2009 hebben belanghebbende en [E] deelgenomen aan een programma van de TU [L] genaamd [M] , waarna zij zich zijn gaan concentreren op het aanbieden van online-logopedie via een internetplatform: [N] . In 2010 werden zij hiervan exclusief licentiehouder; de werkzaamheden van [K] V.O.F. concentreren zich sindsdien op online-logopedie.

2.11

Op 28 maart 2011 is door belanghebbende en [E] [O] B.V. opgericht, welke vennootschap vervolgens [K] B.V. heeft opgericht. [K] B.V. heeft de activiteiten van [K] V.O.F. voortgezet.

2.12

Op 29 april 2011 is een derde deel van de aandelen in [K] B.V. voor € 50.000 verkocht aan [P] B.V.

2.13

De Inspecteur heeft aan belanghebbende op 31 oktober 2011 een navorderingsaanslag in de IB/PVV over 2005 opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.563. Tegelijk met dit besluit heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 1.674 aan heffingsrente in rekening gebracht. In een brief van de Inspecteur van 18 januari 2012 is het volgende vermeld:

"In de brief van 15 december 2011 aan uw adviseur heeft de Belastingdienst het standpunt ingenomen dat voor de inkomstenbelasting de bron-vraag negatief moet worden beantwoord. Dit betekent dat over de jaren 2005 jaren tot en met 2010 correcties op uw vastgesteld- dan wel aangegeven inkomen zullen worden aangebracht. Over het jaar 2005 is in verband met dreigende termijnoverschrijding reeds een navorderingsaanslag ter behoud van rechten opgelegd.
(…)
Jaar 2005

Vastgesteld inkomen uit werk en woning (box 1) na carry back van 2007

14.101

Correcties:

Geen verlies uit onderneming

8.782

Geen bijtelling niet aftrekbare kosten

675

-

Geen zelfstandigenaftrek

10.355

Carry back van 2007 vervalt

148

Gecorrigeerd inkomen uit werk en woning (box 1)

32.711

Gecorrigeerd verzamelinkomen

32.711

(…)
Over dit jaar is reeds een navorderingsaanslag zonder boete ter behoud van rechten opgelegd.

Op het verschil van € 148 tussen het thans vastgestelde inkomen van € 32.711 en het bij de reeds opgelegde navorderingsaanslag vastgestelde inkomen van € 32.563 zal niet worden teruggekomen.".

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslag beschikte over een nieuw, navordering rechtvaardigend feit, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord. Voorts is in geschil of ter zake van de door belanghebbende in [F] verrichte activiteiten kan worden geoordeeld dat deze in het onderhavige jaar een bron van inkomen vormden en of belanghebbende dienaangaande aanloopverliezen in aftrek kan brengen, zoals belanghebbende verdedigt en de Inspecteur weerspreekt.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Inspecteur en de navorderingsaanslag.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Nieuw feit

4.1

De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.

4.2

In het onderhavige geval heeft de Inspecteur aan de navordering ten grondslag gelegd dat bij een controle is gebleken dat sprake was van een structurele verliessituatie. De Inspecteur hoefde bij een normale, zorgvuldige kennisname van de inhoud van de over het onderhavige jaar ingediende aangifte niet te twijfelen aan de juistheid van de daarin opgenomen gegevens met betrekking tot de winst uit onderneming, en in het bijzonder van het aan die gegevens ten grondslag liggende uitgangspunt dat [F] een bron van inkomen vormde, omdat een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte op dit punt juist was. Het nalaten van een nader onderzoek naar de vraag of een bron aanwezig was, kan niet als ambtelijk verzuim worden aangemerkt.

4.3

De stelling van belanghebbende dat in 2004 en 2007 deelonderzoeken voor de omzetbelasting hebben plaatsgevonden, waarbij de Inspecteur volgens hem "de bronvraag voor de inkomstenbelasting als aandachtspunt had moeten meenemen", mist feitelijke grondslag, nu de Inspecteur heeft betwist dat er zodanige onderzoeken zijn geweest en belanghebbende geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit het verricht zijn van die onderzoeken aannemelijk is geworden en ook anderszins daarvan niet is gebleken.

4.4

Het vorenoverwogene brengt mee dat de Inspecteur beschikte over een voor navordering vereist nieuw feit.

Bron

4.5

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat [E] en hij zich vanaf de oprichting van [F] hebben bezig gehouden met het ontwikkelen van producten en het uitvoeren van activiteiten gericht op het verlenen van zorg op afstand. De productontwikkeling heeft een aantal jaren nodig gehad en daaraan is vorm gegeven in de vennootschappen [F] , [J] en [K] , die een zodanige verbondenheid hebben dat men deze als één onderneming dient te beschouwen. Uit de omstandigheid dat belanghebbende en [E] een derde van de aandelen van [K] B.V., waarin zij hun aandeel in de vennootschap [K] in 2011 hebben overgedragen, voor € 50.000 hebben verkocht, blijkt dat voor evenvermelde activiteiten een objectieve winstverwachting bestond, en dat deze derhalve een onderneming vormden, aldus belanghebbende.

4.6

De bedrijfsactiviteiten van [F] bestaan uit het zoeken van klanten voor de producten en diensten van [H] met betrekking tot de verkoop van vaste, mobiele, en beeldtelefoons en energie op provisiebasis; het wereldwijd op- en uitbouwen van een distributienetwerk op dat gebied; het geven van trainingen aan distributeurs in omgang met klanten, klantenwerving, productkennis, teamopbouw en verkooptechniek. [J] had ten doel producten en diensten te ontwikkelen en te vermarkten op het gebied van orthopedagogie en logopedie en [K] het aanbieden van een online videoverbinding tussen de logopedist en de klant. De activiteiten waren aldus tussen 2003 en 2009 gericht op het helpen van mensen met het vinden van geschikt werk door middel van netwerken, en vanaf 2009 op het begeleiden van mensen met spraakproblemen, vanaf 2010 met gebruikmaking van [N] . Naar de Inspecteur terecht heeft aangevoerd, blijkt uit het Business Plan van [N] Nederland van een substantiële wijziging in de aard van de activiteiten ten opzichte van die van voor 2009, onder meer gelet op de omstandigheid dat de omvang van de participatie van [P] BV niet is gebaseerd op door [K] in het verleden behaalde resultaten, maar op de mogelijke toekomstige omzet, op het verschil in partners en doelgroepen en op de wijzigingen in marketing, promotie en businessmodel.

4.7

Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat tussen de activiteiten van de vennootschappen en die van [N] geen zodanig verband bestond dat sprake zou zijn van één bron van inkomen. Aan dit oordeel kan niet afdoen hetgeen prof. [D] in zijn schriftelijke verklaring en ter zitting naar voren heeft gebracht, aangezien deze in het algemeen heeft verklaard over [M] , maar geen wetenschap heeft over de vraag of er in concreto een relatie bestond tussen de activiteiten van belanghebbende in 2009 en die in voorgaande jaren.

4.8

[F] heeft vanaf de start van de onderneming in 2003 tot en met 2009 verlies geleden. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat in het onderhavige jaar was te voorzien dat [F] winstgevend zou worden, anders dan door de hiervoor door het Hof verworpen stelling dat de vennootschappen samen als één onderneming zouden moeten worden aangemerkt. Dit brengt mee dat de Inspecteur terecht de activiteiten van [F] niet als bron van inkomen heeft aangemerkt en de verliezen niet heeft geaccepteerd.

4.9

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de navorderingsaanslag niet wordt verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op [12] januari 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 januari 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.