Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8631

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
200.178.933
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Kosten kinderopvang. Zorgkorting, zorgregeling in tijd afronden. Ingangsdatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.178.933

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 365533)

beschikking van 27 oktober 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [plaats1] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.W. Siebenga te [plaats2] ,

en

[verweerder] ,

wonende te [plaats3] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. K. Schepers te [plaats3] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 november 2014 en 24 juli 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, ingekomen op 23 oktober 2015;

  • -

    het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties 1 en 2, ingekomen op 5 januari 2016;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 25, ingekomen op 18 april 2016;

  • -

    een journaalbericht van mr. Siebenga van 21 juli 2016 met producties 1 tot en met 5, ingekomen op 22 juli 2016;

  • -

    een journaalbericht van mr. Schepers van 12 augustus 2016 met producties A, B en C, ingekomen op diezelfde datum;

  • -

    een journaalbericht van mr. Siebenga van 15 augustus 2016 met producties, ingekomen op diezelfde datum;

  • -

    een journaalbericht van mr. Siebenga van 22 augustus 2016 met producties, ingekomen op diezelfde datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 23 augustus 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

Mr. Schepers heeft tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met overlegging van voormelde journaalberichten met producties van 15 augustus 2016 en 22 augustus 2016 van mr. Siebenga zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom acht op die processtukken.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is begin 2013 verbroken.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

  • -

    [kind1] (verder te noemen: [kind1] ), geboren op [geboortedatum1] te [plaats4] , en

  • -

    [kind2] , geboren op [geboortedatum2] te [plaats4] ,

gezamenlijk verder te noemen: de kinderen.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

De voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft bij vonnis in kort geding van 12 april 2013 overwogen dat vaststaat dat de man € 365,- per maand bijdraagt in de kosten van de kinderen en de vordering van de vrouw te bepalen dat de man met ingang van 1 februari 2013 voorlopig € 396,50 per kind per maand dient bij te dragen voor de kinderen, afgewezen.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 november 2014 heeft de rechtbank iedere verdere beslissing met betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aangehouden in afwachting van de uitkomsten in de procedure over de zorgregeling.

3.5

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juli 2015 (in de zaak met zaaknummer 363558) heeft de rechtbank in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken onder meer vastgesteld dat de kinderen bij de man verblijven:

  • -

    vanaf 18 juli 2015 gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag na het middagslaapje van [kind2] (circa 14.30 uur) tot zondag 16.30 uur;

  • -

    vanaf 1 augustus 2015 totdat [kind2] vier jaar oud is:

  • -

    gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede

  • -

    gedurende het andere weekend van vrijdag na schooltijd tot zaterdag 11.00 uur, en daarnaast

- gedurende de vakanties en feestdagen als nader tussen partijen in onderling overleg te bepalen, waarbij het uitgangspunt is dat de vakanties en feestdagen worden gedeeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: de kinderalimentatie). De rechtbank heeft in de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 24 juli 2015 die bijdrage:

  • -

    over de periode van 21 maart 2014 tot 1 januari 2015 vastgesteld op € 437,28 per kind per maand, met de bepaling dat de man de al door hem betaalde bedragen hierop in mindering mag brengen;

  • -

    over de periode van 1 januari 2015 tot 18 juli 2015 vastgesteld op € 398,28 per kind per maand, met de bepaling dat de man de al door hem betaalde bedragen hierop in mindering mag brengen;

  • -

    over de periode vanaf 18 juli 2015 vastgesteld op € 351,43 per kind per maand, met de bepaling dat de man de al door hem betaalde bedragen hierop in mindering mag brengen en wat de niet verschenen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    de proceskosten aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt, en

het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De vrouw is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 24 juli 2015. De grieven zien op de behoefte van de kinderen in samenhang met het kindgebonden budget, op de (toepassing van de) zorgkorting en op de ingangsdatum van de kinderalimentatie. De vrouw verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te wijzigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2014 een bijdrage van € 578,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen, althans een kinderalimentatie vast te stellen die het hof juist acht, alsmede een ingangsdatum te bepalen die het hof juist acht.

4.3

De man voert verweer en is op zijn beurt met vier grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de behoefte van de kinderen, de ingangsdatum, de (toepassing van de) zorgkorting en de draagkracht van de vrouw indien het kindgebonden budget niet in mindering wordt gebracht op de behoefte van de kinderen. De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans deze verzoeken af te wijzen, en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de onderdelen die ten deze door de grieven van de man zijn bestreden en, opnieuw beschikkende, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, het eigen aandeel in de kosten van de kinderen met ingang van 1 januari 2015 vast te stellen op een lager bedrag dan € 468,57 per kind per maand, alsmede de door de man te betalen bijdrage te bepalen op een lager bedrag van € 351,43 per kind per maand, althans op een bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

4.4

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaring in zijn verzoeken in het incidenteel hoger beroep, althans deze af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven in het principaal en in het incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

4.6

Partijen zijn het erover eens dat nieuwe gegevens en wijzigingen van omstandigheden nadat de bestreden beschikking is gegeven mede aan de beslissing ten grondslag moeten worden gelegd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat hij de berekening door de rechtbank van de behoefte van de kinderen in 2014 in de bestreden beschikking niet betwist. Nu ook de vrouw deze berekening niet heeft bestreden, zal het hof - evenals de rechtbank - ervan uitgaan dat, op basis van een inkomen van de man van € 88.620,- bruto per jaar, resulterend in een netto besteedbaar inkomen van € 4.254,- per maand, de behoefte van de kinderen in 2014 € 1.011,- per maand bedroeg.

5.2

In haar grieven 1 tot en met 4 richt de vrouw zich tegen het oordeel van de rechtbank dat op de behoefte van de kinderen het kindgebonden budget in mindering moet worden gebracht en de rekenkundige consequenties die dat heeft. De vrouw beroept zich daarbij op de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011). Voorts stelt de vrouw dat, gelet op haar specifieke situatie, alle aanleiding bestaat het kindgebonden budget al vanaf 1 januari 2014 te beschouwen als een deel van haar inkomen, omdat het in mindering brengen van het kindgebonden budget op de behoefte van de kinderen in haar specifieke financiële situatie zeer nadelige gevolgen heeft.

De man heeft verweer gevoerd tegen de stelling van de vrouw dat eerdergenoemde prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad al zou moeten worden toegepast over de periode vóór de invoering van de Wet hervorming kindregelingen, derhalve ook al vóór 1 januari 2015. De moeder had toen een hoger inkomen in verband met een aantal heffingskortingen die per 1 januari 2015 zijn vervallen. Daarom dient volgens de man tot 1 januari 2015 het kindgebonden budget in ieder geval wel op de behoefte van de kinderen in mindering te worden gebracht. Bovendien heeft de vrouw onvoldoende concreet onderbouwd waarom de oude regeling in haar concrete geval nadelig voor haar uitwerkt, aldus nog steeds de man.

5.3

Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof het volgende voorop. In zijn prejudiciële uitspraak van 9 oktober 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop in aanmerking dienen te worden genomen bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt en niet in mindering dient te worden gebracht op de behoefte van de kinderen. Het hof is van oordeel dat deze berekeningswijze ook moet worden gehanteerd bij het vaststellen van de kinderalimentatie vóór 9 oktober 2015, zoals de Hoge Raad bij beschikking van 30 september 2016 heeft geoordeeld (ECLI:NL:HR:2016:2229). De man heeft ten aanzien van het jaar 2014 geen bijzondere omstandigheden aangevoerd waarom in dat jaar van deze uitleg moet worden afgeweken. De grieven 1 tot en met 4 van de vrouw slagen derhalve.

5.4

De man heeft in zijn eerste grief gesteld dat de rechtbank bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen in 2015 ten onrechte rekening heeft gehouden met de kosten voor de kinderopvang, in 2014 ten bedrage van € 145,65 per maand. Voor [kind1] zijn deze kosten niet gemaakt. Verder kunnen partijen de opvang van de kinderen samen verzorgen, ook in de situatie dat [kind2] naar school gaat, aldus nog steeds de man.

5.5

Het hof passeert de stelling van de man dat de kosten kinderopvang, die in 2014 € 145,65 bedroegen, zijn vervallen. De vrouw heeft de stelling van de man betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij toegelicht dat de kosten voor de kinderopvang destijds bestonden uit drie dagdelen per week, twee dagdelen voor [kind1] en een dagdeel voor [kind2] ; op dit moment heeft zij nog steeds drie dagdelen per week opvang, maar nu alleen nog voor [kind2] . De vrouw heeft voorts uitgelegd dat zij hiervoor geen kinderopvangtoeslag kan aanvragen, omdat [kind2] niet naar de kinderopvang maar naar een peuterspeelzaal gaat.

Anders dan de man heeft betoogd zal het hof rekening houden met een bedrag van € 145,65 per maand aan kosten voor kinderopvang over het jaar 2015. Het hof passeert daarmee de stelling van de man dat hij graag aan een deel van de opvang van [kind2] invulling zou geven, nu een dergelijke gedeeltelijke opvang door de man nog niet maakt dat daarmee alle thans door de vrouw (voor drie dagdelen kinderopvang) gemaakte - en voor haar gezien haar gezondheidstoestand noodzakelijke - oppaskosten kunnen worden vermeden. De opvangkosten komen het hof niet onredelijk voor. De vrouw heeft ook nog nader onderbouwd dat bovendien sprake is van enige bijzondere kosten voor [kind1] .

Rekening houdend met een bedrag van € 145,65 aan kosten kinderopvang, bedraagt de behoefte van de kinderen in het jaar 2014 in totaal € 1.156,65 per maand, ofwel € 578,33 per kind per maand, en geïndexeerd naar 2015 € 582,96 per kind per maand en naar 2016 € 590,54 per kind per maand.

Dit betekent dat de eerste grief van de man faalt.

5.6

De partijen hebben geen grieven aangevoerd tegen de wijze waarop de rechtbank het netto besteedbaar inkomen en de draagkracht van de man voor 2014 en 2015 heeft berekend. Het hof gaat daarom, evenals de rechtbank, uit van een draagkracht aan de zijde van de man van € 776,73 per kind per maand in 2014 en van € 742,11 per kind per maand in 2015.

Verder heeft de man de door de vrouw bij journaalbericht van haar advocaat van 15 augustus 2016 overgelegde draagkrachtberekening voor 2016 inhoudelijk niet betwist. Het hof gaat daarom voor het jaar 2016 uit van het in die berekeningen opgenomen netto besteedbare inkomen van de man van € 4.370,- per maand en een daarin vermelde draagkracht van de man van in totaal € 1.518,- per maand, ofwel van € 759,- per kind per maand.

5.7

Met betrekking tot de draagkracht van de vrouw heeft de man in zijn vierde grief aangevoerd dat, indien het kindgebonden budget als inkomen voor de vrouw in aanmerking wordt genomen, in het kader van een draagkrachtvergelijking rekening moet worden gehouden met een minimale bijdrage van de vrouw van € 50,- per maand. Voor 1 juli 2015 ontving de vrouw een bijstandsuitkering. Over die periode heeft de vrouw, aldus de man, ook geen belang bij betaling van een hogere bijdrage, nu zij deze bijdrage zal moeten afdragen aan de sociale dienst.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat zij de afgelopen jaren geen inkomen uit betaalde arbeid heeft gehad en dat zij zich ook thans geen inkomen kan verwerven in verband met haar ziekte. Nu zij van 1 juli 2015 tot 8 februari 2016 bij haar ouders heeft ingewoond, heeft zij, gelet op de kostendelersnorm, over die periode geen bijstandsuitkering ontvangen. Zij had in die periode alleen recht op het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop. Daarvoor en daarna heeft zij een bijstandsuitkering ontvangen.

5.8

Het hof is van oordeel dat indien en voor zover de vrouw een bijstandsuitkering heeft ontvangen of thans nog ontvangt, aan de zijde van de vrouw moet worden uitgegaan van de minimale draagkracht van € 50,- voor twee kinderen. Nu de vrouw echter ook een periode geen uitkering heeft ontvangen, te weten over de periode van 1 juli 2015 tot 8 februari 2016 omdat zij toen met de kinderen bij haar ouders heeft ingewoond, ziet het hof aanleiding over die periode geen rekening te houden met deze minimale draagkracht. Dat bij het inkomen van de vrouw het kindgebonden budget moet worden opgeteld, leidt niet tot een andere uitkomst. De vierde grief van de man slaagt daarom gedeeltelijk.

Anders dan de man stelt heeft de vrouw, ook indien zij een bijstandsuitkering ontvangt, belang bij een door het hof vast te stellen bedrag aan alimentatie ten behoeve van de kinderen waarvoor de man mede onderhoudsplichtig is. Dat de vrouw (als vangnet) een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt, ontslaat de man immers niet van zijn verplichting om, naar draagkracht, bij te dragen in de kosten voor de verzorging en opvoeding van de kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. Hierbij komt dat de uitkerende instantie - in dit geval de gemeente - de mogelijkheid heeft de uitkering van de vrouw te korten met een bedrag gelijk aan de kinderalimentatie waarop zij recht heeft.

5.9

In aanmerking genomen dat de gezamenlijke draagkracht van partijen de behoefte van de kinderen overstijgt, dient de man, behoudens de toepassing van de zorgkorting (zie hierna onder 5.11 en 5.12), met de navolgende aan de vrouw te betalen bedragen bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen:

  • -

    over het jaar 2014: met € 578,33 per kind per maand minus € 25,- per kind per maand aan draagkracht van de vrouw, ofwel met (afgerond) € 553,- per kind per maand;

  • -

    over de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015: met € 582,96 per kind per maand minus € 25,- per kind per maand aan draagkracht van de vrouw, ofwel met (afgerond) € 558,- per kind per maand;

  • -

    over de periode van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016: met (afgerond) € 583,- per kind per maand;

- over de periode van 1 januari 2016 tot 8 februari 2016: met (afgerond) € 591,- per kind per maand;

- over de periode vanaf 8 februari 2016: met € 590,54 per kind per maand minus € 25,- per kind per maand aan draagkracht van de vrouw, ofwel met (afgerond) € 566,- per kind per maand;

In aanmerking genomen dat de rechtbank bij beschikking van 24 juli 2015 een definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft vastgesteld, die is ingegaan op 18 juli 2015 houdt het hof, om proceseconomische redenen, in redelijkheid met ingang van 1 juli 2015 rekening met de eventuele gevolgen van die verdeling.

5.10

De vrouw stelt in haar zesde grief dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met een zorgkortingspercentage van 25 en dat ook een percentage van 15 te hoog is, omdat de man qua zorg geen feest- en vakantiedagen van de kinderen voor zijn rekening neemt.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat van de door de rechtbank reeds gehanteerde percentages moet worden uitgegaan.

5.11

Bij de beoordeling stelt het hof het volgende voorop. Gedurende de tijd dat de kinderen bij de man verblijven, voorziet de man in een deel van de kosten van de kinderen in natura. De verdeling van de zorg wordt in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting, en in mindering gebracht op het aandeel van de kosten dat de man voor zijn rekening moet nemen. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de wijze van verdeling van de zorg.

Het hof is van oordeel dat de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen moeten worden gevolgd. Indien sprake is van een zorgregeling van gemiddeld één dag per week dient een zorgkorting van 15% in aanmerking te worden genomen, indien sprake is van een zorgregeling van gemiddeld twee dagen per week dient een zorgkorting van 25 % te worden toegepast en indien sprake is van een zorgregeling van gemiddeld drie dagen per week dient een zorgkorting van 35% te worden aangehouden. Deze aanbeveling houdt voorts in dat de zorgregeling die feitelijk wordt uitgevoerd in tijd moet worden afgerond naar een van deze drie categorieën.

Omdat de man tot 18 juli 2015 in ieder geval een klein deel van de zorg voor de kinderen voor zijn rekening heeft genomen, zal het hof tot 1 juli 2015 uitgaan van het minimale standaardpercentage van 15. De stelling van de vrouw dat de man tot die tijd op onregelmatige momenten slechts een klein deel van de zorg voor de kinderen voor zijn rekening heeft genomen, is voor het hof onvoldoende aanleiding om van voormeld uitgangspunt af te wijken.

Gelet op de door de rechtbank vastgestelde zorgfrequentie in de regeling vanaf 18 juli 2015, acht het hof het standaardpercentage van 25 passend voor de periode vanaf 1 juli 2015. Dat partijen niet altijd in onderling overleg tot een volledige uitvoering van de regeling kunnen komen (met name ten aanzien van de vakanties), laat onverlet dat deze zorgregeling voor partijen bindend is. Tijdens de mondelinge behandeling is bovendien gebleken dat de kinderen gedurende de zomervakantie drie weken en ook gedurende een deel van de andere vakanties bij de man hebben verbleven.

De vijfde grief van de vrouw faalt daarom en de tweede grief van de man gedeeltelijk, omdat in verband met de door het hof berekende hoogte van de behoefte, ook de hoogte van de zorgkorting verandert.

Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat de ouders samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

5.12

Al het voorgaande leidt tot de navolgende berekening;

  • -

    over het jaar 2014 bedraagt de zorgkorting € 86,75 per kind per maand (15% van € 578,33), zodat de man in dat jaar (€ 553,- minus € 86,75 =) € 466,25 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen;

  • -

    over de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 bedraagt de zorgkorting € 87,44 per kind per maand (15% van € 582,96), zodat de man over die periode (€ 558,- minus € 87,44 =) € 470,56 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen;

  • -

    over de periode van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016 bedraagt de zorgkorting € 145,74 per kind per maand (25% van € 582,96), zodat de man over die periode (€ 583,- minus € 145,74 =) € 437,26 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen;

  • -

    over de periode van 1 januari 2016 tot 8 februari 2016 bedraagt de zorgkorting € 147,64 per kind per maand (25% van € 590,54), zodat de man over die periode (€ 591,- minus € 147,64 =) € 443,36 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen;

  • -

    over de periode vanaf 8 februari 2016 bedraagt de zorgkorting € € 147,64 per kind per maand (25% van € 590,54), zodat de man over die periode (€ 566,- minus € € 147,64 =) € 418,36 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen.

5.13

De vrouw heeft in haar zesde grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte als ingangsdatum voor de kinderalimentatie is uitgegaan van 21 maart 2014 in plaats van 1 januari 2014, toen de man een nieuwe baan heeft gekregen.

De man bestrijdt deze stelling van de vrouw. Volgens hem is de rechtbank terecht uitgegaan van de ingangsdatum 21 maart 2014, nu het inleidend verzoekschrift van de vrouw op die datum is ingediend bij de rechtbank. Bovendien heeft de vrouw, zo stelt de man verder, geen belang bij deze grief, nu het meerdere dat hij eventueel aan kinderalimentatie zou moeten betalen, alleen maar zou toekomen aan de sociale dienst.

5.14

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot ingrijpende gevolgen. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid alsnog betaling kan worden verlangd van de bijdrage die het hof in de voorliggende periode in overeenstemming met de wettelijke maatstaven acht.

Het hof hanteert, met inachtneming van voormelde behoedzaamheid, als ingangsdatum van de kinderalimentatie de datum waarop de vrouw het verzoekschrift in de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank heeft ingediend, te weten 21 maart 2014 en gaat hiermee voorbij aan de stelling van de vrouw dat als ingangsdatum 1 januari 2014 moet worden gehanteerd. In dit kader is het volgende van belang. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen toegelicht dat zij in januari 2014 met elkaar hebben gecommuniceerd over de stijging van het inkomen van de man per begin van dat jaar. Volgens de vrouw heeft zij in de loop van januari 2014 zelf ontdekt dat de man per januari 2014 een hoger inkomen had dan voordien, maar heeft de man dit niet direct aan haar meegedeeld. De vrouw heeft verder verklaard dat zij naar aanleiding daarvan overleg heeft gevoerd met haar toenmalige advocaat, maar dat deze hierin toen geen aanleiding heeft gezien actie te ondernemen. Dit alles in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat de man pas met ingang van de datum waarop de vrouw het verzoekschrift in eerste aanleg heeft ingediend, dus met ingang van 21 maart 2014, rekening heeft moeten en kunnen houden met een eventuele gerechtelijke vaststelling van een hogere alimentatiebijdrage dan de bijdrage die hij overeenkomstig de eerder in onderling tussen partijen gemaakte afspraken reeds voor de kinderen aan de vrouw betaalde. Dat de vrouw de inkomensvermeerdering zelf in de loop van januari 2014 heeft moeten constateren, doet hieraan niet af, nu het voor haar rekening en risico komt dat zij eerst op 21 maart 2014 hierop actie heeft ondernomen door indiening van haar verzoekschrift bij de rechtbank. De zesde grief van de vrouw faalt daarom eveneens.

5.15

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juli 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen de volgende bedragen zal betalen:

  • -

    over de periode van 21 maart 2014 tot 1 januari 2015 € € 466,25 per kind per maand;

  • -

    over de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 € 470,56 per kind per maand;

  • -

    over de periode van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016 € 437,26 per kind per maand;

  • -

    over de periode van 1 januari 2016 tot 8 februari 2016 € 443,36 per kind per maand;

  • -

    met ingang van 8 februari 2016 € 418,36 per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, K.J. Haarhuis en A.L.H. Ernes, bijgestaan door de griffier, en is op 27 oktober 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.