Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8559

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
200.164.761/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eiswijziging in hoger beroep toegestaan. Onduidelijkheden in vordering inmiddels opgelost. Geen sprake van vertraging of bemoeilijking van de verdediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.164.761/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/141520 / HA ZA 13-514)

rolbeschikking van 25 oktober 2016 in de zaak van:

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellant], en

2. [appellante],

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellante],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk: [appellanten],

advocaat: mr. A. Arslan, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden.

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk: [geïntimeerden],

advocaat: mr. M.J.G. Peters, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 30 oktober 2013 en 10 december 2014 van de rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Zwolle (hierna: de rechtbank).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep van 11 februari 2015;

- de memorie van grieven (met producties) van 12 juli 2016;

- de akte correctie c.q. wijziging eis van [appellanten] van 23 augustus 2016;

- de akte uitlaten en verzet wijziging eis, waarbij [geïntimeerden] verzet aantekenen tegen de eiswijziging door [appellanten] ;

- de antwoordakte van [appellanten]

2.2

De conclusie van de akte correctie c.q. wijziging eis van [appellanten] van 23 augustus 2016 strekt ertoe (samengevat) dat het hof het vonnis van de rechtbank van 10 december 2014 zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerden] hoofdelijk veroordelen primair tot betaling aan [appellanten] van € 719.500,- met nevenvorderingen, en subsidiair tot betaling aan [appellanten] van € 106.000,- met nevenvorderingen, primair en subsidiair tot restitutie van hetgeen [appellanten] aan [geïntimeerden] hebben betaald op grond van het vonnis waarvan beroep, alles kosten rechtens.

3 De beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende.

3.2

[appellanten] hebben van [geïntimeerden] gekocht de vrijstaande woning met berging, ondergrond en tuin, gelegen aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). De koopprijs bedroeg € 675.000,-. De woning is op 13 juni 2008 geleverd.

3.3

[appellanten] hebben geconstateerd dat de kelder lekt en [geïntimeerden] hiervoor schriftelijk aansprakelijk gesteld. Laatstgenoemden hebben iedere aansprakelijkheid afgewezen, maar wel hebben zij de bouwer van de woning (Jansman Bouw B.V.; hierna: Jansman) op de hoogte gesteld die vervolgens Westendorp Scholten B.V. (hierna: Westendorp) heeft ingeschakeld voor het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden. Deze Westendorp had ook al eerder (in 2005/2006) in opdracht van Jansman werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van het waterdicht maken van de kelder na klachten van [geïntimeerden]

3.4

In eerste aanleg hebben [appellanten] gevorderd (samengevat) ontbinding of vernietiging van de koopovereenkomst en terugbetaling van de koopprijs, dan wel tot vergoeding van de schade, met nevenvorderingen.

3.5

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank alle vorderingen van [appellanten] afgewezen, onder veroordeling van [appellanten] tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerden] , uitvoerbaar bij voorraad.

3.6

[geïntimeerden] verzetten zich tegen de eiswijziging in hoger beroep, stellende (samengevat) dat [appellanten] in eerste aanleg terugbetaling van de koopprijs ad € 675.000,- hebben gevorderd, terwijl zij in hoger beroep betaling van € 719.500,- vorderen, zonder dat duidelijk is waar dat laatste bedrag op is gebaseerd. [geïntimeerden] stellen dat zij hierdoor in hun verdediging worden geschaad. Bovendien hebben [appellanten] om onduidelijke redenen het bedrag dat zij zowel primair als subsidiair als schadevergoeding vorderen verhoogd naar € 12.050,15. Eén en ander klemt temeer nu de appeldagvaarding is uitgebracht op 11 februari 2015 en [appellanten] ruim anderhalf jaar hebben stilgezeten alvorens hun eis te wijzigen c.q. te vermeerderen, aldus [geïntimeerden]

3.7

In hun antwoordakte hebben [appellanten] aangegeven dat zij in hoger beroep (net als in eerste aanleg) teruggave van de koopprijs van € 675.000,- vorderen, vermeerderd met 6% overdrachtsbelasting. Opgeteld maakt dat een bedrag van € 715.500. In het petitum is per abuis € 719.500,- opgenomen. De schade die zij hebben geleden is hoger geworden, hetgeen is toegelicht in randnummer 6.8.4 van de memorie van grieven en onderbouwd met de desbetreffende producties, aldus [appellanten]

3.8

De rolraadsheer overweegt dat op grond van art. 130 lid 1 Rv juncto art. 353 lid 1 Rv aan [appellanten] de bevoegdheid toekomt hun eis of de gronden daarvan te wijzigen. De toelaatbaarheid van een eiswijziging moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare worden echter overschreden indien de eiswijziging leidt tot onredelijke vertraging van het geding en/of tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging.

3.9

De bevoegdheid om de eis of de gronden daarvan te wijzigen is in hoger beroep in die zin beperkt, dat de eiswijziging niet later dan bij memorie van grieven of antwoord dient plaats te vinden. Dit geldt ook als de vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eisende partij is gesteld. Op deze "in beginsel strakke regel" kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. In alle gevallen geldt dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (zie o.a. HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064).

3.10

Bij de akte correctie c.q. wijziging eis van [appellanten] van 23 augustus 2016 zijn in vergelijking met de vordering aan het slot van de memorie van grieven in de aanhef van het petitum alleen de woorden "uitvoerbaar bij voorraad" toegevoegd. De rolraadsheer acht deze correctie toelaatbaar, te meer waar de uitvoerbaarheid bij voorraad wel is gevorderd in de appeldagvaarding en [appellanten] hiervan niet expliciet afstand hebben gedaan. Er is daarom geen aanleiding om de eiswijziging in zoverre in strijd te achten met de in 3.9 vermelde "in beginsel strakke regel".

3.11

Gelet op de uitleg die [appellanten] hebben verstrekt, zoals aangehaald in 3.7, hebben [geïntimeerden] terecht geklaagd over de onduidelijke herkomst van het primair gevorderde bedrag van € 719.500,-. Nu dit thans is opgelost, ziet de rolraadsheer in de bezwaren van [geïntimeerden] geen aanleiding voor het oordeel dat zij door de eiswijziging van [appellanten] onredelijk in haar verdediging worden bemoeilijkt en/of dat het geding er onredelijk door zal worden vertraagd. Ambtshalve ziet de rolraadsheer evenmin grond voor een dergelijk oordeel.

3.12

De conclusie luidt dat de bezwaren van [geïntimeerden] tegen de eiswijziging zullen worden verworpen. Het hof zal in hoger beroep derhalve recht doen op de gewijzigde eis van [appellanten] . De (hoofd)zaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.

De beslissing

De rolraadsheer:

verwerpt de bezwaren van [geïntimeerden] tegen de eiswijziging van [appellanten] ;

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 6 december 2016 voor memorie van antwoord.

Deze rolbeschikking is gegeven door mr. J.H. Kuiper, rolraadsheer, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 25 oktober 2016 in bijzijn van de griffer.