Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8664

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
200.186.337
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:5275, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wwz

Ontbinding op verzoek van de werknemer.

Billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever?

Bewijslevering door werknemer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1291
AR 2016/3237

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.186.337

(zaaknummer rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Enschede 4441221)

beschikking van 28 oktober 2016

inzake

[verzoekster] ,
wonende te [plaatsnaam] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoekster,
hierna: [verzoekster] ,

advocaat: mr. P.L.G. Buisman,

tegen:

[verweerster]
,
gevestigd te [plaatsnaam] ,

verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster,

hierna: [verweerster] ,

advocaat: mr. A.C. Beijderwellen-Wittekoek.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van
27 november 2015 die de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift van [verzoekster] tevens vermeerdering van verzoek met de stukken van de eerste aanleg (waaronder begrepen de pleitnotities van de advocaten van beide partijen) en de nieuwe producties VII 30 tot en met VII 35 in hoger beroep, ingekomen bij de griffie van het hof op 24 februari 2016;
- het verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende incidenteel hoger beroep van [verweerster] met de producties 1 tot en met 11;
- de reactie op verweerschrift in het principaal hoger beroep, tevens akte vermindering van verzoek in het principaal hoger beroep, tevens verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van [verzoekster] met de producties VII 36 tot en met VII 38;
- het faxbericht van 17/18 mei 2016 van mr. Buisman namens [verzoekster] met productie VII 39;
- de brief van 6 september 2016 van mr. Buisman namens [verzoekster] met de producties VII 40 tot en met VII 54;

- de brief van 8 september 2016 van mr. Beijderwellen-Wittekoek namens [verweerster] met de producties
12 tot en met 17;
- de op 16 september 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof uitspraak bepaald op 28 oktober 2016.

2.3

[verzoekster] verzoekt, na eerst een vermeerdering en daarna een vermindering van haar verzoek, in het principaal hoger beroep dat het hof de bestreden beschikking partieel zal vernietigen, voor zover [verweerster] werd veroordeeld om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 5.000,-, en, opnieuw beschikkende, zo nodig onder verbetering of aanvulling van de gronden:
1. [verweerster] zal veroordelen aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van
€ 77.717,- bruto, althans een bedrag (hoger dan € 5.000,- bruto) dat het hof redelijk en billijk zal vinden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van de algehele voldoening;
2. [verweerster] zal veroordelen vanwege ernstig verwijtbaar handelen op grond van artikel 6:162 lid 2 BW als billijke vergoeding (op grond van het gevolgschadecriterium, voor het toerekenbaar schade berokkenen aan [verzoekster] ), aan [verzoekster] de kosten van (juridische) bijstand door [persoon 1] ad € 20.230,- exclusief 21% BTW en van haar advocaat mr. P.L.G. Buisman ad € 20.160,- exclusief 21% BTW te betalen, althans een bedrag dat het hof redelijk en billijk zal vinden op genoemde gronden, dan wel op andere door het hof aanwezig bevonden gronden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van de algehele voldoening;
3. [verweerster] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep;
4. al het verzochte uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren.

2.4

[verweerster] verzoekt in het incidenteel hoger beroep dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen, voor wat betreft het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten zijdens [verweerster] en wat betreft de veroordeling tot betaling van een billijke vergoeding van € 5.000,- bruto en opnieuw beschikkende het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding zal afwijzen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

3 De vaststaande feiten

3.1

[verzoekster] , [geboortedatum] , is op 1 april 2010 in dienst getreden van [verweerster] als cliëntenbegeleider/mentor, aanvankelijk als oproepkracht en vanaf 1 juni 2011 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het laatstgenoten salaris bedroeg
€ 2.442, - bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

3.2

[verweerster] houdt zich bezig met de behandeling en begeleiding van kinderen en (jong)volwassenen met een licht verstandelijke beperking en bijkomende problematiek. [verzoekster] was, net als de overige zeven pedagogisch medewerkers van haar groep, mentor van één jongere van haar groep. Alle medewerkers draaiden hun diensten samen met één collega-medewerker waarbij men gezamenlijk verantwoordelijk was voor het reilen en zeilen binnen de groep.

3.3

[verzoekster] is hecht bevriend geweest met een collega, [collega 1] (hierna: [collega 1] ); ook met zijn gezin werden vriendschapsbanden onderhouden. Op 25 mei 2014 heeft [collega 1] , samen met zijn gezin en de in het kader van zijn werkzaamheden bij [verweerster] aan hem toevertrouwde minderjarige (17 jaar) vrouwelijke pupil, [verzoekster] thuis bezocht in verband met de verjaardag van [verzoekster] . [verzoekster] was op
[datum] bevallen van een kind en genoot op dat moment nog bevallingsverlof.

3.4

[verzoekster] is na afloop van haar bevallingsverlof nog (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geweest. Nadat zij medio juni 2014 in het kader van arbeidstherapie haar werkzaamheden had opgepakt heeft zij signalen ontvangen dat [collega 1] , tijdens een door [verweerster] georganiseerd zomerkamp in de Belgische Ardennen, een aantal nachten in een tent met zijn pupil had geslapen. Bij terugkomst van het kamp hebben collega’s dit gemeld bij [teamleider] (hierna: [teamleider] ), teamleider bij [verweerster] die [collega 1] hiervoor heeft berispt. [collega 1] is de mentor gebleven van de minderjarige en tevens de ambulant begeleider in het gezin van de pupil.

3.5

[verzoekster] is op 18 september 2014 hersteld verklaard. Na een vakantie is zij op 27 oktober 2014 volledig aan het werk gegaan.

3.6

Op vrijdag 21 november 2014 - [verzoekster] had toen een dag vrij - heeft de echtgenote van [collega 1] met haar kinderen een bezoek gebracht aan [verzoekster] en aan [verzoekster] meegedeeld dat haar echtgenoot op non-actief was gesteld door [verweerster] omdat hij een seksuele relatie had met de meerderjarige zus van zijn pupil. Tijdens het bezoek van de echtgenote van [collega 1] aan [verzoekster] ontving de echtgenote een WhatsApp van haar echtgenoot, waarin hij meedeelde dat hij ook een seksuele relatie had onderhouden met de pupil. Een en ander heeft tot heftige emoties geleid, in verband waarmee [verzoekster] gedurende het weekend de zorg voor de dochter van [collega 1] op zich heeft genomen.

3.7

[verzoekster] heeft zich naar aanleiding van hetgeen er op 21 november 2014 boven water was gekomen ziek gemeld bij [verweerster] . Zij heeft zich in december 2014 voor behandeling aangemeld bij de klinisch psycholoog/psychotherapeut [psycholoog] (hierna: [psycholoog] ).

3.8

In de avond van 21 november 2014 heeft [collega 1] contact opgenomen met [verzoekster] waarbij hij, aldus [verzoekster] , aan haar heeft meegedeeld suïcidegedachten te hebben, dat hij maandag 24 november 2014 bij [verweerster] op gesprek moest komen en voornemens was geen melding te doen van het seksueel misbruik. [verzoekster] heeft [collega 1] vervolgens aangespoord om openheid van zaken te geven en heeft hem hiertoe op

24 november 2014 begeleid naar [verweerster] . [verzoekster] heeft aangegeven bij het gesprek tussen [collega 1] en [verweerster] aanwezig te willen zijn, maar [teamleider] heeft laten weten dat dit niet wenselijk was. [verzoekster] is blijven wachten op [collega 1] en heeft aan twee collega’s (een roosterplanner en een gedragswetenschapper) een uitlating gedaan in de trant van “dat zij net zo ver in de problemen zat als [collega 1] ”. Diezelfde uitlating heeft [verzoekster] ook gedaan tegen een van de regiodirecteuren van [verweerster] ( [regiodirecteur] ).

3.9

Op 25 november 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [teamleider] en [verzoekster] . Hierbij was tevens aanwezig [P&O adviseur] (hierna: [P&O adviseur] ), P&O adviseur bij [verweerster] . [P&O adviseur] heeft een verslag opgesteld waarin onder meer het volgende vermeld staat (productie 6 verzoekschrift in eerste aanleg):

“ [teamleider] (hof: [teamleider] ) geeft aan dat het fijn is dat [verzoekster] op korte termijn kon komen. Op 24 november jl. was [verzoekster] meegekomen met collega [collega 1] . In de gang heeft [verzoekster] aangegeven naar [regiodirecteur] (directeur [verweerster] ) dat ze net zo ver in de problemen zat als [collega 1] . Tevens heeft ze een gesprek met [gedragswetenschapper] (gedragswetenschapper binnen [verweerster] ) gehad.

(…)
Vrijdag (21 november 2014) stond onverwachts [persoon 2] (vrouw van [collega 1] ) en de kinderen van [persoon 2] en [collega 1] op de stoep bij [verzoekster] . Na een paar uren werd [persoon 2] kalmer. Toen begon [persoon 2] opeens te gillen en bleek dat [collega 1] de rest had opgebiecht. [dochter] (dochter van [collega 1] en [persoon 2] ) is het hele weekend bij [verzoekster] geweest.

[verzoekster] geeft aan zaterdag met [collega 1] gesproken te hebben. (…) [verzoekster] wilde er zeker van zijn dat [collega 1] vertelde wat er speelde.

(…)

[teamleider] geeft aan van collega’s meldingen gekregen te hebben dat [pupil] samen met [collega 1] op de verjaardag is geweest bij [verzoekster] . [verzoekster] bevestigt dit. Ze vraagt wat ze had kunnen doen? [collega 1] was uitgenodigd en niet [pupil] . Hij had [pupil] meegenomen. Dit was privé. [teamleider] zegt dat [verzoekster] dit had moeten melden. [teamleider] vraagt waarom [verzoekster] geen melding heeft gedaan. [verzoekster] geeft aan dat iedereen wist dat er dingen gebeurden die niet konden. Hoe kan het dat van [collega 1] geaccepteerd wordt dat hij in één tent is met [pupil] en [collega 1] op de groep mag blijven? [teamleider] benoemt dat het niet aan [verzoekster] is om hierover te oordelen. Zij dient erop te vertrouwen dat [verweerster] op een correcte manier omgaat met disfunctionerende medewerkers of met calamiteiten die zich tussen medewerker en cliënt kunnen voordoen.

[verzoekster] geeft aan dat ze zich niet vertrouwd voelt. Ze voelt zich nu op het matje geroepen, terwijl zij niet degene is die over de schreef is gegaan. Ze geeft aan nu vanuit emoties te praten. (...) [verzoekster] geeft aan met [collega 1] besproken te hebben waarom hij [pupil] meeneemt naar haar verjaardag. (...) [verzoekster] geeft aan geen jongeren nabij haar thuis te willen hebben. (…) [teamleider] heeft eerder in het team aangegeven dat de onderlinge contacten tussen de teamleden intensief en veel zijn. [teamleider] vindt het lastig dat [verzoekster] [persoon 2] spreekt en [persoon 2] bij [verzoekster] is en [verzoekster] vervolgens met [collega 1] contact opneemt. [verzoekster] zegt dat ze zich verantwoordelijk voelde voor zijn zelfmoordneigingen. Ze weet dat ze dit niet is. Haar gevoel is anders. [verzoekster] is direct met haar vader in de auto naar [plaatsnaam] (woonplaats [collega 1] ) gereden. [verzoekster] geeft aan dat haar verantwoordelijkheid bij de kinderen van [collega 1] ligt. (…) Ze heeft dit vanuit het gevoel voor de kinderen gedaan. [verzoekster] zegt dat ze het gevoel had dat ze hem als mens en vriendin van vroeger wilde beschermen.

[teamleider] geeft aan dat hij vindt dat [verzoekster] vanuit professie over de schreef is gegaan. Hij vraagt hoe ze nu verder gaan. Wat betekent de situatie van [collega 1] en zijn gezin ten aanzien van wat [verweerster] van [verzoekster] verwacht en waarvoor [verweerster] loon aan [verzoekster] betaalt? De conclusie is nu dat [verzoekster] het werk niet kan doen. De afgelopen maanden verliepen niet goed. [verzoekster] heeft medicatie gekregen om te kunnen slapen.

[verzoekster] geeft aan graag weer te willen werken. Het afgelopen weekend was heftig. Het was niet aan [verzoekster] om het te vertellen aan collega’s. Collega’s kwamen naar haar toe. Dit wilde [verzoekster] niet. De situatie [collega 1] , [persoon 2] en hun kinderen blijft. Haar verantwoordelijkheidsgevoel richting deze kinderen blijft. (…)

[teamleider] geeft aan dat de keuzes die [verzoekster] privé maakt hem niet uitmaken. Wanneer deze effect hebben op het werk van [verzoekster] maakt dit [teamleider] wel uit. Dan moet [teamleider] daar wat mee vanuit zijn verantwoordelijkheid als clustermanager. (...) [teamleider] spreekt zijn zorg uit inzake de betrokkenheid van [verzoekster] . Waarheidsbeleving is niet aan [teamleider] . Alleen de politie mag aan waarheidsbeving doen. Vanuit zijn rol van leidinggevende begrijpt [teamleider] de positie die [verzoekster] inneemt niet. [verzoekster] heeft aangegeven bij het gesprek met [collega 1] op 24 november 2014 te willen zijn en regelt vervoer voor [collega 1] .
[verzoekster] geeft aan deze week bij te willen slapen en werkt weer 2 december 2014. [verzoekster] wil graag tijd om dingen op een rijtje te zetten.
[teamleider] geeft aan dat hij niets zegt over het functioneren van [verzoekster] . Zijn zorg zit in hoe [verzoekster] zich verhoudt tot het gezin [collega 1] . Dit raakt direct haar werk.

[verzoekster] geeft aan dat haar relatie onder druk staat. Daarnaast komt ze straks bij [collega 2] (collega) in het team. Hij staat ook met jongeren onder douche. [verzoekster] zegt dat ze praat vanuit emoties. Ze kan door de bomen het bos niet zien.

[teamleider] geeft aan dat [verzoekster] er eigenlijk niets van te vinden heeft dat ze met een bepaalde collega in een team gaat werken. Van haar wordt verwacht dat ze hier objectief professioneel mee omgaat. De directeur heeft eindverantwoordelijkheid om op disfunctioneren consequenties te zetten. Deze consequenties dienen altijd te passen binnen wettelijke kaders waaraan [verweerster] moet voldoen en dienen raakvlakken te hebben met de procedures van [verweerster] aangaande b.v. omgangsvormen, gedragscode en bejegening. [teamleider] hoort bij [verzoekster] twijfels of [verweerster] wel op een goede manier met disfunctionerende medewerkers omgaat. [teamleider] vult aan dat hij het niet over [collega 2] gaat hebben. Dit zou niet correct zijn. Van [verzoekster] wordt verwacht dat zij vertrouwen heeft in haar werkgever.

[teamleider] vraagt wat maakt dat [verzoekster] niet het vertrouwen had om de betrokkenheid van [collega 1] bij [pupil] te bespreken met bijvoorbeeld [teamleider] .

[verzoekster] zegt dat zij niet over de schreef is gegaan. Zij heeft altijd goed gefunctioneerd. [P&O adviseur] geeft aan dat dit niet de discussie is. [verzoekster] heeft vanuit haar professie verantwoordelijkheden om situatie te melden of te bespreken.

[verzoekster] geeft aan dat [P&O adviseur] op moet houden, omdat ze [P&O adviseur] toch niet hoort.

[teamleider] geeft aan niet de erkenning te kunnen geven die [verzoekster] vraagt. [verzoekster] heeft aangegeven weer aan het werk te willen. [teamleider] vraagt aan [verzoekster] hoe ze dit gaat doen. [verzoekster] zegt eerst het advies van de huisarts op te volgen en tot rust te willen komen. Ze heeft medicatie dat ze kan inslapen. Daarnaast zegt [verzoekster] in gesprek te moeten gaan in verband wat er de afgelopen maanden is gebeurd.

[teamleider] vraagt wat er is gebeurd. [verzoekster] geeft aan een vriendschap kwijt geraakt te zijn. Toen vrijdag alles aan het licht kwam, zei [verzoekster] dat ze wist dat er wat was. Iedereen op het terrein zei dat ze dit wisten. Dit is besproken met [collega 1] en werd door hem ontkend. Haar gevoelens gingen niet weg. [verzoekster] heeft geprobeerd dit zelf op te lossen, maar dat is niet gelukt. Ze is niet verder gegaan. [verzoekster] kan zich in ieder geval wel recht aankijken in de spiegel. [verzoekster] zegt dat ze daar trots op is. Er zijn genoeg signalen geweest dat er wat speelde.

[teamleider] vat het gesprek samen. [verzoekster] heeft duidelijk haar mening gegeven en verteld wat gespeeld heeft de afgelopen weken en hoe ze hiermee is omgegaan. [teamleider] hoort [verzoekster] dingen zeggen die anders door hem worden verteld. [verzoekster] geeft aan vanuit emotie te reageren.
Afgesproken wordt dat einde deze week - uiterlijk maandag 1 december 2014 - [teamleider] contact opneemt met [verzoekster] .”

3.10

In een brief van 8 december 2014 van de bedrijfsarts [bedrijfsarts] aan [verweerster] , met kopie aan [verzoekster] (productie 24 verzoekschrift in eerste aanleg) is onder andere het volgende vermeld:
Datum laatste ziekmelding (exclusief keten): 21-11-2014
(…)
Op 8 december 2014 heeft [verzoekster] mijn spreekuur bezocht.
Op basis van mijn bevindingen acht ik [verzoekster] volledig arbeidsgeschikt per 1 januari 2015.

De beperkingen van uw medewerkster liggen op het gebied van spanningsklachten, slaapstoornissen, verminderde emotionele stabiliteit, verminderde stemming en verminderde concentratie en aandacht.

Betrokkene start per 9-12-2014 met ondersteunende gesprekken.

Mij advies is om zich te richten op herstel en te ontspannen en te bewegen.

Ik adviseer om per 1-1-2015 het werk volledig te hervatten.

Hiermee beëindig ik de verzuimbegeleiding.”

3.11

[verzoekster] heeft het onder 3.9 vermelde gespreksverslag niet getekend omdat zij zich met de inhoud niet kon verenigen. In een brief van 9 december 2014 aan [teamleider] heeft zij haar op- en aanmerkingen kenbaar gemaakt aan [verweerster] . In deze brief is onder andere het volgende vermeld (productie 7 verzoekschrift in eerste aanleg):
Mijn algemene overwegingen – zowel procedureel als inhoudelijk – zijn de volgende:
1. Ik mis in de kop van het verslag wat de reden is van het gesprek en welke status het gesprek heeft. Dit maakt onduidelijk wat de exacte bedoeling is van het gesprek en kan willekeurig worden bepaalt wat er met de inhoud van het gesprek gebeurt.
(…)
3. Er is geen duidelijke reden en/of argumentatie gegeven waarom ik een gesprek met zowel u als [P&O adviseur] moet hebben inzake de gebeurtenissen rondom [collega 1] . Er wordt in het verslag melding gemaakt van mijn opmerking (citaat): “ In de gang bij [verweerster] heeft [verzoekster] aangegeven naar [regiodirecteur] (directeur [verweerster] ) dat ze net zo ver in de problemen zat als [collega 1] .” (Einde citaat.) maar niet duidelijk is of dit de aanleiding is voor het gesprek.

Ook is niet duidelijk wat de doelstelling van het gesprek (en wellicht nog verdere gesprekken) is. Er worden enkele keren suggestieve opmerkingen gemaakt in de trant van “hoe zie jij je functioneren binnen [verweerster] ”, echter er wordt niet duidelijk of de context van het gesprek bedoelt is om mij te beoordelen op mijn handelen, te ontslaan, een andere functie te geven of mij elders in dezelfde functie te plaatsen?

Daarbij is ook niet helder wat de status van het gesprek is. Dient het als een officieel gesprek te worden aangemerkt of is het een informeel gesprek ten einde mij te ondersteunen als werknemer in een moeilijke situatie?

4. (…)
Graag zou ik daarom concreet van u weten of, en wanneer er aangifte van seksueel misbruik is gedaan bij het Openbaar Ministerie tegen [collega 1] . Daarbij zou ik graag weten of dit gaat over het moment waarop [collega 1] in een tent heeft geslapen met [pupil] of het moment dat [collega 1] heeft bekend dat hij seks met [pupil] heeft gehad?

Het is namelijk zo dat als er door [verweerster] geen aangifte is gedaan, ik persoonlijk verplicht ben (omdat deze situatie feitelijk gaat over verkrachting van een minderjarige geïndiceerde cliënt door haar begeleider) dit alsnog te gaan doen op grond van art 160 lid 1 wetboek van Strafvordering. Ik ben heb dus niet alleen het recht om feitelijk te weten wat [verweerster] heeft gedaan, ik heb zelfs de plicht te achterhalen of mijn werkgever ( [verweerster] ) datgene heeft gedaan wat van haar verwacht mag worden. Daarbij is er de verzwarende omstandigheid dat [pupil] in een afhankelijkheidspositie van de heer [collega 1] en [verweerster] verkeerd. Daarbij heeft de situatie rondom de gedragingen van de heer [collega 1] zich over langere periode uitgestrekt en zijn er kennelijk meerdere signalen geweest rondom hetgeen zich heeft afgespeeld.”

3.12

In een daarop volgende brief van 16 december 2014 van [teamleider] namens [verweerster] aan [verzoekster] (productie 8 verzoekschrift in eerste aanleg) laat [verweerster] zich er niet over uit of zij aangifte tegen [collega 1] heeft gedaan. [teamleider] schrijft verder het volgende:
“Ten aanzien van jouw “algemene overwegingen” merk ik op dat mijns inziens uit het gespreksverslag zelf voldoende duidelijk blijkt wat de reden is voor het gesprek, namelijk om naar aanleiding van jouw opmerking tegen [regiodirecteur] , dat jij net zover in de problemen zit als [collega 1] , daarover geïnformeerd te worden. [verweerster] is van oordeel dat zij als goed werkgever gehouden is om, indien een medewerker een dergelijk signaal afgeeft, daarover met de medewerker (jij dus, in dit geval) het gesprek aan te gaan.

(…)
Tenslotte nog dit: in je brief geef je weliswaar aan dat je je werkzaamheden weer wilt oppakken zodra je daar geestelijk weer aan toe bent, ik krijg echter uit de inhoud en toonzetting van de brief een andere indruk, namelijk dat je niet langer het onvoorwaardelijke vertrouwen hebt in de organisatie van [verweerster] . Dat zou ik betreuren en bovendien kan de arbeidsrelatie tussen jou en [verweerster] alleen maar vruchtbaar worden voortgezet, indien er over en weer een structureel vertrouwen bestaat in ons wederzijds functioneren. In verband met het feit dat je per

1 januari 2015 volledig arbeidsgeschikt bent verklaard, stel ik voor om op korte termijn met jou een vervolggesprek te hebben, waarbij (mede) het vorenstaande aan de orde zal komen.”

3.13

In een brief van 12 januari 2015 van de bedrijfsarts [bedrijfsarts] aan [verweerster] , met kopie aan [verzoekster] (productie 24 verzoekschrift in eerste aanleg) is onder andere het volgende vermeld:
“Op 12 januari 2015 heeft [verzoekster] mijn spreekuur bezocht.
Op basis van mijn bevindingen acht ik [verzoekster] niet in staat haar eigen functie of andere, aangepaste, werkzaamheden uit te voeren.
De beperkingen van uw medewerkster liggen op het gebied van spanningsklachten, slaapstoornissen, angstklachten, verminderde stemming en verminderde emotionele stabiliteit. Betrokkene heeft adequate hulp ingeschakeld bij een psycholoog en ik adviseer om dit te continueren. Medische informatie zal worden opgevraagd.

Er is bij betrokkene sprake van ziekte en er is sprake van een probleem met de werkgever. Mijn advies is om de problematiek met de werkgever verder te bespreken.
Ik adviseer een vervolgafspraak over vier weken, mits de medische informatie binnen is.”

3.14

In de probleemanalyse van 19 januari 2015 van de bedrijfsarts [bedrijfsarts] (productie 7 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:
1.1. Eerste arbeidsongeschiktheidsdag
Datum: 21 november 2014
(…)
2.1 conclusie
Verwachte verzuimduur: 3-4 maanden
(…)
Omschrijving beperking: beperkingen als gevolg van spanningsklachten, slaapstoornissen, angstklachten, verminderde stemming en verminderde emotionele stabiliteit.
Prognose: Goed”

3.15

Op 2 februari 2015 om 6.34 uur is op de site van [nieuwszender] een bericht verschenen (productie 17 verzoekschrift in eerste aanleg) met als kop “Medewerker van zorginstelling [verweerster] in [plaatsnaam] verdacht van ontucht”.

Eveneens op 2 februari 2015 is op deze site om 16:02 uur een artikel verschenen (productie 17 verzoekschrift in eerste aanleg) met als kop “Zorginstelling [verweerster] in [plaatsnaam] betreurt ontuchtaffaire met minderjarige cliënte”, waarin onder andere het volgende is vermeld: “Volgens [persoon 3] van de Raad van Bestuur van de zorginstelling in [plaatsnaam] is sprake van een uiterst vervelende situatie, maar zij wil verder niet ingaan op details.”
Tenslotte is op 2 februari 2015 om 17:47 uur op de site van [nieuwszender] een bericht verschenen (productie 17 verzoekschrift in eerste aanleg [verzoekster] ) met als kop “Nog een schorsing in ontuchtzaak [verweerster] [plaatsnaam] ”, waarin onder andere het volgende is vermeld:

Tweede medewerker was op de hoogte .

Volgens bronnen rond het onderzoek is een tweede medewerker van [verweerster] geschorst, omdat zij wist van de praktijken van de begeleider van de jonge vrouw.”
Bij dit laatste bericht staat een geluidsfragment, deels geciteerd op bladzijde 6 van het verzoekschrift in eerste aanleg, waarin [verslaggever] (hierna: [verslaggever] ), redacteur/verslaggever bij [nieuwszender] , het volgende aangeeft:

“Uit de nieuwe informatie die ik gekregen heb wordt er gesuggereerd dat er behalve die mentor, dus die 50 jarige man die al ontslagen of geschorst is, dat er nog een mentor aan de kant is gezet, namelijk een vrouw van ongeveer 27 jaar, is mij verteld. En waarom, omdat die namelijk weet had van de praktijken van die 50 jarige mentor maar eigenlijk niets gedaan heeft. Ik heb dat ook weer voorgelegd aan [verweerster] maar je raadt het al. Ik kreeg dus een reactie terug van in het kader van de privacy doen we verder geen mededelingen.”
Naar aanleiding van deze berichten zijn geruchten rondgegaan dat [verzoekster] die medewerker is omdat zij [collega 1] heeft begeleid op 24 november 2015 en nadien niet meer op het werk is verschenen.

3.16

In een e-mail van 2 februari 2015 om 10.56 uur (productie 8 verweerschrift in hoger beroep [verweerster] ) van [verslaggever] aan [communicatieadviseur] (hierna: [communicatieadviseur] ), werkzaam als communicatieadviseur bij [verweerster] , is onder andere het volgende vermeld:
“Onderwerp: verzoek statement directie [verweerster] nav aangifte ontucht

(…)
Graag zou ik zsm de schriftelijke verklaringen ontvangen n.a.v. aangifte ontucht leidinggevende/medewerker [verweerster] .
Bij deze ook een verzoek voor een korte toelichting op camera van de directie…
De inhoud van die reactie kan de schriftelijke verklaring zijn”

3.17

In een zogenaamde replied e-mail van 2 februari 2015 om 15.22 uur van [communicatieadviseur] aan [verslaggever] (productie 8 verweerschrift in hoger beroep [verweerster] )is onder andere het volgende vermeld:
“N.a.v. de vragen die net telefonisch gesteld zijn de volgende reactie:
In het kader van privacy medewerkers geeft [verweerster] geen commentaar op de door u gestelde vraag.”
3.18 In een daarop volgende (replied) e-mail van 2 februari 2015 om 15.41 uur (productie 8 verweerschrift in hoger beroep [verweerster] ) van [verslaggever] aan [communicatieadviseur] is onder andere het volgende vermeld:
“Uit onderstaand antwoord maak ik op dat de door mij aangedragen nieuwe informatie NIET wordt ontkend.
Derhalve gaan wij tot publicatie over..

2e schorsing”

3.19

[communicatieadviseur] heeft in een (replied) e-mail van 2 februari 2015 om 16.05 (productie 3 verweerschrift in eerste aanleg/productie 8 verweerschrift in hoger beroep [verweerster] ) aan [verslaggever] onder andere het volgende geschreven:
“Ik wil toch nog even een reactie geven:
In het kader van dit onderzoek zijn er geen andere medewerkers op non-actief gesteld.

Wij kunnen de informatie dan ook niet bevestigen.”

3.20

In een e-mail van 6 februari 2015 van [verzoekster] aan [teamleider] (productie 14 verzoekschrift in eerste aanleg) is onder andere het volgende vermeld:
“Deze week heeft de berichtgeving in de media, mijn herstel behoorlijk belemmerd en zelfs voor enige achteruitgang gezorgd. Op [nieuwszender] wordt bericht (citaat): “Nog een schorsing in ontuchtszaak [verweerster] [plaatsnaam] ” (Einde citaat.)

(…)

Op dit bericht wordt ik door vele mensen in mijn omgeving aangekeken dan wel veroordeeld, immers “waar rook is, is vuur”.
Het niet ontkennen van de aantijgingen die met deze berichtgeving afgelopen maandag aan mijn adres zijn gedaan op [nieuwszender] – waarin werd omschreven dat (citaat): “Volgens bronnen rond het onderzoek is een tweede medewerker van [verweerster] geschorst, omdat zij wist van de praktijken van de begeleider van de jonge vrouw.” (Einde citaat.) waarbij ook werd gemeld dat ik op non-actief ben gesteld – heeft bij mij (mijn familie, ouders) en mijn sociale omgeving veel pijn en stress veroorzaakt.

Daar waar de bestuursvoorzitter in het gesprek stelt dat zij “in het kader van het onderzoek geen mededelingen mag doen”, mag ik van haar een objectieve en feitelijke opmerking verwachten, namelijk dat er naast de ontslagen medewerker niemand op non-actief is gesteld! Nu ben ik door de media - in mijn directe kring - al gestigmatiseerd zonder dat daar enige rechtmatige argumentatie door u als werkgever voor aangedragen kan worden.”
3.21 In een e-mail van 9 februari 2015 van [teamleider] aan [verzoekster] (productie 15 verzoekschrift in eerste aanleg) is onder andere het volgende vermeld:
“Subject: reactie mail d.d. 6 februari j.l.
(…)
Van de inhoud van je mail heb ik kennis genomen. Ik kan me voorstellen dat de berichtgeving afgelopen week in de media een grote impact heeft op jou en je privéleven.
Ook namens de directeur van [bedrijf] wil ik je laten weten dat we het zeer betreuren dat [nieuwszender] op haar site berichtgeving over een schorsing naar buiten heeft gebracht. [verweerster] heeft [nieuwszender] schriftelijk per mail en telefonisch op de onjuistheden gewezen.”
3.22 In een Plan van Aanpak van [verweerster] van 10 februari 2015 (productie 8 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:
“De probleemanalyse is opgesteld door de bedrijfsarts en door [verzoekster] ontvangen. In de probleemanalyse is de verwachte verzuimduur opgenomen van drie tot vier maanden na de eerste ziektedag van 21-11-2014. Dit zou uiterlijk eind maart 2015 zijn. [verzoekster] heeft een andere mening dan de bedrijfsarts en heeft op 28 januari 2015 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Het is niet bekend wanneer het deskundigenoordeel van het UWV ontvangen zal worden. Het UWV wint informatie in bij de bedrijfsarts en neemt deze week telefonisch contact op met [verzoekster] .
Het einddoel van de re-integratie is volledige hervatting in de eigen functie. Wanner actieve re-integratie mogelijk is zullen concrete afspraken gemaakt worden over de wijze waarop met tijdspad. [verzoekster] geeft aan nu niet in staat te zijn werkzaamheden te verrichten. Ze zit in het voortraject voor EMDR. Middels gespreksvoering en EMDR vindt de behandeling plaats. Ze is aangemeld voor een lang traject, de verwachte duur is niet verteld aan [verzoekster] . Na berichtgeving in de media heeft [verzoekster] slaapmedicatie gekregen via haar huisarts.
[teamleider] vindt dat - vanuit goed werkgeverschap en de verantwoordelijkheid van [verweerster] in deze – de berichtgeving in de media met [verzoekster] besproken zou moeten worden. Hij kan zich voorstellen dat dit grote impact heeft op [verzoekster] . [verzoekster] heeft duidelijk aangegeven dit niet te willen en zich tijdens dit gesprek te willen richten op het opstellen van het plan van aanpak en geen andere onderwerpen te kunnen bespreken.

[verzoekster] heeft eerder aangegeven dat wat haar betreft geen sprake is van een arbeidsconflict. [teamleider] geeft aan dat dit vanuit [verweerster] hier ook geen sprake van is. In november 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden met [verzoekster] . Door ziekte van [verzoekster] heeft nog geen vervolg op dit gesprek kunnen plaatsvinden. Dit vervolg zal plaatsvinden wanneer [verzoekster] hiertoe in staat is. [teamleider] vraagt of [verzoekster] aan haar psycholoog wil vragen of een termijn aan te geven is wanneer [verzoekster] hier mogelijk wel toe in staat is en wanneer dit gesprek mogelijk is, de termijn wordt aangegeven.

(…)

[teamleider] vraagt wat [verzoekster] in een de tussenliggende periode wil. [verzoekster] geeft aan rust te willen hebben. Contact kan via mail verlopen. Als er zaken zijn waarover [teamleider] [verzoekster] wil informeren kan dit via mail. Dit geldt ook voor zaken waarover [verzoekster] [teamleider] wil informeren.
[persoon 1] geeft aan dat schriftelijk antwoord geven op de vragen die [verzoekster] via meerdere mails gesteld heeft ook zal bijdragen aan haar herstel.

(…)
[verweerster] heeft hierover een andere mening. De vragen die [verzoekster] stelt kunnen besproken worden in een gesprek. (…) Mailwisselingen hebben tot nu toe niet constructief bijgedragen. [verweerster] kiest voor een andere manier van communiceren. Mail/schriftelijk is informeren en niet communiceren met elkaar.”
3.23 In een brief van 11 februari 2015 van de bedrijfsarts [bedrijfsarts 2] (hierna: [bedrijfsarts 2] ) aan [verweerster] (productie 9 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter), met kopie aan [verzoekster] , is onder andere het volgende vermeld:
“Op 11 februari 2015 heeft [verzoekster] mijn spreekuur bezocht.
Met uw medewerkster heb ik uitgebreid gesproken over haar toestand, haar klachten en haar functionele beperkingen als ook over de terugkoppeling van [bedrijfsarts] van het spreekuur van 12 januari en over de aanvraag van een deskundigen oordeel.

Aangaande de belastbaarheid en inzetbaarheid van [verzoekster] : er is sprake van een medische aandoening waardoor er sprake is van wezenlijke beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Uw medewerkster wordt hiervoor mijns inziens adequaat behandeld en er is wel sprake van enige verbetering in haar klachtenpatroon maar haar belastbaarheid is momenteel nog te gering om een vorm van werkhervatting voor te stellen in (een deel van) eigen werk of in andere, tijdelijk aangepaste werkzaamheden.

Op dit moment acht ik uw medewerkster nog niet in staat tot een constructief gesprek met werkgever door een verminderde concentratie en een snelle mentale uitputting, nog onvoldoende emotionele stabiliteit en een gering vermogen om te gaan met weerstanden en conflicten.

[verzoekster] heb ik enkel specifieke opdrachten meegegeven om de komende tijd uit te werken; een van de opdrachten is bedoeld als voorbereiding op een gesprek met werkgever dat naar mijn overtuiging noodzakelijk is om tot een succesvolle re-integratie te komen. Daarnaast heb ik [verzoekster] een advies gegeven en een voorstel gedaan om de verschillen van mening over de inhoud van terugkoppeling van 12 januari zo goed mogelijk onder woorden te brengen om dit met [bedrijfsarts] te kunnen bespreken, al dan niet in mijn aanwezigheid.
Onder andere vanwege de uitgezette opdrachten en vanwege het feit dat er van de kant van [verzoekster] op dit moment sprake is van enige terughoudendheid ten aanzien van [bedrijfsarts] zou ik bij voorkeur zelf een vervolggesprek met mevrouw [verzoekster] gepland zien over ongeveer twee weken om de voortgang van het herstel en de uitwerking van de opdrachten te bespreken. Dit ter bepaling aan werkgever.”

3.24

In een e-mail 23 februari 2015 van [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), mede belangenbehartiger van [verzoekster] , aan [verslaggever] (productie 18 verzoekschrift in eerste aanleg) is onder andere het volgende vermeld:
Op 2 februari 2015 heeft u een artikel geplaatst op [nieuwszender] (…) waarin onjuistheden staan. Hierover is door een medewerker van [verweerster] – naar mij toe – aangegeven dat zij [nieuwszender] te kennen hebben gegeven dat dit artikel onjuist is en dat er niemand op non-actief is gesteld.

Dit is dan ook de reden dat ik mij tot u wend met de vraag of de bewering die door deze medewerker van [verweerster] is gedaan, juist is? Is u – of [nieuwszender] – door iemand van [verweerster] , te kennen gegeven dat de inhoud van uw stuk onjuist is?”
3.25 In een e-mail van 23 februari 2015 van [verslaggever] aan [persoon 1] (productie 18 verzoekschrift in eerste aanleg) heeft [verslaggever] als volgt geantwoord:
“N.a.v. onze publicatie omtrent [verweerster] is mij niets bekend dat iemand van [verweerster] contact met [nieuwszender] heeft gehad en kenbaar heeft gemaakt dat geen sprake is van een 2e persoon die op non-actief is gesteld.”

3.26

In een brief van 24 februari 2015 van [verweerster] aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (productie 6a verweerschrift in hoger beroep van [verweerster] ) is onder andere het volgende vermeld:
“In uw brief van 12 februari jl., (…) verzoekt u ons u nader te informeren over een door u ontvangen signaal over [medewerker] van [verweerster] , die mogelijk betrokken is (geweest) bij seksueel misbruik (…) in de zomer van 2014 (…)”

3.27

In een brief van 26 februari 2015 van [bedrijfsarts 2] aan [verweerster] , met kopie aan [verzoekster] (productie 24 van [verzoekster] in eerste aanleg),is onder andere het volgende vermeld:
“Op 26 februari 2015 heeft [verzoekster] mijn spreekuur bezocht.
Er is op in de afgelopen weken geen verbetering opgetreden in de toestand van uw medewerkster. Uw medewerkster heeft naar vermogen gewerkt aan de opdrachten die ik haar bij het vorige spreekuur heb meegegeven. De opdracht om zich stapsgewijs voor te bereiden op een gesprek met werkgever bleek echter nog te belastend voor uw medewerkster; hieraan heeft zij nog niet goed invulling kunnen geven.
Ik heb een nieuwe afspraak gepland op 13 maart in [plaatsnaam] . Met uw medewerkster heb ik besproken hoe zij de komende twee weken het beste kan toewerken naar een gesprek met werkgever. Tot het volgende spreekuurcontact verwacht ik nog geen reële mogelijkheden voor enige vorm van werkhervatting in eigen of in ander, aangepast werk.

[verzoekster] heb ik geen advies gegeven om de komende weken contact op te nemen met werkgever (wat normaal gesproken wel te doen gebruikelijk is). Hoewel er geen strikte bezwaren zijn tegen contact tussen werkgever en werkneemster wil ik werkgever in overweging geven dat contact op dit moment nog als zeer belastend voor werkneemster moet worden gezien; wel ontraad ik met klem om een gesprek over de verschillen van inzicht en opvattingen tussen werkgever en werknemer (mbt de gebeurtenissen van de afgelopen maanden) in de komende weken te plannen; hierover zal ik na het volgende spreekuur nader adviseren).”

3.28

In een brief van 11 maart 2015 van [psycholoog] aan de bedrijfsarts [bedrijfsarts] (productie 20 verzoekschrift in eerste aanleg) is onder andere het volgende vermeld:
“In december 2014 heeft [verzoekster] (…) zich aangemeld in onze praktijk voor behandeling, na doorverwijzing door de huisarts op basis van vermoeden van PTSS. Zij gaf toestemming om inlichtingen te geven en dit verslag is met haar doorgenomen.

Cliënt meldde zich aan met klachten betreffende slaapstoornissen, spanning en angst, concentratieverlies, nachtmerries en emotionaliteit. Deze klachten zijn ontstaan nadat een collega waarmee cliënte nauw bevriend was het contact heeft verbroken en bekend werd dat deze collega een seksuele relatie onderhield met een pupil en haar zus. Deze collega heeft zich bedreigend geuit richting cliënte.
(…)

Vooralsnog zijn alle confrontaties met de collega (en alles wat hier aan gelinkt is, zoals werk) spanningsvol en een CS (geconditioneerde stimulus) voor angstklachten.”

3.29

In een brief van 13 maart 2015 van [bedrijfsarts 2] aan [verweerster] , met kopie aan [verzoekster] (productie 10 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:
“Op 13 maart 2015 heeft [verzoekster] mijn spreekuur bezocht.

(…)
Hoewel uw medewerkster aangeeft erg betrokken te zijn bij haar eigen werk ervaart zij een zeer hoge drempel naar werkgever; er is van de kant van werkneemster twijfel ontstaan of men haar wel terug wil in de organisatie. Dit werkt op zich belemmerend op het herstel en ik heb met uw medewerkster het belang besproken om met werkgever in gesprek te gaan om tot dit op te lossen.
Omdat [verzoekster] emotioneel nog stel uit balans is en dit onderwerp nog als erg beladen ervaart adviseer ik werkgever en werknemer om gebruik te maken van een externe, gekwalificeerde mediator om deze gesprekken te begeleiden en om zorg te dragen voor een goede vastlegging van hetgeen besproken en afgesproken is.
(…)
Er is een nieuwe spreekuurafspraak gepland op 8 april om de voortgang van het herstel en de noodzakelijke gesprekken tussen werkgever en werkneemster te komen.”

3.30

In een evaluatie Plan van Aanpak van 24 maart 2015 (productie 11 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:
“ [teamleider] vraagt hoe de behandeling verloopt bij [verzoekster] . (…) [verzoekster] geeft aan op zeker vlak wel stappen gezet te hebben. (…) [verzoekster] geeft aan gevaar te lopen richting [collega 1] . Hij is bedreigend geweest richting [verzoekster] . [verzoekster] is [collega 1] tegen gekomen op de parkeerplaats bij haar behandelaar. Er zijn nu afspraken gemaakt dat dit niet meer kan gebeuren.

(…)
[persoon 1] (hof: [persoon 1] ) geeft aan in de terugkoppeling van de bedrijfsarts zaken te missen. De bedrijfsarts heeft informatie van de psycholoog opgevraagd en ontvangen. [persoon 1] vindt dat er tekort door de bocht wordt gegaan door de bedrijfsarts. (…) [persoon 1] is van mening dat de bedrijfsarts de informatie van de psycholoog niet meeneemt. De psycholoog geeft feitelijk aan dat [verzoekster] rust nodig heeft alvorens ze in staat is om gesprekken aan te gaan.
(…)
[persoon 1] geeft aan dat in het plan van aanpak feitelijke onjuistheden en conclusies staan. Hier komen [verzoekster] en [persoon 1] volgende week schriftelijk nog op terug.
(…)
[persoon 1] geeft aan dat de opdrachten van de bedrijfsarts belastend hebben gewerkt voor [verzoekster] en de feitelijke behandeling van de psycholoog in de weg staan. Mediation is te vroeg volgens [persoon 1] . Dit staat haaks op het advies van de psycholoog.
[teamleider] geeft aan dat het advies van de bedrijfsarts leidend is voor [verweerster] . Dit zal met de bedrijfsarts worden besproken. Als het advies ongewijzigd blijft, is deze leidend en kan [verzoekster] een deskundigenoordeel aanvragen.
[bedrijfsarts 2] is de bedrijfsarts die [verzoekster] begeleidt.”

3.31

In een brief van 8 april 2015 van [bedrijfsarts 2] aan [verweerster] , met kopie aan [verzoekster] (productie 12 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:
“Op 8 april 2015 heeft [verzoekster] mijn spreekuur bezocht.
In de afgelopen weken was er sprake van een sterk wisselend verloop van de klachten van [verzoekster] ; deze wisselingen werden voornamelijk bepaald door bijkomende, externe, belastende factoren. Hoewel uw medewerkster emotioneel nog erg instabiel is en beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren werkhervatting nu nog niet goed mogelijk maken verwacht ik dat binnen afzienbare tijd wel weer een vorm van werkhervatting mogelijk zal worden, te beginnen in aangepaste, ondersteunende werkzaamheden en werkomstandigheden (zonder cliëntcontacten).

Om de weg te effenen voor een (voor werknemer en werkgever) vertrouwenwekkende re-integratie adviseer ik

- net als op 13 maart - om met een gesprek met behulp van een externe mediator de nog aanwezige hobbels tussen partijen te klaren.

Op 6 mei is een volgend spreekuurcontact gepland om de voortgang te volgen.”

3.32

In een brief van 15 april 2015 van de Inspectie voor de Gezondheidszorg aan [verweerster] (productie 6b verweerschrift in hoger beroep [verweerster] ) is onder andere het volgende vermeld:
“Op 26 februari 2015 ontving de Inspectie voor de Gezondheidszorg (…) uw rapportage over een vermoeden van seksueel misbruik van een cliënt van [verweerster] door een medewerker. (…)
Zowel uit het taxatiegesprek met cliënt als uit het gesprek met de betrokken medewerker en de ouders komt niet naar voren dat er sprake is geweest van seksueel misbruik. Wel is naar aanleiding van deze situatie een berisping gegeven aan de medewerker en een traject ingezet met als aandachtspunt professionele afstand/nabijheid.”

3.33

In een Evaluatie Plan van Aanpak van 12 mei 2015 (productie 13 bij brief van

27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:
“ [verzoekster] heeft nog het plan van aanpak en evaluaties nog niet getekend. Dit zal ze zo spoedig mogelijk doen.

De informatie van mediators heeft [verzoekster] ontvangen.
(…)
Er wordt gekozen voor [mediation X] .
[persoon 1] geeft aan dat de bedrijfsarts het advies voor mediation niet mag geven. De therapeut van [verzoekster] geeft andere informatie af.

[teamleider] geeft aan dat het advies van de bedrijfsarts leidend is voor [verweerster] . De informatie van de therapeut mag de bedrijfsarts niet geven aan [verweerster] . Dit mag [verzoekster] wel zelf doen.
(…)
[verzoekster] geeft aan wel mee te willen werken, maar wel met [persoon 1] als ondersteuner voor haar. [P&O adviseur] (hof: [P&O adviseur] ) geeft aan dat ze niet weet of dit gebruikelijk is. Maar dit zal worden besproken met de mediator. [teamleider] en [P&O adviseur] zien [persoon 1] in het mediationtraject niet als een partij, enkel als ondersteuner voor [verzoekster] .”
3.34 In een brief van 20 mei 2015 van [bedrijfsarts 2] aan [verweerster] , met kopie aan [verzoekster] (productie 14 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:
“Op 20 mei 2015 heeft [verzoekster] mijn spreekuur bezocht.

Na een aanvankelijke voorzichtige verbetering ten tijde van het vorige spreekuurcontact is er sinds ongeveer 4 weken sprake van een forse terugval als gevolg van de gestarte medische behandeling. Deze terugval is een veel voorkomende verschijnsel bij de behandeling waarmee uw medewerkster is gestart en is van tijdelijke aard, maar door de verminderde mentale weerbaarheid en het verminderd vermogen om goed om te gaan met situaties met weerstanden en met conflictueuze situaties adviseer ik werkgever en werkneemster om de start van een traject met een mediator op te schorten, in ieder geval tot na het volgende spreekuurcontact (gepland op 19 juni).

Op dit moment zijn er nog geen benutbare mogelijkheden voor een vorm van werkhervatting in eigen of in andere aangepaste werkzaamheden.”

3.35

In een brief van 8 juni 2015 van de Inspectie voor de Gezondheidszorg aan [verweerster] (productie 5b verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende incidenteel appel [verweerster] ) is onder andere het volgende vermeld:
“Betreft: sluiten melding
Op 3 maart 2015 ontving de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: de inspectie) uw brief met rapportage van het onderzoek naar een vermoeden van seksueel misbruik van uw cliënte (…), door een medewerker van [verweerster] . Met excuses voor de opgetreden vertraging reageer ik hierbij op de rapportage. De onderzoekscommissie heeft een analyse gemaakt met behulp van de Bow-Tie methode en gaat daarbij in op de onderwerpen ‘signalen’, ‘kwetsbaarheid van cliënt en haar systeem en de verwijdering tussen betrokken’, ‘gedragsregels’ en ‘professionaliteit medewerkers’.

In de eindconclusie concludeert de commissie dat [verweerster] in de afzonderlijke situaties de juiste wegen heeft bewandeld en dat het kwalijk is dat de medewerker het cliëntsysteem (moeder) zo heeft beïnvloed dat zij onjuiste informatie aan de overige medewerkers heeft verstrekt waardoor signalen niet eerder in het juiste licht konden worden geplaatst.

Op basis van de analyse zijn verbetermaatregelen geformuleerd met betrekking tot het protocol seksueel misbruik, het pedagogische klimaat en het personeelsbeleid.

De rapportage is voor de inspectie voldoende duidelijk en geeft geen aanleiding tot het stellen van nadere vragen. Wel wil de inspectie door u geïnformeerd worden of de betreffende medewerker BIG-geregistreerd was, dan wel geregistreerd was als jeugdhulpverlener. Indien dit aan de orde is, verzoek ik u mij te informeren over de NAW-gegevens van de medewerker, inclusief telefoonnummer en het registratienummer BIG of jeugdhulpverlener. De inspectie zal de medewerker dan oproepen voor een gesprek. De melding wordt richting u gesloten. Als een eventueel gesprek met de medewerker nog aanleiding geeft voor nadere vragen, dan komt de inspectie hier nog bij u op terug.”

3.36

Bij vonnis van 30 juni 2015 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel is [collega 1] veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar wegens de jegens de pupil gepleegde delicten.

3.37

In een brief van 6 juli 2015 van [bedrijfsarts 2] aan [verweerster] , met kopie aan [verzoekster] (productie 15 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:

“Op 6 juli 2015 heeft [verzoekster] mijn spreekuur bezocht.
Het klachtenbeeld van [verzoekster] verloopt nog erg grillig, dit mede door het belastende karakter van het medische behandeltraject dat uw medewerkster. Er is naar mijn inschatting wel sprake van enige verbetering In de mentale belastbaarheid en weerbaarheid in vergelijking met anderhalve maand geleden doch dit is nog een fragiel herstel. Er zijn naar mijn overtuiging nu nog geen goede mogelijkheden voor een vorm van werkhervatting in eigen of in andere, aangepaste werkzaamheden.
Er is nu geen medisch bezwaar meer tegen het opstarten van een of meerdere gesprekken met een mediator, ervan uitgaande dat er bij de gesprekken met [verzoekster] wel begrip is voor een verminderde emotionele stabiliteit bij betrokkene en dat er mogelijkheden zullen zijn voor een time out in de gesprekken indien uw medewerkster aangeeft dit nodig te hebben.
Op 17 augustus is er een vervolgafspraak gepland op mijn spreekuur (…)”

3.38

In een Evaluatie Plan van Aanpak van 30 juli 2015 (productie 16 bij brief van

27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:

“ [verzoekster] geeft aan dat haar psycholoog wel vakantie heeft. Op 2 juli 2015 heeft de laatste afspraak plaatsgevonden.
Voor 17 augustus 2015 staat er een afspraak bij de bedrijfsarts gepland en voor 18 augustus bij haar psycholoog.

[verzoekster] gaat van 27 augustus tot 2 september 2015 met har gezin naar Spanje.

De mediation zal eer in gang gezet worden, [P&O adviseur] en [teamleider] hebben reeds eerder een telefonische intake gehad.
[verzoekster] geeft aan graag eerst een gesprek te hebben gehad met haar psycholoog alvorens de intake en mediation start. De uitspraak van 30 juni inzake de zaak tegen [collega 1] , heeft grote impact op haar. Ook heeft [persoon 2] weer contact met haar gezocht. Door de vakantieperiode heeft [verzoekster] geen afspraak meer gehad met haar psycholoog. [verzoekster] geeft aan tijd nodig te hebben om zaken te verwerken.
[P&O adviseur] zal [mediation X] mailen dat het traject voortgezet kan worden en dat er vanaf 19 augustus telefonisch contact kan worden opgenomen met [verzoekster] voor de intake, de 19-de.”

3.39

In een e-mail van 3 augustus 2015 van [P&O adviseur] aan [mediation X] (productie 26 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:

“De bedrijfsarts heeft aangegeven dat er nu geen medisch bezwaar meer is tegen het opstarten van een of meerdere gesprekken met een mediator, ervan uitgaande dat er bij de gesprekken met [verzoekster] wel begrip is voor haar situatie en dat er mogelijkheden zullen zijn voor een time out in de gesprekken indien [verzoekster] aangeeft dit nodig te hebben.
Het mediationtraject kan dus voortgezet worden. [verzoekster] heeft aangegeven eerst met haar psycholoog een afspraak te willen hebben gehad alvorens mediation voortgezet kan worden. Wegens vakantie zal deze niet eerder dan 18-08-2015 plaatsvinden. Het verzoek is dan ook dat vanaf 19 augustus telefonisch contact wordt opgenomen met [verzoekster] . (…)”
[teamleider] en ondergetekende hebben reeds eerder een telefonische intake gehad.”

3.40

In een brief van 17 augustus 2015 van [bedrijfsarts 2] aan [verweerster] , met kopie aan [verzoekster] (productie 17 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:

“Op 17 augustus 2015 heeft [verzoekster] mijn spreekuur bezocht.
Het voorzichtige herstel van uw medewerkster, waarvan ik de vorige terugkoppeling melding maakte zet zich voort, met nog steeds een grillig verloopt en een verhoogde psychische kwetsbaarheid.

Van uw medewerkster begrijp ik dat de mediation inmiddels is opgestart en dat [mediation X] na haar volgende afspraak met de psycholoog zal worden voortgezet (tot ergernis van uw medewerkster heeft de psycholoog gebeld om de afspraak van morgen, de eerste na zijn vakantie, te verschuiven).
Zowel van de psychologische begeleiding als ook van voortgang van de mediation verwacht ik uiteindelijk een ondersteunend effect op het herstel van [verzoekster] . Op dit moment acht ik het opstarten van de re-integratie nog te belastend voor uw medewerkster, mede door het nu nog erg grillige beloop van de klachten en beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren.”

3.41

In een schriftelijke verklaring van 18 augustus 2015 van [psycholoog] aan mr. Buisman (productie 20 inleidend verzoekschrift) is onder andere het volgende vermeld:

“In december 2014 heeft [verzoekster] (…) zich aangemeld in onze praktijk voor behandeling, na doorverwijzing door de huisarts op basis van vermoeden van PTSS. Zij gaf toestemming om inlichtingen te geven en dit verslag is met haar doorgenomen. Cliënte heeft zich tot u gewend in verband met haar arbeidsrechtelijke problematiek en in verband met een ontbindingsverzoek vraagt u mij om een medische verklaring.
Ik kan verklaren dat ik als de professionele behandelaar van cliënte kan onderschrijven dat continuering van de arbeidsrelatie haar genezing in de weg staat. Datzelfde geldt voor een traject van mediation. Ik heb een kopie van de brief die aan de arbo-arts is verstuurd, bijgevoegd.”
Bij deze verklaring is de onder 3.27 vermelde brief van 11 maart 2015 van [psycholoog] aan de bedrijfsarts [bedrijfsarts] gevoegd.

3.42

In een e-mail van 20 augustus 2015 van [mediation X] aan [verweerster] (productie 27 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:

“Ik heb bericht van de intake mediator gekregen dat [verzoekster] in overleg met haar psycholoog en advocaat heeft besloten niet mee te willen doen met het mediationtraject. Daarmee vervalt de basis voor deze mediation.”
3.43 Op 28 augustus 2015 heeft mr. Buisman namens [verzoekster] een concept verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan [verweerster] gestuurd. Mr. Buisman heeft op 17 juli 2015 een begin gemaakt met het opstellen ervan.

3.44

Bij brief van 31 augustus 2015 (productie 4 verweerschrift in eerste aanleg) heeft [verweerster] aan [verzoekster] onder meer het volgende meegedeeld:

“Op 20 augustus jl heeft [verweerster] van (…) [mediation X] het volgende email bericht ontvangen:
“Ik heb bericht van de intake mediator gekregen dat [verzoekster] in overleg met haar psycholoog en advocaat heeft besloten niet mee te willen doen met het mediationtraject. Daarmee vervalt de basis voor deze mediation’.

Deze mail is op dinsdag 25 augustus 2015 door [P&O adviseur] (adviseur PO&O) aan u doorgemaild met het verzoek voor uw vertrek naar Spanje (d.d. 27 augustus) - een reactie te geven op de vraag of de informatie in deze mail correct is. Op deze mail hebben we tot op heden geen reactie ontvangen. [verweerster] wil u hierbij aangeven dat uw re-integratie een gezamenlijke verantwoordelijkheid van u en van [verweerster] is. U dient zich daarom te allen tijde te houden aan de verplichtingen in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter en bent vanuit deze wet verplicht mee te werken aan de uitvoering van het plan van aanpak, in gesprek te zijn en contact te onderhouden met uw leidinggevende en u te houden aan de gemaakte afspraken in het kader van uw re-integratie. Op 2 februari 2015 heeft u van [verweerster] een brief ontvangen waarin u geïnformeerd bent over deze plichten.

Zoals eerder aangegeven is het advies van de bedrijfsarts voor [verweerster] leidend in de re-integratie. Indien u het niet eens bent met het advies van de bedrijfsarts, kunt u een deskundigenoordeel aanvragen. Dit is tijdens 6-wekelijkse evaluaties van het plan van aanpak op d.d. 30 maart 2015 en op 12 mei 2015 met u besproken door [teamleider] (clustermanager) en [P&O adviseur] .

De bedrijfsarts heeft op 13 maart 2015 geadviseerd een mediationtraject te starten. Op 30 maart is het advies van de bedrijfsarts met u besproken door [teamleider] en [P&O adviseur] . Er is toen aangegeven door u dat u het advies van 13 maart 2015 niet ontvangen heeft en dat u van mening bent dat de bedrijfsarts in zijn advies de informatie van de psycholoog niet meeneemt. Vervolgens is dit door [verweerster] besproken met de bedrijfsarts. Op 30 maart 2015 is door [teamleider] en [P&O adviseur] aangegeven dat als het advies ongewijzigd blijft, deze leidend is voor [verweerster] en bent u geïnformeerd over de mogelijkheid een deskundigenoordeel aan te vragen. Er heeft vervolgens op 8 april 2015 een consult plaatsgevonden en de bedrijfsarts heeft nogmaals het advies gegeven mediation te starten. Op 20 mei 2015 is door de bedrijfsarts geadviseerd het mediationtraject op te schorten, in ieder geval tot na het volgende spreekuurcontact (gepland op 19 juni 2015). Deze afspraak is verplaatst naar 6 juli 2015.

Op 6 juli 2015 adviseert de bedrijfsarts dat er nu geen medisch bezwaar meer is tegen het opstarten van een of meerdere gesprekken met een mediator, ervan uitgaande dat er bij de gesprekken met [verzoekster] wel begrip is voor een verminderde emotionele stabiliteit bij betrokkene en dat er mogelijkheden zullen zijn voor een time out in de gesprekken indien uw medewerkster aangeeft dit nodig te hebben.

Op 17 augustus 2015 geeft de bedrijfsarts in de terugkoppeling van het spreekuur aan dat hij van u begrijpt dat mediation inmiddels is opgestart en dat [mediation X] na uw volgende afspraak met de psycholoog zal worden voortgezet (tot ergernis van u heeft de psycholoog gebeld om de afspraak van morgen, de eerste na zijn vakantie, te verschuiven). U heeft op 30 juli 2015 aangegeven dat u eerst met uw psycholoog wil spreken voordat het intakegesprek plaatsvindt. Rekening houdende met het advies van de bedrijfsarts van 6 juli jl. is uw intakegesprek met [mediation X] gepland vanaf 19 augustus 2015.

Ik wil u hierbij dan ook nogmaals wijzen op de hierboven benoemde wettelijk vastgelegde re-integratieverplichtingen en uw plicht om bereid te zijn aan een mediationtraject mee te werken.
Ik verzoek u dan ook uiterlijk op maandag 7 september 2015 schriftelijk kenbaar te maken bij uw leidinggevende dat u bereid bent actief deel te nemen aan het door de bedrijfsarts geadviseerde mediatontraject. Indien u dit niet doet, voldoet u niet aan uw wettelijk vastgelegde re-integratieverplichting en beschouwt [verweerster] dit als een weigering om zonder deugdelijke grond mee te werken aan een gegeven advies van de bedrijfsarts in het kader van uw re-integratie.

Bij deze waarschuwen wij u uitdrukkelijk dat indien u niet meewerkt aan uw re-integratie en niet bereid bent deel te nemen aan het mediatontraject, [verweerster] gedurende de tijd dat u niet meewerkt aan uw re-integratie, uw loon zal stopzetten met ingang van 7 september 2015.”

3.45

In een e-mail van 7 september 2015 [verzoekster] aan [P&O adviseur] (productie 27 bij brief van 27 oktober 2015 van [verweerster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:
“het klopt inderdaad wat de contactpersoon aan jullie heeft doorgegeven.

Mijn psycholoog vind het schadelijk voor mijn herstelproces.”

3.46

[verweerster] heeft ingaande 7 september 2015 de loonbetaling aan [verzoekster] stopgezet.

3.47

In een e-mail van 29 oktober 2015 van [verslaggever] aan [persoon 1] (productie 33 bij brief van 23 oktober van [verzoekster] aan de kantonrechter) is onder andere het volgende vermeld:
“Uit m’n aantekeningen van maandag 2 februari 2015
Collega (…) van de Twentsche courant Tubantia schrijft tijdens z’n weekenddienst een artikel over de schorsing van medewerker [verweerster] .

(…)
N.a.v. daarvan vraagt eindredacteur mij of ik voor radio en tv verhaal wil maken. Ik bel en krijg van voorlichtster te horen dat [verweerster] alleen met korte schriftelijke verklaring komt. Ik leg uit dat dit niet kan voor radio en TV. Daarop gaat voorlichtster nog eens in overleg en meldt mij dat [bestuursvoorzitter] alleen een ultra korte verklaring wil afleggen.

Daarop is er een afspraak rond 13 uur in [verweerster] kantoor in [plaatsnaam] . [bestuursvoorzitter] is uiterst summier. Bevestigt onderzoek naar gang van zaken. Elke andere vraag wordt in het belang van het onderzoek niet beantwoord.

Terug op de redactie wordt audio gebruikt voor radio en quote kort TV-item. Als bericht wordt geplaatst word ik gebeld vanuit de organisatie van [verweerster] dat er nog iemand op non-actief staat.
Vervolgens pas ik daarop berichtgeving aan.
Vervolgens is er radio en TV uitzending. Er is nav hiervan geen mail van [verweerster] gekomen dan wel dat ik te horen heb gekregen dat iemand van [verweerster] mij heeft gebeld dat de berichtgeving onjuist is. De mail die ik heb gelezen uit de stukken die aan de rechtbank zijn toegezonden, heb ik nooit ontvangen en is niet te vinden op de mail server van [nieuwszender] . Overigens is het gebruikelijk dat als ik een nieuwsbericht heb gemaakt, alle communicatie daaromtrent met mij wordt gedeeld.

Bovenstaande zijn aantekeningen uit m’n agenda!”

3.48

In een e-mailbericht van 31 augustus 2016 van [verslaggever] aan [persoon 1] (productie VII 45 in hoger beroep van [verzoekster] ) is onder andere het volgende vermeld:
“- Ik heb de bijgevoegde mail (hof: de onder 3.19 geciteerde (replied) e-mail van 2 februari 2015 om 16.05 uur van [communicatieadviseur] aan [verslaggever] ) destijds niet ontvangen.
- Aanvankelijk wilde [verweerster] geen interview geven. Na de afspraak dat alleen het summiere persbericht zou worden geciteerd door [bestuursvoorzitter] , heeft er rond 13.00 uur ’s middags een kort TV-interview plaatsgehad.
- Door bestuursvoorzitter noch iemand anders is mij te verstaan gegeven dat informatie niet klopte.
- Ik weet dat ik in de middag ben gebeld (tijdstip kwijt) van binnenuit [verweerster] die meldde dat er sprake was van een 2e persoon die op non actief zou staan…

Moet wel vermelden dat de kwestie inmiddels al meer dan een jaar geleden is. Op basis van documenten, kan ik jou bovenstaande melden.”

3.49

Beide partijen ( [verweerster] op 14 september 2015 en [verzoekster] op 23 september 2015) hebben een deskundigenoordeel aan het UWV gevraagd over de re-integratie inspanningen van [verzoekster] . Het UWV heeft bij brief van 13 oktober 2015 aan [verweerster] (productie 6 verweerschrift in eerste aanleg van [verweerster] ) meegedeeld dat de arts van het UWV met de bedrijfsarts van oordeel is dat mediation een adequate manier had kunnen zijn om de problemen op te lossen en dat er geen medische redenen zijn waarom [verzoekster] mediation niet aan zou kunnen. In een brief van diezelfde datum van het UWV aan [verzoekster] heeft het UWV aan [verzoekster] meegedeeld dat van haar verwacht mag worden dat zij deelneemt aan een mediationtraject.

4
4. Het verzoek in eerste aanleg en de beoordeling daarvan

4.1

[verzoekster] heeft in eerste aanleg de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerster] op grond van artikel 7:671c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de arbeidsovereenkomst te ontbinden en aan haar primair een billijke vergoeding van € 25.000,- bruto toe te kennen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, subsidiair een billijke vergoeding van € 15.822,- bruto en een transitievergoeding van € 4.835,- bruto, althans in goede justitie te bepalen bedragen, een en ander met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.

4.2

[verweerster] heeft verweer gevoerd en afwijzing van de door [verzoekster] verzochte ontbinding bepleit. Voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen wel zou ontbinden heeft [verweerster] verzocht de verzoeken van [verzoekster] tot toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding af te wijzen.

4.3

De kantonrechter heeft bij de bestreden beschikking, na te hebben geoordeeld dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] , de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 15 december 2015 onder toekenning aan [verzoekster] van een transitievergoeding van € 4.835,- bruto en een billijke vergoeding van

€ 5.000,- bruto en voorts [verweerster] veroordeeld tot betaling van die vergoedingen, tenzij [verzoekster] uiterlijk op 10 december 2015 schriftelijk aan de griffier, met een kopie aan (de gemachtigde van) [verweerster] zou meedelen dat zij haar verzoek tot ontbinding zal intrekken. [verzoekster] heeft haar verzoek tot ontbinding niet ingetrokken. De kantonrechter heeft [verweerster] in de proceskosten veroordeeld.

5 De beoordeling in hoger beroep


In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

5.1

[verzoekster] heeft een processtuk met opschrift “Reactie op het verweerschrift in het principaal appel, tevens akte vermindering van eis in het principaal appel, tevens verweerschrift in het incidenteel appel” ingediend. Mede gelet op het bezwaar van [verweerster] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof, zal het hof geen acht slaan op dit stuk beginnend op bladzijde 2 met “Reactie [verzoekster] mbt verweer van [verweerster] in hoger beroepzaak tot en met bladzijde 17 Ook hier heeft [verzoekster] haar eis inmiddels verminderd”, aangezien deze reactie in strijd is met de zogenaamde twee-conclusie-regel. Het voorgaande heeft het hof ook kenbaar gemaakt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling.

5.2

Zoals onder 2.1 van deze beschikking is vermeld, maken de pleitnotities in eerste aanleg van [verzoekster] en [verweerster] deel uit van de processtukken in hoger beroep. Hiermee is de eerste grief in het principaal hoger beroep van [verzoekster] behandeld.
5.3 Aangezien het hof in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.49 zelf de voor de beoordeling van het geschil relevante feiten heeft vastgesteld, behoeft grief 2 in het principaal hoger beroep van [verzoekster] en behoeven de grieven I tot en met VI van [verweerster] in het incidenteel hoger beroep niet meer te worden behandeld. Ook grief 6 in het principaal hoger beroep van [verzoekster] behoeft niet meer te worden behandeld, aangezien [verzoekster] haar uit die grief voortvloeiende verzoek in (het petitum onder 2 van) haar hoger beroepschrift heeft ingetrokken.

5.4

In dit hoger beroep gaat het om de vraag of [verzoekster] op grond van artikel 7:671c lid 2 aanhef en onder b BW aanspraak kan maken op een billijke vergoeding aangezien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst - deze was aangegaan voor onbepaalde tijd - het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] .

Uit de wetgeschiedenis (Memorie van Toelichting Kamerstukken II 2013/2014 33818 nr 3, pag. 32 en 34) volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, waarbij ter verduidelijking een aantal voorbeelden is genoemd:
•als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan (bijvoorbeeld als gevolg van het niet willen ingaan op avances zijnerzijds) en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag;

•als een werkgever discrimineert, de werknemer hiertegen bezwaar maakt, er een onwerkbare situatie ontstaat en niets anders rest dan ontslag;

•als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat. Te denken is hierbij aan de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd;

•de situatie waarin de werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren en ontslag langs die weg te realiseren;

•de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden.

5.5

[verzoekster] heeft geen grief aangevoerd tegen rechtsoverweging 5.4 van de bestreden beschikking. Dit betekent dat ook in hoger beroep als uitgangspunt geldt dat de ziekmelding van [verzoekster] in november 2014 en de Posttraumatische Stress Stoornis die zij stelt te hebben ontwikkeld het gevolg zijn van de confrontatie van [verzoekster] met het wangedrag van haar collega [collega 1] - deze had een seksuele relatie met de meerderjarige zus van zijn pupil en met de minderjarige pupil zelf - en de bedreiging die [collega 1] jegens haar heeft geuit. In zoverre is grief 3 in het principaal hoger beroep terecht voorgesteld

- daarover zijn partijen het eens - maar dit kan op zichzelf niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden.

5.6

[verzoekster] heeft met betrekking tot haar stelling dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] het volgende aangevoerd:
- [verweerster] heeft geen adequate maatregelen genomen tegen [collega 1] ;
- [verweerster] heeft geen afdoende maatregelen genomen tegen [collega 2] (naakt douchen met pupil);

- [verweerster] heeft niet/slechts deels inhoudelijk gereageerd op brieven van [verzoekster] ;

- [verweerster] heeft een negatief bericht in de pers over [verzoekster] niet gerectificeerd althans dit niet willen rectificeren;
- [verweerster] heeft [verzoekster] ondanks geconstateerde PTSS gepusht om weer aan het werk te gaan en daarbij gedreigd met een loonstop;
- [verweerster] heeft de bedrijfsarts ingezet voor fact finding inzake de gebeurtenissen;
- [verweerster] heeft het verwijt van het hele gebeuren (hof: bedoeld is de kwestie [collega 1] ) ten onrechte bij [verzoekster] gelegd;
- [verweerster] heeft [verzoekster] tijdens haar genezingsproces niet met rust gelaten;
- [verweerster] heeft [verzoekster] in het vooruitzicht gesteld dat zij moest werken met een “foute” collega ( [collega 2] ) met de mededeling dat zij op een correcte manier met disfunctionerende collega’s moet omgaan;

- [verweerster] heeft gedoogd dat medewerkers hun pupillen buiten de instelling meenemen.

5.7

De hiervoor vermelde door [verzoekster] aan het adres van [verweerster] gemaakte verwijten kunnen in drie hoofdonderwerpen worden verdeeld:
- de wijze waarop [verweerster] in de arbeidsrelatie met [verzoekster] is omgegaan met en heeft gereageerd op de kwestie [collega 1] . Daarbij gaat het niet alleen om het seksuele misbruik van [collega 1] met de meerderjarige zus van zijn pupil en met de pupil zelf zoals dat in november 2014 aan het licht is gekomen, maar speelt ook het verjaardagsbezoek van [collega 1] en zijn gezin en de pupil van [collega 1] bij [verzoekster] op 25 mei 2014 een rol;

- het nalaten van [verweerster] om voor [verzoekster] negatieve berichtgeving in de media te rectificeren;
- de wijze waarop [verweerster] haar re-integratieverplichtingen is nagekomen.

5.8

Met betrekking tot de kwestie [collega 1] is van belang welke betekenis en waardering toekomt aan de inhoud van het gesprek dat [verweerster] met [verzoekster] op 25 november 2014 heeft gevoerd. [verweerster] heeft van dit gesprek een verslag opgesteld, dat (deels) in rechtsoverweging 3.9 is geciteerd en [verzoekster] heeft hierop schriftelijk gereageerd omdat zij zich niet met de inhoud van het verslag kon verenigen in haar (deels) in rechtsoverweging 3.11 geciteerde brief van 9 december 2014 aan [verweerster] . De betekenis en waardering van dit gesprek worden (mede) bepaald door de wetenschap - op grond van mededelingen van [verzoekster] op 21 november 2014 aan [teamleider] - die [verweerster] ten tijde van dit gesprek had ten aanzien van (ook) de seksuele relatie die [collega 1] met zijn minderjarige pupil had onderhouden. Volgens [verzoekster] heeft zij namelijk op

21 november 2014 telefonisch aan [teamleider] meegedeeld dat [collega 1] (ook) een seksuele relatie met zijn pupil heeft gehad. [verweerster] heeft betwist dat [verzoekster] op 21 november 2014 de hiervoor vermelde mededeling aan [teamleider] heeft gedaan. Volgens [verweerster] heeft zij voor het eerst op zondag 23 november 2014 van de pupil en de moeder van de pupil signalen gekregen dat er (ook) sprake was van seksueel misbruik door [collega 1] van zijn pupil. Mede gelet op de uitlating van [verzoekster] op 24 november 2014 tegenover twee medewerkers en de regiodirecteur van [verweerster] “dat zij net zo ver in de problemen zat als [collega 1] ” was de insteek van [verweerster] bij het gesprek om te onderzoeken wat de rol van [verzoekster] bij deze kwestie was, aldus [verweerster] . [verzoekster] heeft aangevoerd dat haar niet duidelijk was wat de reden voor het gesprek was. Zij is het gesprek ingegaan met de verwachting dat [verweerster] haar in de voor haar moeilijke situatie zou ondersteunen. In plaats hiervan kreeg zij van [verweerster] de zwarte piet toegeschoven en werd haar (onder andere) meegedeeld dat zij professioneel over de schreef was gegaan door niet aan [verweerster] te melden dat [collega 1] bij het verjaardagsbezoek op 25 mei 2014 zijn pupil had meegebracht.

5.9

Alvorens met betrekking tot de kwestie [collega 1] verder te beslissen zal het hof [verzoekster] , overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en haar bewijsaanbod ter zitting, toelaten te bewijzen dat zij op 21 november 2014 aan [teamleider] heeft meegedeeld dat [collega 1] (ook) een seksuele relatie met zijn pupil heeft gehad.

5.10

Vaststaat dat er op 2 februari 2015 berichten op de website van [nieuwszender] zijn verschenen met betrekking tot een schorsing van een tweede medewerker in de ontuchtzaak van [verweerster] [plaatsnaam] , zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.15 (deels) weergegeven, en dat naar aanleiding van deze berichten geruchten de ronde hebben gedaan dat [verzoekster] die tweede geschorste medewerker was. [verweerster] heeft bij haar verweerschrift in hoger beroep als productie 8 een e-mailwisseling op 2 februari 2015 tussen [verslaggever] (redacteur bij [nieuwszender] ) en [communicatieadviseur] (communicatieadviseur bij [verweerster] ) overgelegd. Het gaat hier om zogenaamde replied e-mails, waarbij de drie meest relevante e-mails in een kort tijdsbestek zijn gezonden. De e-mails van [communicatieadviseur] aan [verslaggever] zijn naar het e-mail adres van [verslaggever] verzonden, niet naar een algemeen e-mail adres van [nieuwszender] . [verweerster] heeft in haar in rechtsoverweging 3.17 vermelde e-mail van 2 februari 2015 om 15.22 uur aan [verslaggever] aangegeven in het kader van de privacy van medewerkers geen commentaar op de door [verslaggever] telefonisch gestelde vraag (hof: of het juist is dat er nog iemand op non-actief is gesteld) te zullen geven. [verslaggever] heeft in zijn daarop volgende in rechtsoverweging 3.18 vermelde e-mail van 2 februari 2015 om 15.41 uur aan [communicatieadviseur] geschreven dat hij uit onderstaand antwoord (hof: de in rechtsoverweging 3.17 vermelde e-mail van [communicatieadviseur] aan [verslaggever] ) opmaakt dat de door hem nieuw aangedragen informatie niet wordt ontkend en dat tot publicatie zal worden overgegaan. Hierop is door [communicatieadviseur] gereageerd met haar in rechtsoverweging 3.19 vermelde e-mail van 2 februari 2015 om 16.05 waarin zij aangeeft dat er geen andere medewerkers op non-actief zijn gesteld. Ten aanzien van deze laatste replied e-mail van [verweerster] zijn namens [verzoekster] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling slechts in algemene zin twijfels geuit, maar is niet onderbouwd gesteld dat deze niet echt is. De bij de mondelinge behandeling aanwezige directeur van [verweerster] heeft in dit verband concreet toegelicht dat [communicatieadviseur] op 2 februari 2015 de directie van [verweerster] die in overleg was heeft gestoord met de mededeling dat er een mediabericht zou uitgaan dat er nog een medewerker op non-actief was gesteld. De directeur heeft [communicatieadviseur] te kennen gegeven dat dit recht gezet diende te worden omdat het niet waar was, waarna [communicatieadviseur] in eerste instantie telefonisch contact heeft gezocht met [verslaggever] , maar een voice-mail kreeg. Vervolgens heeft [communicatieadviseur] in het bijzijn van de directie een e-mail gestuurd. Uit de door [verweerster] overgelegde specificatie van de telefoonrekening van de mobiele telefoon van [communicatieadviseur] blijkt dat zij op 2 februari 2014 om 16.05 uur telefonisch contact heeft gezocht/gehad met het telefoonnummer dat correspondeert met het mobiele nummer dat [verslaggever] onder zijn e-mail heeft staan. De laatste e-mail van [communicatieadviseur] aan [verslaggever] is op 2 februari 2014 om 16.05 uur verzonden.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat [verslaggever] geen kennis heeft kunnen nemen van de replied e-mail van [verweerster] op 2 februari 2015 om 16.05 uur, zodat [verweerster] zich op dat moment voldoende heeft ingespannen om te voorkomen dat onjuiste berichtgeving met betrekking tot een tweede schorsing bij [verweerster] in de media zou verschijnen. [verzoekster] heeft voorts in haar in rechtsoverweging 3.20 vermelde e-mail van 6 februari 2015 aan [teamleider] niet duidelijk verzocht om de onjuiste berichtgeving in de pers te rectificeren en heeft ook tijdens het gesprek in het kader van het Plan van Aanpak op 10 februari 2015 te kennen gegeven de berichtgeving in de media niet met [verweerster] te willen bespreken. Onder die omstandigheden was [verweerster] dan ook niet gehouden uit eigen beweging de onjuiste berichtgeving, nadat deze in de media was verschenen, te (laten) rectificeren.

5.11

De beslissing met betrekking tot de vraag of [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld bij de wijze waarop zij haar re-integratieverplichtingen is nagekomen, zal worden aangehouden, aangezien deze mede afhangt van de uitkomst van de bewijslevering door [verzoekster] . Ditzelfde geldt met betrekking tot de beoordeling van de overige verwijten, zoals vermeld in rechtsoverweging 5.6.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

laat [verzoekster] toe te bewijzen dat zij op 21 november 2014 aan [teamleider] heeft meegedeeld dat [collega 1] (ook) een seksuele relatie met zijn pupil heeft gehad;

bepaalt dat, indien [verzoekster] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, zij die stukken bij schriftelijk bericht op 25 november 2016 in het geding dient te brengen;

bepaalt dat, indien [verzoekster] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. E.B. Knottnerus, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen ( [verzoekster] in persoon en [verweerster] vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [verzoekster] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven door middel van een schriftelijk bericht op 11 november 2016, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [verzoekster] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;


in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, M.E.L. Fikkers en O.E. Mulder en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016.