Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8743

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
15/01524
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:6689, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2877, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges. Aanvraag omgevingsvergunning. Heffing terecht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2516
Belastingblad 2017/73 met annotatie van mr. C.M. Bergman
TBR 2017/29 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
FutD 2016-2908
Viditax (FutD), 08-09-2017
Viditax (FutD), 17-11-2017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

Nummer 15/01524

uitspraakdatum: 1 november 2016

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Zevenaar (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 oktober 2015, nummer AWB 15/551, in het geding tussen heffingsambtenaar en

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij factuur (hierna: de legesnota) een bedrag aan leges in rekening gebracht welk bedrag hij, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd.

1.2

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 oktober 2015 gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar en de legesnota vernietigd, en gelast dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.

1.3

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2016 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede mr. [A] , [B] en mr. [C] namens de heffingsambtenaar.

1.6

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft op 29 juli 2013 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning aan de [a-straat] 1 te [Z] . De omgevingsvergunning is op 16 januari 2014 afgegeven.

2.2

De [a-straat] is gelegen in het buitengebied van de gemeente Zevenaar. Het aldaar vigerende bestemmingsplan op 29 juli 2013 was het Bestemmingsplan Buitengebied 2000, dat op 24 oktober 2001 is vastgesteld.

2.3

De legesnota bedraagt € 8.606,90 en is opgebouwd uit de volgende bedragen:

Artikel 2.12, lid 1a onder 3o Wabo € 4.154,79

Welstandsbeoordeling € 516,32

Bouwactiviteiten € 4.154,79

Verminderingen in verband met de conceptaanvraag € 219,00 neg.

Totaal € 8.606,90

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de legesnota terecht is vastgesteld.

3.2

De heffingsambtenaar is van mening dat artikel 3.1, vierde lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna ook wel: de legessanctie) het heffen van leges niet verbiedt doch slechts de invordering daarvan. Hij stelt voorts dat de legessanctie in het onderhavige geval niet van toepassing is omdat geen sprake is van een dienst die verband houdt met het bestemmingsplan, nu de omgevingsvergunning is verleend met toepassing van een buitenplanse afwijkingsmogelijkheid. Tot slot stelt de heffingsambtenaar dat de Rechtbank ten onrechte alle onderdelen van de in rekening gebrachte leges onder de legessanctie heeft gebracht. De sanctie treft slechts de toets van de bouwactiviteiten aan het bestemmingsplan waaraan naar schatting 10 percent van de geheven leges kan worden toegerekend. Op die grond kunnen de geheven leges worden verminderd met € 415,48 tot € 8.191,42.

3.3

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de leges ten onrechte zijn geheven omdat, op het moment dat hij de aanvraag indiende, het ter plaatse vigerende bestemmingsplan meer dan tien jaar oud was. Gelet op artikel 3.1, vierde lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is de bevoegdheid tot het in rekening brengen van leges vervallen. Dit geldt voor alle onderdelen van de legesnota.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en, primair en subsidiair, tot ongegrond verklaring van het beroep en meer subsidiair tot vermindering van de legesnota tot € 8.191,42.

3.6

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vergoeding door de heffingsambtenaar van de door hem gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Artikel 3.1, vierde lid, van de Wro luidt:

“Indien niet voor het verstrijken van de termijn van tien jaar, genoemd in het tweede of het derde lid, de raad onderscheidenlijk opnieuw een bestemmingplan heeft vastgesteld dan wel een verlengingsbesluit heeft genomen, vervalt de bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan.”

4.2

Op grond van artikel 2 van de Legesverordening 2013 van de gemeente Zevenaar worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven voor – onder meer – door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. In de Tarieventabel, behorende bij de Legesverordening 2013 is – onder meer – het volgende opgenomen:

Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning

2.3

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd.”

4.3

Het belastbare feit in dezen is het in behandeling nemen van een aanvraag. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag is gedaan en in behandeling is genomen meer dan tien jaar nadat het bestemmingsplan is vastgesteld en dat de legessanctie als bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro in werking is getreden.

4.4

Anders dan de heffingsambtenaar verdedigt, is het Hof van oordeel dat de omstandigheid dat sprake is geweest van een conceptaanvraag voordat de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend en bij de behandeling waarvan reeds is gebleken dat het bouwvoornemen in strijd is met het bestemmingsplan, niet met zich brengt dat bij het in behandeling nemen van de aanvraag geen toetsing meer plaatsvindt aan het bestemmingsplan. Bij het behandelen van de definitieve aanvraag zal immers die toets wederom plaats moeten vinden. Dat daarbij zal worden aangesloten bij de eerdere toets ter zake van de conceptaanvraag doet daaraan niet af.

4.5

Hetzelfde heeft te gelden voor de stelling van de heffingsambtenaar dat de legessanctie niet van toepassing is omdat de omgevingsvergunning slechts kon worden afgegeven met toepassing van een buitenplanse afwijkingsmogelijkheid. Ook in dat geval moet immers, voorafgaand aan de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid, aan de hand van het vigerende bestemmingsplan worden getoetst of een omgevingsvergunning kan worden afgegeven binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Pas bij een ontkennende beantwoording van die vraag wordt aan de toepassing van een buitenplanse afwijkingsmogelijkheid toegekomen.

4.6

Gelet op de door de Rechtbank reeds aangehaalde parlementaire geschiedenis van artikel 3.1 van de Wro is het Hof, met de Rechtbank, van oordeel dat het werkwoord invorderen in de tekst van de wet naar de bedoeling van de wetgever moet worden gelezen als: vorderen. Daar komt bij dat het vaststellen van de legesnota weinig zin zou hebben omdat de verzending ervan als eerste daad van invordering moet worden gezien en derhalve op grond van artikel 3.1 van de Wro bekendmaking van het besluit niet mogelijk is. Het Hof is voorts van oordeel dat de ongewenste situatie moet worden vermeden dat niet invorderbare heffingen worden vastgesteld en gehandhaafd. Ook moet worden vermeden dat als gevolg daarvan de betaling van een niet invorderbare heffing door de betaler niet als onverschuldigd betaald kan worden teruggevorderd.

4.7

Anders dan de heffingsambtenaar verdedigt moeten alle activiteiten die uit de in behandeling genomen aanvraag voortvloeien die kunnen leiden tot het in rekening brengen van leges als samenhangend worden beschouwd in die zin dat zij onderdeel zijn van één dienst die door of namens het gemeentebestuur wordt verstrekt en die verband houdt met het bestemmingsplan. De in 4.2 geciteerde bepaling uit de Tarieventabel noopt ook tot die conclusie. Er is slechts één belastbaar feit waarvoor één tarief in rekening gebracht kan worden, dat is opgebouwd uit verschillende (samenhangende) onderdelen. De situatie, bedoeld in de laatste volzin van het geciteerde artikel doet zich in dit geval niet voor.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en

– bepaalt dat van de heffingsambtenaar op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 497.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 1 november 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema)

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op : 1 november 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.