Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8748

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
15/01533
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:5102, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het niet verwijderen van een verkeersbord leidt tot vernietiging van naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2372
V-N 2017/7.24.8
FutD 2016-2786
NTFR 2016/2997 met annotatie van Mr. R. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 15/01533

uitspraakdatum: 1 november 2016

Uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 november 2015, nummer LEE 15/3141, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Harlingen (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft op 3, 4, 5 en 8 juni 2015 aan belanghebbende naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd van elk € 59,40, inclusief kosten. Voorts heeft de heffingsambtenaar belanghebbende kosten van in totaal € 301 in rekening gebracht voor het aanbrengen van een wielklem en het wegslepen en in bewaring houden van belanghebbendes voertuig.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij mondelinge uitspraak van 3 november 2015 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [A] namens de heffingsambtenaar.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft op 3 juni 2015 zijn auto met kenteken [00-YY-YY] geparkeerd op de parkeerplaats bij het station van Harlingen. Sinds 1 januari 2015 behoort die parkeerplaats tot de bij aanwijzingsbesluit aangewezen plaatsen waar uitsluitend met een vergunning of tegen betaling geparkeerd kan worden. Bij dat besluit is de gehele binnenstad van Harlingen als zodanig aangewezen. Bij alle invalswegen van de gemeente Harlingen staan borden waarop parkeerbeperkingen zijn vermeld. Op het parkeerterrein waar belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd staat een parkeerautomaat, alsmede een bord waarop is vermeld dat ter plaatse tegen betaling kan worden geparkeerd.

2.2

Op weg naar de parkeerplaats was belanghebbende langs een verkeersbord gekomen van het in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 opgenomen model E101-ZE, waarvan de omschrijving luidt: „Einde zone betaald parkeren (muntgeld)”. De gemeente Harlingen heeft verzuimd dat bord bij de inwerkingtreding van het nieuwe parkeerregiem per 1 januari 2015 te verwijderen. Belanghebbende is na het parkeren van zijn auto, zonder een parkeerkaartje aan te schaffen, met de boot naar Terschelling gegaan en eerst een maand later in Harlingen teruggekeerd.

2.3

Aan belanghebbende zijn voor 3, 4, 5 en 8 juni 2015 naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd. Voorts is een wielklem aan de auto van belanghebbende aangebracht en is de auto weggesleept en in bewaring gehouden.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd en de wielklembeschikking terecht is genomen, welke vraag belanghebbende ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend beantwoordt.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij door de aanwezigheid van het bord van model E101-ZE onjuist is geïnformeerd en dat de gevolgen daarvan niet voor zijn rekening mogen komen. Als hij de parkeerautomaat had gezien, had hij ervan kunnen uitgaan dat die daar stond voor een aanstaande wijziging van het parkeerregiem.

3.3

De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende door de plaatsing van de borden aan de invalswegen van de stad Harlingen had kunnen weten dat in het gehele gebied parkeerbelasting moet worden betaald, in de vorm van een parkeervergunning dan wel in de vorm van betaald parkeren. Hij had ter plekke moeten onderzoeken of sprake was van betaald parkeren.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslagen, alsmede de wielklembeschikking.

3.6

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Uit de vaststaande feiten volgt dat het belastbare feit zich ten aanzien van alle vier aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen heeft voorgedaan. Het Hof vat belanghebbendes standpunt aldus op dat bij hem door de aanwezigheid van het bord van het model E101-ZE het vertrouwen is gewekt dat ter plaatse geen parkeerbelasting werd geheven.

4.2

Belanghebbende heeft gesteld dat hij, nadat hij het verkeersbord van het model E101-ZE was gepasseerd, geen verkeersborden meer heeft gezien die betrekking hebben op betaald parkeren en ook de parkeerautomaat niet heeft gezien. De heffingsambtenaar heeft weliswaar gesteld dat belanghebbende de automaat en een bord had kunnen en moeten zien, maar het Hof hecht geloof aan belanghebbendes verklaring dat hij deze niet gezien heeft.

4.3

Aan de heffingsambtenaar kan worden toegegeven dat van de bestuurder van een auto die het voornemen heeft te parkeren mag worden verwacht dat hij onderzoekt of ter plaatse voor dat parkeren betaald dient te worden, en tevens dat het tekortschieten in die onderzoeksplicht in beginsel voor rekening en risico van de bestuurder dient te zijn. Ook is juist dat belanghebbende door de bebording bij de invalswegen van de gemeente Harlingen op de hoogte is gesteld van het bestaan van een parkeerregiem.

4.4

Indien echter door handelen of nalaten van de gemeente verwarring ontstaat en bestuurders van motorrijtuigen redelijkerwijs kunnen menen dat ter plaatse van het parkeren geen parkeerbelasting wordt geheven, kan van die bestuurders niet worden gevergd dat zij voortgaan met het onderzoek naar hun belastingplicht.

4.5

In het onderhavige geval heeft de gemeente verzuimd het bord van model E101-ZE te verwijderen nadat het regiem voor betaald parkeren in de gehele binnenstad van Harlingen was ingevoerd. Nu vaststaat dat belanghebbende dat bord was gepasseerd alvorens het parkeerterrein bij het station op te rijden en aldaar zijn auto te parkeren, en voorts belanghebbende geloofwaardig heeft gesteld dat hij geen verkeersborden meer heeft gezien die betrekking hebben op betaald parkeren en ook de parkeerautomaat niet heeft gezien, kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende in zijn onderzoeksplicht is tekortgeschoten doordat hij na het passeren van dat bord geen stappen heeft ondernomen om zich ervan te vergewissen dat hij voor het parkeren van zijn auto geen parkeerbelasting was verschuldigd. Hieraan doet niet af dat belanghebbende op 3 juni 2015 voornemens was zijn auto een maand lang te parkeren bij het station.

4.6

Dit zou anders zijn geweest indien belanghebbende de automaat of het bord betreffende betaald parkeren aan het parkeerterrein had gezien, aangezien daarmee de onderzoeksplicht zou zijn herleefd. Gelet op het vorenoverwogene gaat het Hof er echter niet van uit dat zulks het geval is geweest.

4.7

Uit de door de heffingsambtenaar in eerste aanleg overgelegde foto’s kan wel worden opgemaakt dat sprake is van een parkeerregiem in de bebouwde kom van de stad Harlingen, maar niet wat dat regiem precies inhoudt. Zo is bij het bord waarmee de bebouwde kom wordt aangeduid een bord geplaatst met de aanduiding dat sprake is van een zone met een parkeerverbod voor vrachtwagens en bussen, en een bord waarmee een herhaling wordt kenbaar gemaakt van een mededeling dat sprake is van een parkeerzone voor vergunninghouders. Over betaald parkeren anders dan voor vergunninghouders is op die foto niets te zien. Op andere foto’s is te zien dat men de zone voor betaald parkeren verlaat en de zone voor vergunninghouders betreedt, respectievelijk de omgekeerde situatie. Uit geen van de door de heffingsambtenaar in het geding gebrachte foto’s valt op te maken dat voor de gehele binnenstad van Harlingen parkeerbelasting moet worden betaald in zones die niet zijn voorbehouden aan vergunninghouders. De stelling van de heffingsambtenaar dat belanghebbende op grond van het door bebording kenbaar gemaakte parkeerregiem, ook na het passeren van het bord met model E101-ZE, een onderzoeksplicht had, wordt daarom verworpen.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 57,72 voor de reiskosten in eerste aanleg en € 57,72 voor de reiskosten in hoger beroep, ofwel in totaal op € 115,44.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar, alsmede de naheffingsaanslagen en de wielklembeschikking,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 115,44, en

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 123 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 1 november 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma )

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 november 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.