Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8774

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
200.130.133
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:1776, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op vernietiging echtgenote van kredietovereenkomsten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2017, afl. 1, p. 21
AR 2016/3214

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.130.133

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 799112)

arrest van 1 november 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

[geïntimeerde]

wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 3 maart 2015 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot dan toe wordt verwezen naar het tussenarrest.

1.2

In het tussenarrest heeft het hof de beslissing in deze zaak aangehouden in afwachting van het antwoord van de Hoge Raad op de door het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 20 januari 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:105) gestelde prejudiciële vragen.

1.3

De Hoge Raad heeft de vragen beantwoord bij beslissing van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018). Partijen hebben zich elk bij akte over de beslissing van de Hoge Raad uitgelaten, onder overlegging van één productie.

1.4

Vervolgens hebben partijen (aanvullend) de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

Principaal appel

2.1

De centrale vraag in dit geding is of de echtgenote van [geïntimeerde] (hierna: [echtgenote] ) bij brief van 15 februari 2006 tijdig op de voet van art. 1:89 BW de buitengerechtelijke vernietiging heeft ingeroepen van twee tussen [geïntimeerde] en rechtsvoorgangers van Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten van 16 mei 2001 (27140832) en 21 maart 2002 (38840092). Dexia vordert betaling van de restschulden voortvloeiend uit deze overeenkomsten.

2.2.

Dexia heeft ter afwering van het beroep op vernietiging door [echtgenote] betoogd dat de bevoegdheid daartoe reeds is verjaard. [geïntimeerde] heeft daartegen aangevoerd dat de verjaring is gestuit doordat Stichting Eegalease en de Consumentenbond op 13 maart 2003 een collectieve actie tegen Dexia hebben ingesteld zoals bedoeld in art. 3:305a BW en dat vervolgens, nadat deze procedure in juni of juli 2005 werd geroyeerd, deze procespartijen op 18 november 2005 op de voet van art. 7:907 BW een verzoekschrift tot algemeenverbindendverklaring van de zogenaamde Duisenbergregeling hebben ingediend, zoals tussen hen overeengekomen in de “Hoofdovereenkomst” van 23 juni 2005. Deze Duisenbergregeling is op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaard bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:AZ7033), waarna [geïntimeerde] binnen de daarvoor gestelde termijn een zogenaamde opt-out-verklaring heeft afgelegd.

2.2

Partijen zijn het erover eens dat [echtgenote] op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW de bevoegdheid toekwam om de tussen [geïntimeerde] en Dexia zonder haar instemming gesloten overeenkomsten buitengerechtelijk te vernietigen. Op grond van art. 3:52 lid 1 sub d BW jo. art. 3:52 lid 2 BW verjaart deze bevoegdheid drie jaar nadat de vernietigingsgrond is ontstaan. Zodoende zou, wanneer in aanmerking wordt genomen ( [geïntimeerde] bestrijdt dit in het voorwaardelijk incidenteel appel) dat de verjaringstermijn is gaan lopen vanaf het sluiten van de overeenkomsten, de bevoegdheid van [echtgenote] tot vernietiging van de twee overeenkomsten zijn verjaard op 16 mei 2004, respectievelijk 21 maart 2005. Dat betekent dat toen [echtgenote] zich op 15 februari 2006 beriep op haar vernietigingsbevoegdheid de verjaringstermijn reeds zou zijn verstreken, tenzij, zoals [geïntimeerde] betoogt, de verjaring tussentijds is gestuit.

2.3

Voor het antwoord op de vraag of de verjaring is gestuit, geldt de maatstaf die de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 in een vergelijkbare zaak naar aanleiding van prejudiciële vragen van het gerechtshof Amsterdam heeft gehanteerd:

“1. De stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW strekt zich uit tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW en leidt ingevolge het bepaalde in art. 3:52 lid 2 BW ertoe dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit.

2. Een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als bedoeld in vraag 1 die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, is tijdig uitgebracht.”

2.4

Daarnaast overwoog de Hoge Raad in zijn beslissing (rov. 3.4.3):

“In een geval als dit, waarin de collectieve actie heeft geleid tot een WCAM-overeenkomst, heeft het uitbrengen van een ‘opt-out’-verklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW niet tot gevolg dat de belanghebbende zich niet meer op de stuitende werking van die actie kan beroepen. De collectieve actie was immers mede ten behoeve van deze belanghebbende ingesteld en deze kan pas na het tot stand komen van een schikking beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Daarmee strookt niet om aan degenen die zich uiteindelijk niet aan de collectieve schikking willen binden achteraf de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen.”

2.5

Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief van Dexia faalt voor zover zij daarin betoogt dat de stuitende werking van een collectieve actie zich niet mede uitstrekt tot de aan [echtgenote] gegeven bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging. Dexia heeft voorts betoogd dat als gevolg van de schikking gevolgd door royement de procedure die door de Stichting Eegalease en de Consumentenbond met de dagvaarding van 13 maart 2003 werd ingeleid in juni of juli 2005 op andere wijze is geëindigd zoals bedoeld in art. 3:316 lid 2 BW. Omdat [echtgenote] niet binnen zes maanden nadien (uiterlijk in januari 2006) een beroep heeft gedaan op vernietiging, is aldus Dexia de stuitende werking toen geëindigd en is zij met haar vernietigingsbrief van 15 februari 2006 te laat geweest. Dat Stichting Eegalease en de Consumentenbond na royement een verzoek tot algemeen verbindendverklaring van de tussen hen met Dexia op 23 juni 2005 gesloten overeenkomst hebben gedaan op de voet van art. 7:907 BW doet daar volgens Dexia niet aan af. Dat dit verzoek stuitende werking heeft, kan volgens Dexia niet uit het arrest van de Hoge Raad worden afgeleid, omdat volgens haar de prejudiciële vraagstelling alleen betrekking had op de vraag naar de stuitende werking van het uitbrengen van de dagvaarding door bovengenoemde belangenorganisaties.

2.6

Het hof volgt de opvatting van Dexia niet. Uit de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 3.4.3 volgt immers dat de Hoge Raad tot uitgangspunt heeft genomen dat de stuitende werking van de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid een aanvang heeft genomen door het instellen van de collectieve actie, dezelfde als in de onderhavige zaak, bij dagvaarding van 13 maart 2003 en niet is komen te vervallen als gevolg van het uitbrengen van een opt-out-verklaring na het bereiken van de collectieve schikking, derhalve na het moment waarop de overeenkomst van de belangenorganisaties en Dexia algemeen verbindend is verklaard. Daarbij heeft de Hoge Raad, blijkens rechtsoverweging 3.1 onder (vi) uitdrukkelijk onder ogen gezien dat de Stichting Eegalease en de Consumentenbond in de Hoofdovereenkomst een afstandsverklaring hadden gedaan, maar daarin geen omstandigheid gezien om de stuitende werking te laten eindigen. Integendeel, volgens de Hoge Raad kan de belanghebbende ten behoeve van wie de collectieve actie is ingesteld niet de stuitende werking worden ontzegd, wanneer hij na de totstandkoming van de collectieve schikking kenbaar maakt zich daaraan niet te willen binden. Een andere conclusie is ook niet goed denkbaar. De belangenorganisaties en Dexia hebben immers de gerechtelijke procedure beëindigd om het collectieve proces op andere wijze voort te zetten, namelijk door, zoals tussen hen overeengekomen, een verzoek tot algemeen verbindend verklaring in te dienen bij het gerechtshof Amsterdam op grond van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (hierna: WCAM). Dat is gebeurd op 18 november 2005. Daaruit blijkt dat partijen met het royement niet zozeer beoogd hebben om het tussen hen bestaande geschil te beëindigen, maar ervoor hebben gekozen om de geschilbeslechting op andere wijze voort te zetten. Bovendien hebben zij dat gedaan binnen zes maanden na het royement en bepaalt voorts art. 7:907 lid 5 BW dat door indiening van het verzoekschrift tot algemeen verbindendverklaring de verjaring wordt gestuit. Weliswaar is die bepaling naar de letter slechts van toepassing op vorderingen tot schadevergoeding, maar in het licht van de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad en in aanmerking genomen dat in de WCAM-overeenkomst uitdrukkelijk een regeling is opgenomen met betrekking tot de vernietigbaarheid (althans de vernietiging) van effectenleaseovereenkomsten, moet worden aangenomen dat de stuitende werking zich in dit geval ook over de verjaring van de bevoegdheid van de echtgenoot tot vernietiging uitstrekt. Om de hiervoor vermelde redenen, moet volgens het hof het arrest van de Hoge Raad aldus worden begrepen dat in een geval als het onderhavige heeft te gelden dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot het moment dat de belanghebbende daadwerkelijk in staat is om te kiezen of hij zich aan de uiteindelijke regeling, die het sluitstuk vormt van de ingestelde collectieve actie, wil conformeren of niet. Dat brengt mee dat, anders dan Dexia betoogt, de enkele omstandigheid dat de procedure is geroyeerd onvoldoende is om aan te nemen dat daardoor de stuitende werking zou zijn komen te vervallen. De tweede grief stuit hierop af.

2.7

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de bevoegdheid van [echtgenote] tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten is gestuit en gestuit gebleven vanaf de datum van de dagvaarding waarbij de collectieve actie werd ingesteld en tenminste totdat de collectieve schikking zijn beslag kreeg, dat wil zeggen de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam waarbij deze algemeen verbindend werd verklaard, onaantastbaar werd. Of daarna een termijn geldt van zes maanden, zoals in art. 3:316 lid 2 BW bepaald, of een termijn van drie jaar, zoals de kantonrechter heeft aangenomen, kan in het midden blijven. Vast staat immers dat [echtgenote] geruime tijd voordien en wel op 15 februari 2006 de vernietiging van de overeenkomsten heeft ingeroepen. Nu op dat moment haar bevoegdheid daartoe niet was verjaard, heeft deze vernietiging effect gesorteerd. Grief drie faalt.

Voorwaardelijk incidenteel appel

2.8

Nu de grieven van Dexia in het principaal appel falen, komt het hof niet toe aan de behandeling van het door [geïntimeerde] voorwaardelijk ingestelde incidenteel appel.

3 De slotsom

3.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

3.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Dexia in de kosten van het hoger beroep veroordelen.


De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 299,00

- salaris advocaat € 1.264,00 (2 punten x tarief I)

Totaal € 1.563,00

3.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter te Amersfoort van 3 april 2013;

veroordeelt Dexia in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 299,- voor verschotten en op € 1.264,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval Dexia niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M Croes, Ch.E. Bethlem en I. Brand en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 november 2016.