Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8745

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
16/00043 en 16/00044
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:7311, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2838
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Vereiste aangifte. Omkering en verzwaring bewijslast. Verkapte uitdelingen. Redelijke schatting. Vergrijpboete terecht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2532
V-N 2017/7.1.3
FutD 2016-2836
Viditax (FutD), 10-11-2017
NTFR 2017/37 met annotatie van Mr. M. Akhloufi
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 16/00043 en 16/00044

uitspraakdatum: 1 november 2016

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 november 2015, nummers AWB 14/8550 en 14/8551, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.907 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 19.242. Daarbij is een bedrag van € 241 aan heffingsrente in rekening gebracht. Tevens is een vergrijpboete van € 4.810 opgelegd.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.034 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 49.396. Daarbij is een bedrag van € 171 aan heffingsrente in rekening gebracht. Tevens is een vergrijpboete van € 12.349 opgelegd.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 27 oktober 2014 de belastingaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de vergrijpboetes gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 26 november 2015 het beroep inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 en de beschikking heffingsrente 2011 ongegrond verklaard, het beroep inzake de aanslag IB/PVV 2012 en de beschikking heffingsrente 2012 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2012 en de beschikking heffingsrente 2012 vernietigd, de aanslag IB/PVV 2012 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.034 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 49.296, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de beroepen inzake de boetes gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar inzake de boetes vernietigd, de boete voor het jaar 2011 verminderd tot € 2.405, en de boete voor het jaar 2012 vernietigd.

1.5.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 6 januari 2016 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2016 te Arnhem. Belanghebbende is vertegenwoordigd door [A] , werkzaam bij [B] Accountants & Belastingadviseurs BV te [C] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [D] en [E] .

1.8.

Belanghebbende heeft ter zitting met instemming van de Inspecteur een overzicht ingebracht waarin de opnamen en stortingen in rekening-courant zijn vermeld van [F] BV en [G] BV.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren [in] 1969, is [in] 2012 gehuwd met [H] (hierna: [H] ). Laatstgenoemde heeft kinderen uit een eerdere relatie.

2.2.

Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van [I] BV. Deze vennootschap exploiteert onder meer modewinkel [J] te [Z] . Belanghebbende ontvangt loon uit deze vennootschap.

2.3.

Belanghebbende is sinds de oprichting op 5 september 2011 enig aandeelhouder van [F] BV. Volgens gegevens van de Kamer van Koophandel is de onderneming gestart op 12 april 2011. Belanghebbende staat vanaf de oprichting tot 26 januari 2012 ingeschreven als enig bestuurder van [F] BV.

2.4.

De activiteiten van [F] BV bestonden uit het verpakken, ompakken, stickeren en labellen van goederen voor derden.

2.5.

Belanghebbende heeft in 2011 voor [F] BV een bankrekening geopend bij ING. Belanghebbende is tot 23 mei 2013 betalingsgemachtigde geweest. Belanghebbende heeft na opening van de bankrekening de bankpas aan haar partner [H] gegeven. [H] had in de onderhavige jaren de dagelijkse leiding in [F] BV.

2.6.

Belanghebbende heeft op 7 februari 2013 alle aandelen in [F] BV overgedragen aan [K] . Laatstgenoemde is vanaf 26 januari 2012 ingeschreven als bestuurder van [F] BV.

2.7.

De Inspecteur heeft op 31 maart 2012 belanghebbendes aangifte IB/PVV 2011 ontvangen. In de aangifte is een verzamelinkomen van € 22.907 vermeld, bestaande uit loon van [I] BV (€ 31.134) en een aftrekpost eigen woning (-/- € 8.227).

2.8.

De Inspecteur heeft met dagtekening 3 augustus 2012 de aanslag IB/PVV 2011 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte.

2.9.

De Inspecteur heeft op 25 maart 2013 belanghebbendes aangifte IB/PVV 2012 ontvangen. In de aangifte is een verzamelinkomen van € 34.034 vermeld, bestaande uit loon van [I] BV (€ 42.188) en een aftrekpost eigen woning (-/- € 8.154).

2.10.

De Inspecteur heeft medio 2013 een boekenonderzoek verricht bij [F] BV. Bij het onderzoek zijn ook belanghebbendes aangiften IB/PVV 2011 en 2012 onderzocht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 september 2013, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Bedrijfsactiviteiten

De ondernemingsactiviteiten bestonden uit het verpakken, ompakken, stickeren en labellen van goederen voor derden. De ondernemingsactiviteiten vonden plaats vanuit een gehuurde loods met kantoorruimte aan de [a-straat] 1 en 3 te [L] .

Volgens de huurovereenkomst is [F] BV niet de enige huurder. Als huurders worden naast belastingplichtige ook [M] BV, [N] BV en [O] BV vermeld.

Rechtsgeldig vertegenwoordiger van die ondernemingen is dhr. [H] . Dhr. [H] en [belanghebbende] hadden op dat moment een relatie en zijn inmiddels getrouwd. In tegenstelling tot hetgeen [belanghebbende] verklaarde over de huurovereenkomst aan de [a-straat] in [L] is de huurovereenkomst wel door haar ondertekend. (…)

(…)

Beheer van de bankrekening

Bij de ING bank is, naast het opvragen van bankafschriften, ook onderzoek gedaan naar de contactpersoon en degene die betalingen van de bankrekening verrichtte. Uit dit onderzoek is gebleken dat de zogenaamde tan-codes die nodig zijn voor het betalen via internetbankieren per sms werden verkregen. Het telefoonnummer dat voor het ontvangen van de tan-codes is opgegeven is het nummer van dhr. [K] . Dit telefoonnummer is echter pas in mei 2013 bij de ING bank doorgegeven.

Volgens de administratie van ING betreft het de wijziging waarbij met ingang van 23 mei 2013 dhr. [K] wordt opgevoerd en [belanghebbende] wordt afgemeld als betalingsgemachtigde (bijlage 22).

Beoordeling uitgaven via de zakelijke bankrekening

Bij het beoordelen van de uitgaven via de zakelijke bankrekening is vastgesteld dat het merendeel van de geldautomaatopnames, uitgaven zoals tanken en horeca-bezoeken plaatsvinden in en rond [Z] .

Conclusie over de leiding van de onderneming

Vanaf de oprichting tot en met januari 2012 is [belanghebbende] formeel bestuurder geweest. Volgens haar verklaring was het dhr. [K] die de dagelijkse gang van zaken regelde.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat geen van de crediteuren of debiteuren waarmee wij contact hebben gehad ooit contact heeft gehad met dhr. [K] . Zonder uitzondering wordt dhr. [H] genoemd als degene met wie zaken werden gedaan namens [F] BV. Dhr. [H] was de partner en sinds november 2012 de echtgenoot van [belanghebbende]. Aangezien dhr. [H] geen enkele formele band met [F] BV heeft of heeft gehad, moet worden aangenomen dat dhr. [H] door zijn partner/echtgenote is ingeschakeld om werk voor [F] BV te verrichten. Vanaf de oprichting tot de feitelijke beëindiging van de activiteiten in februari 2013 is er volgens het onderzoek niets gewijzigd in de persoon die namens [F] BV zaken deed. De rol van dhr. [K] blijft onduidelijk. (…) Als feitelijk bestuurders van de vennootschap kunnen voor de periode vanaf de oprichting tot heden worden aangemerkt [belanghebbende] en dhr. [H] .

Onderzoek naar de fiscale positie van de onderneming

Administratie

Door belastingplichtige is geen administratie overgelegd. Voor het bepalen van de fiscale positie van de verschillende belastingmiddelen zijn wij uitgegaan van de mutaties op de bankafschriften zoals die van de ING bank zijn ontvangen. Het betreft een minimale positie omdat transacties die via de kas, of op andere wijze verrekend zijn niet in de berekeningen zijn meegenomen.

(…)

Betalingen aan en uitgaven ten behoeve van de aandeelhouder

Bij het beoordelen van de uitgaven via de zakelijke bankrekening is vastgesteld dat een belangrijk aantal uitgaven rechtstreeks of middellijk ten gunste van [belanghebbende] zijn gekomen. Voor deze uitgaven wordt het standpunt ingenomen dat deze voordelen door [belanghebbende] in haar hoedanigheid van enig aandeelhouder zijn genoten. Dit voordeel is belastbaar in box 2.

Het gaat hierbij om betalingen van de privé hypotheek, geldopnames, online pokeren, luxe goederen, paardensport, vakantie en overboekingen naar Oostenrijk.”

2.11.

De Inspecteur heeft de volgende uitgaven als uitdeling aangemerkt:

2011 2012

1. Hypotheek woonhuis ex-partner [H] 4.326,47 4.960,91

2. Geldautomaat 750,00 11.470,00

3. Verteer 774,52 2.054,25

4. Betalingen Oostenrijk voor vakantiewoning [H] 4.983,78 14.405,83

5. Overboekingen belanghebbende 1.800,00 13.265,38

6. Vakantie 0,00 2.353,47

7. Ziektekosten [H] en zijn kinderen 418,60 967,70

8. Paardensport voor dochter van [H] 2.040,00 81,15

9. Online pokeren door [K] 2.650,00 4.810,35

10. Luxe artikelen 1.499,00 797,95

11. [I] 0,00 22.500,00

12. [J] shop 0,00 -/- 29.902,00

13. Schoolgeld voor dochter van [H] 0,00 320,00

14. Schoolboeken voor dochter van [H] 0,00 1.211,33

Totaal 19.242,37 49.296,52

2.12.

De Inspecteur heeft met dagtekening 5 november 2013 de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.907 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 19.242. Daarbij is tevens een vergrijpboete opgelegd van 100 percent.

2.13.

De Inspecteur heeft met dagtekening 5 november 2013 de (primitieve) aanslag IB/PVV 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.034 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 49.396. Daarbij is tevens een vergrijpboete opgelegd van 100 percent.

2.14.

De Rechtbank heeft overwogen dat belanghebbende heeft erkend dat [F] BV tot bedragen van respectievelijk € 17.442 (2011) en € 36.596 (2012) uitgaven heeft gedaan voor niet-zakelijke doeleinden, dat belanghebbende daardoor in haar hoedanigheid van aandeelhouder is bevoordeeld, en dat de uitgaven in zoverre terecht als uitdelingen aan belanghebbende zijn aangemerkt. Vervolgens heeft de Rechtbank op basis van het vorenstaande geoordeeld dat belanghebbende over 2011 en 2012 de vereiste aangiften niet heeft gedaan, dat dit tot omkering en verzwaring van de bewijslast leidt, dat de belastingaanslagen berusten op een redelijke schatting, dat alleen de post “online pokeren” voor een te hoog bedrag van € 100 in aanmerking is genomen door de Inspecteur, en dat belanghebbende niet het (verzwaarde) bewijs heeft geleverd dat bedragen ten onrechte als uitdeling zijn aangemerkt. Met betrekking tot de boetes heeft de Rechtbank geoordeeld dat voor het jaar 2011 een boete van 50 percent passend en geboden is, en dat voor het jaar 2012 de boete – met instemming van de Inspecteur – moet worden vernietigd omdat een onjuiste wettelijke grondslag is vermeld. De Rechtbank heeft dan ook het ingestelde beroep inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 en de beschikking heffingsrente 2011 ongegrond verklaard, en de beroepen inzake de aanslag IB/PVV 2012, de beschikking heffingsrente 2012 en de beide boetebeschikkingen gegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de in 2.11 genoemde uitgaven als winstuitdeling kunnen worden aangemerkt. Verder is in geschil of de vergrijpboete terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2.

Belanghebbende betoogt dat de in 2.11 genoemde uitgaven onder post 2, 3 en 10 (geldautomaat, verteer en luxe artikelen) zakelijke uitgaven zijn. Verder betoogt belanghebbende dat de uitgaven van post 5, 11 en 12 (overboeking belanghebbende, [I] , [J] shop) in rekening-courant zijn verrekend en dat deze bedragen nimmer zijn onttrokken aan [F] BV. Voorts voert belanghebbende aan dat de uitgaven van post 1, 4, 6, 7, 8, 13 en 14 (privé-uitgaven [H] ) als beloning voor [H] moet worden aangemerkt voor zijn werkzaamheden voor [F] BV en derhalve evenmin als uitdeling kunnen worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende betoogt subsidiair dat als sprake is van uitgaven voor niet-zakelijke doeleinden (onttrekking), deze niet aan haar ten goede zijn gekomen, maar uitsluitend aan [H] en [K] (post 9: online pokeren). Voorts heeft belanghebbende niet geweten van deze uitgaven, zodat van enige bewustheid bij de bevoordeling geen sprake is.

3.4.

Met betrekking tot de boete heeft belanghebbende aangevoerd dat haar geen opzet of grove schuld kan worden verweten, nu zij niet op de hoogte was en hoefde te zijn van de in geding zijnde betalingen.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 en boete 2011, en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2012. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Overwegingen

Omkering en verzwaring bewijslast

4.1.

Artikel 27j, tweede lid, in samenhang met artikel 27e, aanhef en letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), bepaalt, voor zover van belang, dat het hoger beroep van de belastingplichtige ongegrond moet worden verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.2.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vgl. HR 9 november 2012, nr. 11/04578, ECLI:NL:HR:2012: BY2665).

4.3.

Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vgl. HR 11 april 2003, nr. 36 822, ECLI:NL:HR:2003:AE3220 en HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.

Onttrekking/winstuitdeling

4.4.

De door een vennootschap gedane uitgaven vormen een winstuitdeling indien en voor zover i) de uitgaven zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoefte van de aandeelhouder (vgl. HR 14 juni 2002, nr. 36.453, ECLI:NL:HR:2002:AB2865), en ii) de vennootschap en de aandeelhouder zich ervan bewust moeten zijn geweest dat de aandeelhouder werd bevoordeeld (vgl. HR 24 oktober 2003, nr. 37.856, ECLI:NL:HR:2003:AI0411). De inspecteur dient te bewijzen dat sprake is van een winstuitdeling.

4.5.

Belanghebbende heeft erkend dat de uitgaven van post 1, 4, 6, 7, 8, 13 en 14 – voor een totaalbedrag van respectievelijk € 11.768 (2011) en € 24.300 (2012) – als privé-uitgaven moeten worden aangemerkt. Belanghebbende heeft evenwel betoogd dat deze uitgaven als beloning voor [H] moet worden aangemerkt voor zijn werkzaamheden voor [F] BV. Het Hof acht echter niet aannemelijk dat ten tijde van de uitgaven door [F] BV, de bedoeling bestond deze bedragen als loonbetalingen aan te merken. Uit enige administratieve boeking of arbeidsovereenkomst is dit immers niet gebleken. Evenmin is in enige (aanvullende) aangifte loonbelasting of inkomstenbelasting gewag gemaakt van loonbetalingen aan [H] .

4.6.

[F] BV heeft in 2011 en 2012 tot bedragen van respectievelijk € 11.768 en € 24.300 onzakelijke uitgaven gedaan ten behoeve van belanghebbendes partner [H] , met wie zij reeds in 2011 een affectieve relatie had. Verder staat vast dat belanghebbende in 2011 en 2012 de enige aandeelhouder was en tot 26 januari 2012 de enige formeel bestuurder. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat [H] in 2011 en 2012 de dagelijkse leiding had in [F] BV. Gelet op het vorenstaande acht het Hof aannemelijk dat zowel belanghebbende als [F] BV zich ervan bewust is geweest, althans zich redelijkerwijs ervan bewust had moeten zijn, dat [F] BV, door voornoemde onzakelijke uitgaven voor haar rekening te nemen, aan belanghebbende dan wel aan [H] voordelen deed toekomen die een winstuitdeling vormden. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat [F] BV en belanghebbende als enige aandeelhouder van die vennootschap voor wat betreft wetenschap kunnen worden vereenzelvigd. Naar het oordeel van het Hof leidt dit ertoe dat belanghebbende het bedrag in haar hoedanigheid van aandeelhouder aan de BV heeft onttrokken. Er is derhalve sprake van een winstuitdeling die tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang van belanghebbende moet worden gerekend. Dat de uitdeling van winst (deels) ten goede is gekomen aan belanghebbendes partner [H] , doet daaraan niet af. Van een vermomde winstuitdeling kan evenzeer sprake zijn in een geval als het onderhavige, waarin een vennootschap niet-zakelijke uitgaven doet ten gunste van de partner van de enige aandeelhouder van de vennootschap.

4.7.

Belanghebbende heeft in de aangiften IB/PVV 2011 en 2012 geen winstuitdeling aangegeven, terwijl deze ten minste € 11.768 respectievelijk € 24.300 had moeten bedragen. Gelet op de omvang van deze fout had belanghebbende zich ten tijde van het doen van de aangiften ervan bewust moeten zijn dat als gevolg van die aangiften verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelastingen niet zouden worden geheven.

4.8.

Het vorenstaande brengt mee dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, ten gevolge waarvan voornoemde bewijsregel van artikel 27e AWR (omkering en verzwaring van de bewijslast) toepassing vindt.

4.9.

De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft de correctie ter zake van de winstuitdeling gebaseerd op de bankafschriften die de Inspecteur van ING heeft verkregen in het kader van een bij [F] BV ingesteld boekenonderzoek. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat de correctie onredelijk of willekeurig is vastgesteld.

4.10.

Indien en voor zover een belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting van de Inspecteur anderszins betwist, dient hij daarvoor tegenbewijs te leveren op de in artikel 27e AWR bedoelde wijze (vgl. HR 31 mei 2013, nr. 11/03452, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

4.11.

Belanghebbende heeft ook in het kader van het tegenbewijs gewezen op haar stellingen zoals vermeld in de onderdeel 3.2 en 3.3 en de daarvoor aangedragen bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende daarmee niet op overtuigende wijze de onjuistheid aangetoond van de schatting van de Inspecteur of de voor de schatting gebruikte gegevens. De aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 zullen derhalve niet worden verminderd.

Boete

4.12.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een vergrijpboete van 50 percent opgelegd. Redengevend daarvoor is dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld (artikel 67e AWR).

4.13.

Belanghebbende betwist dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Het uitgangspunt van de onschuldpresumptie brengt dan mee dat de Inspecteur de feiten moet stellen en aannemelijk maken die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van opzet. Opzet houdt in dat belanghebbende zich ervan bewust was dat te weinig belasting is geheven. Opzet omvat mede de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven (voorwaardelijk opzet) (vgl. HR 3 december 2010, nr. 09/04514, ECLI:NL:HR: 2010:BO5989).

4.14.

Vaststaat dat belanghebbende de bankpas van [F] BV aan haar partner [H] heeft gegeven, dat [H] daarmee over een langere periode privé-uitgaven heeft gedaan, en dat [H] daarvoor over de zogenoemde TAN-codes van ING heeft beschikt. Door het achterwege laten van enige controle – zowel vooraf als achteraf – op de door [H] gedane uitgaven heeft belanghebbende de aanmerkelijk kans in het leven geroepen dat [H] privé-uitgaven zou doen. In het licht van die omstandigheid bestond ten tijde van het doen van de aangiften IB/PVV 2011 en 2012 de aanmerkelijke kans dat de winstuitdelingen tot een te laag bedrag in de aanslagen zouden worden begrepen. Naar het oordeel van het Hof had belanghebbende wetenschap van die aanmerkelijke kans en heeft zij die kans bewust aanvaard (op de koop toegenomen). Een vergrijpboete van € 2.405 is volgens het Hof in overeenstemming met de ernst van het vergrijp. Het Hof heeft hierbij ook in aanmerking genomen dat de aanslagen met behulp van omkering en verzwaring van de bewijslast zijn komen vast te staan.

Heffingsrente

4.15.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte heffingsrenten. Nu de belastingaanslagen niet worden verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrenten.

Slotsom

Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2016.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 1 november 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.