Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8886

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
11-11-2016
Zaaknummer
K16/0170
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hof wijst het beklag van klager af

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K16/0170

Beschikking

inzake

[klager] ,

domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde

klager

bijgestaan door mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Utrecht

tegen

[beklaagde] ,

domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde

beklaagde

bijgestaan door mr. D.J.P. van Barneveld, advocaat te Arnhem.

Op 19 februari 2016 is ter griffie van het hof een klaagschrift binnengekomen van klager. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland om tegen beklaagde geen strafvervolging in te stellen.

Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.

Op 14 oktober 2016 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling in raadkamer waren klager en beklaagde aanwezig met hun gemachtigden, alsmede de advocaat-generaal. Op verzoek van partijen zijn klager en beklaagde in elkaars afwezigheid gehoord in raadkamer.

De advocaat-generaal heeft – in overeenstemming met het schriftelijk verslag – geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag.

Het beklag

Klager heeft op 1 juli 2015 aangifte gedaan van poging tot doodslag dan wel (poging tot) zware mishandeling, gepleegd door beklaagde op 8 juni 2015 te Utrecht .

Bij brief van 27 november 2015 heeft de officier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland aan klager meegedeeld dat beklaagde niet verder strafrechtelijk zal worden vervolgd, nu hem – kort gezegd – een (geslaagd) beroep op putatief noodweer toekomt.

De beoordeling van het beklag

Ontvankelijkheid

Klager kan als rechtstreeks belanghebbende worden beschouwd en is derhalve ontvankelijk in zijn beklag.

Inleiding

Ter zake van het feit waarop de klacht betrekking heeft, is door de Rijksrecherche een onderzoek ingesteld, waarvan de onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een dossier genummerd 20150051, afgesloten en getekend op 15 juli 2015 te Zwolle.

Uit bovengenoemd dossier blijkt – kort samengevat – dat beklaagde in zijn hoedanigheid als hoofdagent bij de politie, belast met incidentenafhandeling, gedurende de uitoefening van zijn functie op 8 juni 2015 te Utrecht zijn dienstwapen heeft getrokken en daarmee opzettelijk twee schoten heeft gelost op klager ten gevolge waarvan laatstgenoemde (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen aan zijn benen.

Incident op 8 juni 2015 te [plaats]

Uit de stukken in het dossier in samenhang met het verhandelde in raadkamer leidt het hof de volgende gang van zaken af.

Klager verbleef ten tijde van het incident in een open afdeling van de GGZ te [plaats] (te weten: [naam instelling] ) in het kader van de ondersteuning bij een psychose waarin klager verkeerde. Klager is op de dag van het incident, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat iemand hem zou gaan martelen, weggegaan bij [naam instelling] . Klager is vervolgens naar zijn woning aan de [adres 1] te [woonplaats] gegaan om zich aldaar te suïcideren door middel van verhanging. Toen dit niet lukte heeft klager zijn keel en polsen opengesneden en is hij naar buiten gegaan met in zijn hand zijn sleutelbos. Klager is door een passerend meisje op de fiets aangesproken met de vraag of hij hulp wenste. Toen klager geen hulp aanvaardde heeft het meisje uit eigen beweging contact gezocht met het 112-alarmnummer, gezien de toestand van klager.

Op 8 juni 2015 is omstreeks 17.38 uur een melding binnengekomen via de 112 alarmlijn aangaande een incident op de [adres 1] te [woonplaats] , alwaar een verwarde man met bebloede armen, een grote wond bij zijn hals en een bebloed T-shirt zou lopen, die geen hulp wenste. Eén minuut nadat de melding is binnengekomen is de plaatselijke politie met voertuig en roepnummer 4302 op de hoogte gesteld van dit incident middels een ‘prio1-melding’. Omstreeks 17.42 uur is aan de aanrijdende auto’s (waaronder ook roepnummer 4301) doorgegeven dat de man mogelijk een mes in zijn handen had. Twee minuten nadat deze aanvullende informatie doorkwam, kwamen de politievoertuigen met roepnummer 4301 en 4302 ter plaatse op het [adres 2] te [plaats] . De politieauto met roepnummer 4301 werd bemand door de agenten [getuige 1] en [getuige 2] , de politieauto met roepnummer 4302 door [getuige 3] en beklaagde.

Beklaagde heeft verklaard dat hij samen met zijn collega [getuige 3] als eerste ter plaatse kwam en aldaar klager aantrof; een verwarde man met een bebloed T-shirt en een fikse snee in zijn hals waar het bloed hevig uitstroomde. Onderwijl heeft beklaagde een van de omstanders (getuige [getuige] ) horen roepen dat klager een mes in zijn hand had. Beklaagde heeft verklaard dat hij zag dat klager in de rechterhand een grijs glinsterend voorwerp vasthield, waarna hij direct zijn hand op zijn vuurwapen legde en het holster opende. Klager heeft op enig moment het voorwerp laten vallen. Beklaagde heeft verklaard dat hij zag dat het een sleutelbos betrof maar hij niet goed kon zien welke voorwerpen er aan de sleutelbos zaten, zodat hij er nog steeds rekening mee hield dat klager een mes of andersoortig scherp voorwerp bij zich had, waar gevaar van kon uitgaan. Klager is vervolgens door zijn hurken gegaan om het voorwerp op te rapen, waarop beklaagde tegen klager heeft geroepen dat hij het voorwerp moest laten liggen dan wel moest laten vallen. Klager heeft het voorwerp van de grond geraapt, is overeind gekomen en vervolgens in de richting van beklaagde gerend.

Beklaagde had vanaf dat moment de overtuiging dat er, gelet op diens non-verbale communicatie, iets bij klager was veranderd en klager iets in zijn hand moest hebben waarmee hij de snee in zijn keel had gemaakt. Hoewel beklaagde volgens de vaste procedures en aangeleerde patronen heeft getracht de afstand tussen hem en klager te vergroten door achteruit te stappen en uit de looplijn te gaan, heeft klager beklaagde inmiddels gevolgd. Beklaagde heeft op enig moment geconstateerd dat hij niet verder achteruit kon lopen, de afstand tussen hem en klager vier à vijf meter betrof en hij klager dichterbij zag komen, zodat hij geen andere mogelijkheid meer heeft gezien dan zijn vuurwapen te trekken en op klager te richtten. Beklaagde heeft klager meermalen gesommeerd te blijven staan. Collega [getuige 2] heeft toen zijn pepperspray gepakt en klager geraakt met de pepperspray. Klager reageerde hier echter niet op. Toen klager zwaaiende bewegingen met zijn armen maakte en tegen klager zei: ‘Kom dan!’, heeft beklaagde gericht op het been van klager geschoten. Klager is ten gevolge van het schot op de grond gevallen, waarna een van de andere politieagenten ter plaatse pepperspray heeft gebruikt in de richting van klager, hetgeen niet het gewenste effect leek te hebben op klager.

Relatief kort daarna is klager overeind gekomen en opnieuw in de richting van beklaagde gelopen. In een split second heeft beklaagde zichzelf afgevraagd hoe lang hij nog kon wachten alvorens opnieuw in te grijpen, nu klager nog steeds een grijs glinsterend voorwerp in zijn hand had. Beklaagde heeft zich naar eigen zeggen vergewist van de situatie ter plaatse en het eventuele gevaar voor omstanders en heeft vervolgens nogmaals gericht op de benen van klager geschoten, waarna klager voorover op zijn buik is gevallen. Gelet op de lichamelijke situatie van klager heeft de politie ter plaatse medische bijstand verleend en is klager niet veel later door een ambulance vervoerd naar het plaatselijke ziekenhuis.

Blijkens de medische verklaring van dr. Meijer d.d. 2 juli 2015 heeft klager schotwonden aan zijn rechter onderbeen, inhoudende 4 gaten (te weten twee maal een in- en uitschotwond) en twee oppervlakkige wonden aan zijn linker onderbeen. Voorts is door dr. Meijer geconstateerd dat klager snijwonden had aan zowel hals als polsen.

Samengevat komt een en ander erop neer dat in een tijdspanne van ongeveer vijftien à twintig seconden tweemaal door beklaagde gericht is geschoten op de benen van klager, nu beklaagde geen andere uitweg meer zag om de volgens hem ontstane bedreigende en onhoudbare situatie te beëindigen, ten gevolge waarvan klager (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Uit het (forensisch) technisch onderzoek is gebleken dat op de plaats van het incident een tweetal hulzen is gevonden dat hoort bij de kogels die zijn afgevuurd door het vuurwapen waarvan beklaagde gebruik maakte en een sleutelbos met een viertal sleutels. Bij klager is geen mes of een daarop gelijkend voorwerp aangetroffen.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen betreffende de schouw van de woning van klager aan de [adres 1] te [plaats] d.d. 9 juni 2015 is in de badkamer, de woonkamer en de slaapkamer een forse hoeveelheid bloed aangetroffen. Voorts is er in de woonkamer een schilmesje aangetroffen met daarop bloedsporen.

In het kader van het onderzoek van de Rijksrecherche zijn de andere politieagenten die ter plaatse waren geweest gehoord, te weten [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . Op hoofdlijnen verklaren deze getuigen in lijn met de lezing die beklaagde heeft gegeven, waarbij opgemerkt dient te worden dat al deze getuigen beschrijven dat klager een (glinsterend) voorwerp in zijn hand had, waarbij getuige [getuige 3] en [getuige 4] expliciet benoemen dat zij geen mes zagen bij klager, maar enkel een sleutelbos dan wel een sleutelbos met daaraan een groen labelachtig voorwerp. Daarnaast volgt uit deze getuigenverklaringen dat enkel beklaagde zijn vuurwapen had getrokken.

Voorts is een negental (burger)getuigen gehoord door de Rijksrecherche, te weten [getuige 5] , [getuige] , [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 10] , [getuige 11] en [getuige 12] . Acht van deze getuigen waren aanwezig bij (een deel van) het incident op 8 juni 2015. De getuigen verklarend uiteenlopend over de aard van het voorwerp dat klager in zijn hand had. Getuige [getuige 12] (vader van klager) heeft enkel verklaard over de toestand van klager na het incident.

De visie van klager

Klager heeft in raadkamer verklaard dat zijn rechter onderbeen in de zwaarst mogelijke categorie is verbrijzeld en hij meermalen is geopereerd, waardoor hij tot op de dag van vandaag fysiek beperkt is en in zeer beperkte mate mobiel. Tevens zou sprake zijn van psychische problematiek, onder meer bestaande uit PTSS. Voorts heeft klager verklaard dat hij geen stekende bewegingen heeft gemaakt met zijn armen – in tegenstelling tot hetgeen beklaagde heeft verklaard – maar juist uitdrukking wilde geven aan zijn veronderstelling dat er hulp kwam. Kort nadat de politie ter plaatse kwam, werd klager naar eigen zeggen weer helder, maar raakte opnieuw in de war toen beklaagde een agressieve houding ten opzichte van hem aannam en zijn vuurwapen trok. Op vragen van het hof heeft klager, die ernstig suïcidaal was kort voor het incident, verklaard dat het geenszins bij hem heeft meegespeeld dat beklaagde wellicht tot het gebruik van zijn vuurwapen over zou gaan als klager voortdurend een dreigende houding zou blijven aannemen en op beklaagde zou afkomen.

De gemachtigde van klager heeft – kort samengevat – betoogd dat gelet op de stukken in het dossier en de discrepanties tussen de lezingen van klager en beklaagde en de verklaringen van de getuigen, de vraag of aan beklaagde een geslaagde beroep op noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer toekomt dient te worden voorgelegd aan de strafrechter. Het beklag van klager in onderhavige procedure dient gegrond te worden verklaard.

De visie van beklaagde

Beklaagde heeft in lijn met zijn eerder afgelegde verklaring bij de Rijksrecherche in raadkamer tot in detail verklaard over hetgeen er zich op 8 juni 2015 in zijn ogen heeft afgespeeld. Beklaagde heeft beschreven dat de situatie veranderde toen klager, nadat hij zijn sleutels had laten vallen en deze weer had opgeraapt, overeind kwam en hij zag dat de ‘knop om ging’ bij klager toen laatstgenoemde met stekende bewegingen op beklaagde af kwam. Beklaagde had het gevoel dat klager expliciet hém moest hebben en klager dwars door hem heen keek. Voorts heeft beklaagde zijn eigen gemoedstoestand beschreven in termen van overleven, uitgeschakeld gehoor, absolute focus op de hand van klager en een ernstig verhoogd stresshormoonlevel.

De gemachtigde van beklaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat beklaagde geen enkele blaam treft en hem een geslaagde beroep op putatief noodweer toekomt, nu er in termen van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan de zijde van beklaagde sprake was van een ‘honest belief’. In dat kader heeft hij er op gewezen dat er alle reden was voor beklaagde om aan te mogen nemen dat klager in het bezit was van een mes dan wel een soortgelijk scherp voorwerp, waarbij is opgemerkt dat het gelet op de snelheid waarmee een en ander heeft plaatsgevonden en de zwaaiende c.q. stekende bewegingen die klager heeft gemaakt met zijn armen onmogelijk is om te zien wat hij in zijn hand had.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat niet het totale optreden van de politie in verband met het hierboven beschreven incident als geheel ter beoordeling aan het hof voorligt, maar enkel de concrete tussen klager en beklaagde ontstane situatie.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden zoals vervat in het dossier en gebleken tijdens het verhandelde in raadkamer is het hof van oordeel dat de kans dat een later oordelende strafrechter komt tot een veroordeling ter zake van het feit waarvan klager aangifte heeft gedaan gering is, gelet op het leerstuk van putatief noodweer.

De officier van justitie heeft in deze zodoende een juiste beslissing genomen.

Uit het voorgaande volgt dat het beklag ongegrond is. Er wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

Wijst het beklag af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter,

mr. F.A.M. Bakker en mr. B.F.A. van der Krabben, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier,

op 8 november 2016 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.