Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8771

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
200.177.444/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verstekzaak. Bouwzaak. Verwijdering van de dakopbouw van de buurwoning voor het eerst in hoger beroep gevorderd. De eiswijziging is niet aan de niet verschenen wederpartij betekend en wordt daarom niet toegestaan. Afwijzing vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.177.444/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 2850909 MC EXPL 14-2442

arrest van 1 november 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

28 januari 2015 en 20 mei 2015, die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft gewezen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 augustus 2015,

- de memorie van grieven (met producties).

2.2.

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.2.

De eis, zoals geformuleerd bij dagvaarding in appel, luidt:

"(…) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het voormelde vonnis d.d. 20 mei 2015 door de kantonrechter bij de Rechtbank Midden-Nederland, sector civiel, locatie Almere gewezen onder zaak-/rolnummer 2850909 MC EXPL 14-2442 zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellant zal toewijzen, met veroordeling van de geïntimeerde in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep."

2.3.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] gevorderd:

"1. Te beslissen conform het petitum van de appèldagvaarding;

en ter vermeerdering van eis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

2. Voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] jegens [appellant] onrechtmatig heeft

gehandeld door een dakopbouw te plaatsen die een aanmerkelijk te hoge belasting

vormt voor de fundering en de perceelgrens overschrijdt;

3. [geïntimeerde] te veroordelen voornoemde dakopbouw voor zijn eigen rekening te

verwijderen, aan te vangen binnen 14 dagen na betekening van het te dezen te wijzen

arrest en af te ronden binnen 30 dagen na aanvang verwijdering;

4. (voorwaardelijk) Als [geïntimeerde] niet voldoet aan het hiervoor op 3. te wijzen arrest.

[geïntimeerde] te veroordelen te gehengen en gedogen dat [appellant] voor verwijdering zorg draagt op kosten van [geïntimeerde] ;

5. Als [geïntimeerde] na verwijdering van de bestaande dakopbouw een nieuwe plaatst, hem te verplichten tot strikte inachtneming van de constructieberekening d.d. 10 augustus 2015 van F.T.V. en de beoordeling daarvan d.d. 28 januari 2016 van het Bureau voor Bouwpathologie, alsook de perceelgrenzen tussen hem en [appellant] niet te overschrijden.

6. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van € 505,00 te vermeerderen met

€ 148,05 BTW wegens kosten van de Statistische Berekening d.d. 10 augustus 2015 zoals hiervoor vermeld bij 11.8.

7. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van € 205,00 te vermeerderen met € 43,05 BTW wegens kosten van de Brief rapportage d.d. 28 januri 2016 zoals hiervoor vermeld bij 11.9.

8. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van € 400,00 te vermeerderen met € 84,00 BTW wegens kosten aanwezigheid ter comparitie van het Bureau voor Bouwpathologie zoals hiervoor vermeld bij 11.10.

9. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van € 150,00 te

vermeerderen met € 31,50 BTW wegens schade aan bet bovenlicht zoals hiervoor

vermeld bij 11.11.

10. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] schade wegens herstel aan

zijn zolder met dien verstande dat deze schade nader dient te worden opgemaakt bij

staat, zoals hiervoor vermeld bij 11.12."

3 Wijziging van eis

3.1.

Ingevolge artikel 353 lid 1 jo. artikel 130 lid 3 Rv is verandering of vermeerdering van eis uitgesloten in geval de wederpartij niet verschijnt, tenzij de eiser deze verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan de wederpartij kenbaar heeft gemaakt. Ratio is dat voorkomen moet worden dat de niet verschenen gedaagde of geïntimeerde tot iets kan worden veroordeeld waarvan hij niet weet en niet kan weten dat en waarom het is gevorderd (vgl. HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7319). Aangezien niet is gebleken dat de eiswijziging tijdig bij exploot aan [geïntimeerde] is betekend, is de eiswijziging door [appellant] niet toegestaan en zal uitsluitend de vordering, zoals geformuleerd bij appeldagvaarding en hiervoor weergegeven (rov. 2.2.) worden beoordeeld.

4 De vaststaande feiten

4.1.

De door de rechtbank in rechtsoverweging 2.1 (a. tot en met l.) van haar vonnis van 28 januari 2015 als vaststaand weergegeven feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Aangevuld met wat voorts nog onweersproken is gesteld, staat voor zover in hoger beroep nog van belang het navolgende vast.

4.2.

[appellant] en [geïntimeerde] hebben naast elkaar gelegen woningen aan de

[adres] , te [woonplaats] .

4.3.

[geïntimeerde] heeft op 1 mei 2012 bij de gemeente [gemeente] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning in verband met het plaatsen van een dakopbouw op zijn woning.

4.4.

In het kader van de procedure tot verlening van de vergunning voor de dakopbouw heeft [appellant] bij brief van 29 mei 2012 de gemeente [gemeente] , onder verwijzing naar een tekening, onder meer meegedeeld dat de muur halfsteens is en niet steens en dat de opgegeven dikte van het bestaande metselwerk geen 220 millimeter is, maar 100 millimeter.

4.5.

Op 7 juni 2012 is door de gemeente [gemeente] aan [geïntimeerde] een

omgevingsvergunning afgegeven voor het plaatsen van een dakopbouw op zijn woning.

4.6.

De toenmalige gemachtigde van [appellant] heeft bij brief van 30 maart 2013

[geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade aan zijn woning in de brief staat onder

meer:

"De volgende schade punten zijn door de werkzaamheden van de aannemer en zijn

onderaannemers ontstaan aan de woning van de heer [appellant] :

• vochtplekken plafond slaapkamer door schade aan dak bitumen, de isolatie is vochtig het

dakleer- en de zinkenkraal zijn beschadigd. Dit is begin oktober 2012 ontstaan bij zware

regenval. (..).

• Vochtplekken zichtbaar in muur van zolder door ontbreken van slab onder de nieuwe

opgetrokken bakstenen muur, schimmel vorming aanwezig. (..) Tevens isolatie boven

afwerking (gipsplaat) vochtig. Dit is eind februari 2013 ontstaan bij zware regenval. (..).

• Schade ontstaan aan bovenlicht voordeur. Dit is half september 2012 ontstaan doordat er

bakstenen (..) van de pannenlift af zijn gevallen. Deze schade is gedeeltelijk hersteld,

schilder- en latwerk dient nog uitgevoerd te worden

• Schade Velux dakraam achterzijde, isolatieglas gebarsten en hierdoor lek geraakt. Dit is

medio november 2012 ontstaan. (..)

• Tijdens de werkzaamheden medio 2012 is er schade ontstaan aan meerdere dakpannen (..)

Doordat er onvoldoende dakpannen beschikbaar werden gesteld door de aannemer, heeft de

heer [appellant] elf stuks van zijn eigen reserve dakpannen beschikbaar moeten stellen.

• Op termijn (mogelijk) scheurvorming in fundering en scheidingsmuur door de extra

belasting van de nieuwe dakopbouw. De volledige constructieberekening dient bij voorkeur

opnieuw uitgevoerd te worden op basis van de juiste uitgangspunten.

(..)."

4.7.

Bij e-mail heeft een medewerker van de afdeling Bouw & Wonen namens de

gemeente [gemeente] aan [geïntimeerde] onder meer geschreven: "(…) Op donderdag 18-04-2013 hebben wij ter plaatse, (..), de relatie van uw dakopbouw met de aangrenzende perceel beoordeeld.

Onze constateringen zijn;

- de dakopbouw is gebouwd conform vergunning;

- hoewel de woningscheidende muur halfsteens is i.p.v. steens, is deze constructie door onze

constructeur akkoord bevonden (derhalve geen nieuwe constructieberekeningen meer vereist);

- bij visuele inspectie zag de buitenzijde (incl. dakgoot) er correct uit;

- vlekken aan de binnenzijde aangetroffen, deze zijn mogelijk veroorzaakt door een oude lekkage. Op het moment van inspectie was er geen lekkage zichtbaar."

4.8.

Bij brieven van 8 juli en 15 juli 2013 heeft de gemachtigde van [appellant] [geïntimeerde]

in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 21 juli 2013 te bevestigen dat alle gebreken

zullen worden hersteld en dat daarvoor een plan van aanpak zal worden overgelegd.

4.9.

De aannemer van [geïntimeerde] , De Gooische Bouwspecialist, heeft bij brief van

20 juli 2013 geschreven dat alle werkzaamheden conform de voorschriften en normen zijn

uitgevoerd, dat in het dakvenster van [appellant] reeds voor aanvang van de

werkzaamheden een barst aanwezig was omdat direct nadat het raam beschadigd zou zijn er

al mosvorming aanwezig was en dat met betrekking tot de lekkage in de voorste slaapkamer

is besproken dat de aannemer de latex vergoedt, maar dat het schilderwerk door [appellant]

zelf zou worden uitgevoerd.

4.10.

De gemachtigde van [appellant] heeft bij brief van 29 augustus 2013 aan [geïntimeerde]

betwist dat er afspraken zijn gemaakt tussen [appellant] en de aannemer en

medegedeeld dat vanwege het uitblijven van een aanbod tot herstel een deskundige

ingeschakeld wordt.

4.11.

Het Bureau voor Bouwpathologie heeft op 19 september 2013 een onderzoek

ingesteld naar de oorzaak van de lekkage op de vliering van de woning van [appellant]

en op 13 november 2013 een rapport uitgebracht. In het rapport staat, onder meer vermeld:

"ANALYSE EN CONCLUSIE

De vochtproblemen in de woningscheidende wand parallel aan de daklijn worden veroorzaakt door vochtdoorslag van het halfsteens metselwerk en het ontbreken van een degelijke waterkering aan de-voet van het nieuw opgetrokken metselwerk.

De loodlokketten parallel aan de daklijn die in het metselwerk zijn ingemetseld, zijn vermoedelijk niet zoals op tekening, (…) is aangegeven doorgezet tegen het houten binnen spouwblad, maar met een beperkte diepte ingemetseld, zogenoemde renovatie lood. (..) Wat betreft de betrouwbaarheid van de uitgevoerde werkzaamheden zijn er bij ondergetekende twijfels ontstaan over de constructieve berekeningen. Hierin wordt een toelaatbare belasting op de bestaande fundering aangenomen met een veiligheidsfactor voor de bestaande situatie. Het is onbekend of deze meegerekende veiligheidsfactor destijds in het oorspronkelijke bouwjaar (1906) ook is toegepast, hierom kan er beter worden gerekend met de werkelijke belasting op de fundering zonder toepassing van de veiligheidsfactoren (..)."

4.12.

De gemachtigde van [appellant] heeft bij brief van 2 december 2013 het

rapport van het Bureau voor Bouwpathologie d.d. 13 november 2013 aan [geïntimeerde]

gestuurd en [geïntimeerde] gesommeerd om binnen één week te bevestigen dat hij de genoemde

herstelwerkzaamheden alsmede een nadere constructieve berekening zal laten uitvoeren en

de kosten voor het deskundigenonderzoek zal vergoeden.

4.13.

Bij brief van 12 januari 2014 hebben De Gooische Bouwspecialist en [geïntimeerde]

aan de gemachtigde van [appellant] onder meer geschreven: "(..), Hierbij verklaart de

Gooische Bouwspecialist (..) de volgende punten te gaan aanpakken/herstellen:

- stootvoegen dichtmaken, zodat er geen regen/lekwater door kan komen als de wind op de muur staat.

- open stootvoegen maken boven de loodloketten ten behoeve van de afwatering.

- aansluitingen lood(lokketten) naar dak(pannen) afdichten (..)

- gevelimpregnatie (..).

Wat betreft de constructieberekeningen: de gemeente heeft hiervoor zijn goedkeuring gegeven (..)."

4.14.

Een e-mail d.d. 5 februari 2014 van [X] , Senior Inspecteur Bouwen bij de gemeente [gemeente] , aan [geïntimeerde] met de volgende inhoud: "Telefonisch deelde ik u al mede dat er geen nieuwe constructieberekeningen vereist zijn. Ik begreep van mijn collega, (…), dat zij u ook al had gemaild dat vanuit de gemeente geen nieuwe constructieberekeningen meer zijn vereist. (…)"

4.15.

[bouwbedrijf] (hierna: [bouwbedrijf] ) heeft op

8 februari 2014 een offerte uitgebracht aan [appellant] , met de volgende inhoud:

"Werkzaamheden: Schade herstel werkzaamheden tgv opbouw buren

(…)

De nieuwe stenen buiten muur zal volledig gesloopt en verwijderd worden.

De gevelpannen zullen tijdelijk verwijderd worden en opgeslagen moeten worden om naderhand weer terug te plaatsen.

Hiervoor benodigd een steiger aan de voorzijde met lift ivm aan en afvoer sloop en bouw materialen.

Een te leveren en te plaatsen container 6m3.

Dak van de heer [appellant] zal afgedekt en afgeschermd moeten worden voor de herstel werkzaamheden.

Slopen en afvoeren metselwerk tot aansluiting pannendak de heer [appellant] .

Lood bestaand in muur gebracht verwijderen en afvoeren.

Nieuw te metselen buiten muur in gevelsteen kleur roodpaars genuanceerd.

Nieuw lood 18 ponds aanbrengen in spouw omhoog staand en folie over heen sluitend.

Metselwerk grijs platvol afvoégen.

Gevelpannen terug plaatsen.

Loodgieter werkzaamheden herstel overgangen zink en bitumen voor en achterzijde.

Vervangen dakraam tgv schade werkzaamheden aannemer van de buren.

Extra te leveren pannen tgv schade idem als hierboven beschreven.

Dak schoonmaken en aansluitingen afwerken en alles afvoeren.

Totaal van deze beschreven werkzaamheden hierboven beschreven bedraagt exclusief btw € 7.245,00

Totaal incl.btw € 9.123,65

Herstelwerkzaamheden binnenzijde woning de heer [appellant] .

Zolder schimmel verwijderen en wand opnieuw sauzen/witten.

Slaapkamer idem schimmel verwijderen en plafond opnieuw sauzen/witten

Totaal van deze beschreven werkzaamheden hierboven beschreven bedraagt exclusief btw € 1.310,00

Totaal incl.btw € 1.441,10 (…)"

4.16.

Op 10 augustus 2015 heeft Adviesburo F.T.V. in opdracht van [appellant] nieuwe constructieberekeningen terzake de dakopbouw gemaakt.

4.17.

Bureau BB heeft op 26 januari 2016 een rapport uitgebracht waarin voornoemde constructieberekeningen (rov. 4.16) worden geanalyseerd.

In het rapport staat onder meer vermeld: (…) In de nieuwe berekening is uitgegaan van een halfsteens metselwerk woning scheidende wand, de houten (vloeren) balklagen zoals toegepast in

de praktijk en gelijke standaardwaarden voor constructiedelen.

Uit deze nieuwe berekening blijkt dat de koppeling van de houten balklaag onvoldoende is gekoppeld aan de woning scheidende wand en er ankers dienen te worden bijgeplaatst, dit om een voldoende stijve constructie te verkrijgen. In de huidige situatie heeft de aannemer een h.o.h. afstand van de bevestiging aangehouden van circa 1000 mm, uit de berekening van FTV blijkt dat dit maximaal 400 mm mocht bedragen. Buiten het feit dat FTV concludeert dat de gehele balkenvloer te ligt is uitgevoerd (en dus niet voldoet aan de voorschriften), had deze dus ook op beduidend meer punten bevestigd dienen te worden dan door de aannemer is uitgevoerd.

Ook volgt uit de herberekening, (waarbij hogere belastingwaarden zijn aangehouden die de werkelijkheid beter benaderen dan in het advies van [Y] ), dat de fundering ontoereikend is en de belasting op de fundering dus te hoog is (de belasting op de fundering is met 26% overschreden).(…)"

5 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan hem van een bedrag van € 9.645,- terzake van schadevergoeding te vermeerderen met btw en een bedrag van € 1.122,80 aan deskundigenkosten. Dit alles te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het plaatsen van de dakopbouw op zijn woning, waardoor schade is ontstaan aan de woning van [appellant] .

5.2.

[geïntimeerde] heeft betwist dat eventuele schade het gevolg is van de bouwwerkzaamheden en aangevoerd dat de dakopbouw en de dakconstructie overeenkomstig de door de gemeente afgegeven omgevingsvergunning zijn gebouwd

5.3.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 20 mei 2015, uitvoerbaar bij voorraad, de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de vochtplekken op de zolder van [appellant] , tot een bedrag van € 2.960,75 incl. btw, toegewezen, alsmede een bedrag van

€ 1.122,28 incl. btw aan deskundigenkosten. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

6 Omvang van het hoger beroep

6.1.

[appellant] heeft gesteld dat het hoger beroep zich richt tegen de volgende overwegingen van het bestreden vonnis: de geleden schade aan de zolder (rov. 2.6. en 2.7.), de kosten van een nieuwe constructieberekening (rov 2.8. en 2.9.0), het wegnemen van de oorzaak van de schade aan de zolder van [appellant] (rov. 2.10 t/m 2.12) en de proceskosten (rov. 2.14.). [appellant] komt niet in hoger beroep tegen de overwegingen van de kantonrechter inzake de schade aan het plafond van de slaapkamer (rov. 2.2. en 2.3.), het dakraam (rov. 2.4.) en de dakpannen (rov. 2.5.).

6.2.

Zoals hiervoor in rov. 3.1. is overwogen wordt de omvang het hoger beroep bepaald door hetgeen in de appeldagvaarding is gevorderd, waarin wordt verwezen naar de vorderingen van appellant zoals geformuleerd in eerste aanleg. Bij dagvaarding in eerste aanleg is gevorderd veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag aan schadevergoeding van € 9.645,- te vermeerderen met btw en een bedrag van

€ 1.122,80 aan deskundigenkosten. Het bedrag van € 9.645,- is als volgt samengesteld:

€ 7.245,- en € 1.310,- op basis van de werkzaamheden als omschreven in de offerte van [bouwbedrijf] (rov. 4.14.) en € 1.000,- en € 100,- terzake van het laten maken van nieuwe constructieberekeningen en de beoordeling ervan (alle genoemde bedragen ex btw).

Uit het lichaam van de dagvaarding, noch uit de latere stukken blijkt dat vergoeding wordt gevorderd voor meer of andere bedragen dan voor genoemde schadeposten, ondanks de toevoeging "(voorschot)" in de eis. Voor zover er in het hoger beroep vergoeding wordt gevorderd van hogere bedragen voor of van andere posten dan begrepen in de hiervoor genoemde schadebedragen, valt dit onder de niet toegestane vermeerdering van eis.

7 De beoordeling van de grieven en de vordering

7.1.

Grief 1 richt zich tegen de hoogte van het door de kantonrechter toegewezen bedrag ter zake van de vochtschade op zolder. In de toelichting op de grief heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter onder verwijzing naar de door [appellant] overgelegde offerte van [bouwbedrijf] (prod.14 bij inleidende dagvaarding) zonder nadere motivering een bedrag van € 960,75 incl. btw als schadevergoeding heeft toegewezen, terwijl de offerte een bedrag van € 1.441,10 incl. btw aan kosten voor herstel noemt.

7.2.

Het hof overweegt als volgt. De kantonrechter heeft de schadevergoeding met betrekking tot de vochtplekken op de zolder toegewezen en mede op grond van voornoemde offerte de kosten van herstel begroot op € 960,75 incl. btw. (rov. 2.7. vonnis 20 mei 2015). In de offerte waarnaar wordt verwezen is opgenomen (rov. 4.15):

"(…)

Herstelwerkzaamheden binnenzijde woning de heer [appellant] .

Zolder schimmel verwijderen en wand opnieuw sauzen/witten.

Slaapkamer idem schimmel verwijderen en plafond opnieuw sauzen/witten

Totaal van deze beschreven werkzaamheden hierboven beschreven

bedraagt exclusief btw € 1.310,00

Totaal incl. btw € 1.441,10"

De kantonrechter heeft in zijn vonnis de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de vochtplekken op het plafond van de slaapkamer afgewezen (rov. 2.2. en 2.3. vonnis 20 mei 2015), waartegen [appellant] uitdrukkelijk niet heeft gegriefd (zie hiervoor rov. 6.1.). Nu het in de offerte genoemde bedrag van € 1.441,10 incl. btw deels ziet op de werkzaamheden in de slaapkamer, waarvoor de gevraagde vergoeding is afgewezen, heeft de kantonrechter logischerwijs een aftrek doen plaatsvinden op het totaalbedrag van € 1.441,10, waarbij het hof gezien de oppervlakteverhoudingen een vermindering met een bedrag van ongeveer

€ 500,- proportioneel acht. Nu [appellant] geen andere bezwaren heeft geuit tegen deze schadebegroting faalt de grief.

7.3.

De grieven 2, 3 en 4 richten zich tegen de afwijzing van gevorderde schadevergoeding met betrekking tot het maken van nieuwe constructieberekeningen en het laten beoordelen hiervan. In de toelichting op de grieven heeft [appellant] gesteld dat hij, onder verwijzing naar het rapport van het Bureau voor Bouwpathologie d.d. 13 november 2013 (hierna: rapport BB), voldoende naar voren heeft gebracht om de noodzaak van nieuwe berekeningen aan te tonen. Voor zover de noodzaak niet voldoende uit voornoemd rapport zou zijn gebleken, volgt dit in ieder geval uit de nieuwe constructieberekening van Adviesburo F.T.V. B.V. d.d. 10 augustus 2015 (prod. 1 mvg), die hij heeft laten maken en de toelichting daarop d.d. 28 januari 2016 (prod. 3 mvg) (grief 3). [appellant] heeft voorts gesteld dat thans, nu hij nieuwe berekeningen heeft laten maken en beoordelen, de werkelijke kosten bekend zijn, een bedrag van € 605,- incl. btw (prod. 2 mvg) voor nieuwe berekeningen en € 248,05 incl. btw voor de beoordeling hiervan (prod.4 mvg).

7.4.

Het hof oordeelt als volgt. In eerste aanleg heeft [appellant] het rapport BB overgelegd (prod.7 inleidende dagvaarding). In voornoemd rapport van de hand van

ing. [Z] (hierna: [Z] ) wordt onder het kopje "Hersteladvies" opgemerkt. "(…) Wat betreft de gemaakte constructieberekeningen is het raadzaam de werkelijke situatie en de oorspronkelijke situatie opnieuw constructief te berekenen. Met name de uitgangspunten zoals de toelaatbare belasting op fundering dient te worden bijgesteld met voorkeur zonder de veiligheidsmarge. Daarnaast dienen de belastingen van het eigen gewicht van de vloeren in de woning te worden bijgesteld naar een grotere belasting.(…)" [Z] heeft ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg verklaard: "(…)Er is nooit een berekening gemaakt op basis van de feitelijke situatie. Ik heb geadviseerd om wel op knikgevaar te berekenen, omdat het een dun muurtje is. Met betrekking tot de fundering kan ik niet zeggen of de veiligheidsmarge is toegepast. Er is met aannames gewerkt, dus ik kan niet zeggen of dat juist is.". De noodzaak van het maken van nieuwe constructieberekeningen volgt hier niet uit, zeker niet in het licht van de door [geïntimeerde] overgelegde e-mails van de afdeling Bouwen en Wonen van de gemeente [gemeente] (rov. 4.7.) en 5 februari 2014 (rov. 4.14.) waarin wordt gesteld dat geen nieuwe constructieberekeningen zijn vereist in de wetenschap dat er sprake is van een halfsteensmuur. In hoger beroep heeft [appellant] nieuwe berekeningen laten maken en deze laten beoordelen. In die herberekeningen en het rapport wordt genoemd dat de balkenvloer te licht is uitgevoerd en op meer punten had moeten worden bevestigd en daarnaast dat de belasting op de fundering is overschreden. Dit brengt het hof tot het oordeel dat [appellant] de noodzaak van nieuwe berekeningen voldoende heeft aangetoond.

7.5.

In eerste aanleg heeft [appellant] de kosten van nieuwe berekeningen geschat op

€ 400,- , de kosten van nieuwe tekeningen op € 600,- en daarnaast een bedrag van € 100,- voor de beoordeling van de nieuwe berekeningen door het Bureau voor Bouwpathologie. In totaal bedroeg zijn vordering in eerste aanleg terzake een bedrag van € 1.100,- (te vermeerderen met btw). In hoger beroep heeft [appellant] ter zake een bedrag van

€ 1.205,- (€ 500,- + € 205,- + 500,-) te vermeerderen met btw gevorderd. Nu de eiswijziging niet is toegestaan zal het hof een bedrag van € 1.100,- te vermeerderen met btw (€ 1.331,- incl. btw) toewijzen.

7.6.

De grieven 5 en 6 richten zich tegen de toewijzing door de kantonrechter van een bedrag van € 2.000,- voor het wegnemen van de vochtschade. In de toelichting op die grieven heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter de gehele schadevordering had dienen toe te wijzen, omdat de vochtschade slechts te voorkomen is door de verwijdering van de dakopbouw en herstel van de oude toestand. Nu die vordering, als gevolg van het niet toestaan van de eiswijziging, niet aan het hof ter beoordeling voorligt kan dit niet ter onderbouwing dienen voor het toewijzen van een hoger schadebedrag. De grieven falen.

7.7.

Grief 7 richt zich tegen het compenseren van de proceskosten tussen partijen. In de toelichting op de grief heeft [appellant] gesteld dat hij grotendeels in het gelijk is gesteld en [geïntimeerde] in de proceskosten had dienen te worden veroordeeld.

7.8.

Het hof is van oordeel dat gelet op het verschil tussen de hoogte van het door [appellant] gevorderde bedrag en de hoogte van het toegewezen bedrag, [appellant] voor een groot deel in het ongelijk is gesteld. Een compensatie tussen procespartijen in die zin dat ieder van partijen zijn eigen kosten draagt is in dat geval op zijn plaats. De grief faalt

Slotsom

7.9.

De grieven 2, 3 en 4 slagen deels, zodat het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover [geïntimeerde] tot betaling van € 4.083,03 aan [appellant] is veroordeeld. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [appellant] toewijzen op de wijze als in het dictum vermeld. Het vonnis zal voor het overige in stand worden gelaten.

[appellant] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep in die zin dat hij zijn eigen kosten dient te dragen.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van

20 mei 2015 voor zover [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van een bedrag van

€ 4.083,03 inclusief btw (€ 2.960,75 en € 1.122.28) en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] tot een bedrag van

- € 4.291,74 (€ 2.960,74 en € 1.331,-) incl. btw aan hoofdsom en

- € 1.122,28 aan deskundigenkosten;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, in die zin dat hij zijn eigen kosten dient te dragen;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. G. van Rijssen en mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier op dinsdag

1 november 2016.