Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8555

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
200.143.962/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over (kosten van) noodzakelijke sanering van vervuilde grond op een perceel dat door projectontwikkelaars van het Waterschap is gekocht. Waardering van (getuigen)bewijs of daadwerkelijk op dit perceel is gesaneerd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/119 met annotatie van H.J. Bos

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.143.962/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/07/202456 / HZ ZA 12-235)

arrest van 25 oktober 2016

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende in [woonplaats] in [staat] ( [land] ),

hierna: [appellant 1],

2. [appellant 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellant 2],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. B.P. van Overeem, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar publiekrecht Waterschap Groot Salland,

met zetel in Zwolle,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: het Waterschap,

advocaat: mr. W.E.M. Klostermann, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 2 juni 2015 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 30 oktober 2015 een getuigenverhoor plaatsgevonden. Vervolgens heeft op 5 februari 2016 de voortzetting van het getuigenverhoor plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal, met producties, bevinden zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Daarna hebben [appellanten] een memorie na getuigenverhoor genomen en heeft het Waterschap een antwoord memorie na enquête genomen.

1.4

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

2.1

Het hof heeft in het tussenarrest van 2 juni 2015 [appellanten] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij € 193.365,10 hebben besteed aan het noodzakelijkerwijs saneren van de grond van het door het Waterschap aan hen verkochte gedeelte van perceel [perceelnr] . In dat kader heeft het hof voorts overwogen dat indien vast zal komen te staan dat er onder de betonplaat op perceel [perceelnr] grond lag die moest worden gesaneerd, tevens bewezen moet worden dat (in hoeverre) de sanering van de bodem van perceel [perceelnr] heeft geleid tot de door [sloopbedrijf] in rekening gebrachte kosten, terwijl niet vanzelfsprekend is dat oppervlakteverhoudingen daarvoor bepalend zijn.
De verklaringen

2.2

[appellanten] hebben de heer [milieutechnicus] , milieutechnicus bij [adviesbureau] , en de heer [directeur] , directeur bij [sloopbedrijf] , als getuigen voorgebracht.

2.3

[milieutechnicus] heeft als getuige verklaard:
(…)
"Het dijklichaam is gesaneerd door [sloopbedrijf] tot aan het betonpad. Aan de rand van het betonpad zijn geen monsters genomen. Toen we in fase 1 verontreiniging aantroffen is er een BUS melding ingediend, dat is een onderdeel van de saneringsprocedure op grond waarvan je na vijf weken kunt starten met de bodemsanering. In 2011 is het puinpad verwijderd, dat puinpad lag kadastraal gezien ten dele op het terrein van het Waterschap. Met het bevoegd gezag is besproken dat het puinpad eerst verwijderd moest worden voordat we konden beoordelen wat er onder zat. De grond is vervolgens ontgraven op basis van visuele waarnemingen. Er werd storthoudend verontreinigd materiaal aangetroffen, het deel waar asbest was aangetroffen is meteen afgevoerd. Een ander deel is in depot gezet. Na verwijdering van de puinlaag is de bodem uitgekeurd. Na de eerste uitkering moest nog aanvullend gegraven worden omdat de grond nog verontreinigd was. Uitkeuring houdt in dat wanneer je een bepaalde ontgravingsdiepte hebt bereikt, waarbij de grond visueel schoon is, er monsters worden genomen waarna je kunt bepalen of de grond inderdaad echt schoon is. Op een aantal plekken was de grond ernstiger vervuild. De hele puinlaag is van voor tot achter afgegraven, de betonlaag varieerde van 30 cm tot 1 meter dikte. Alle grond onder de betonlaag is weggehaald en deels in depot gezet, de meest ernstig vervuilde grond is meteen afgevoerd.
In de vakken A tot en met D, te zien op tekening 4 bij de brief van 23 oktober 2015, is de verontreinigde grond aangetroffen. De andere delen zijn ook ontgraven maar daar was geen noemenswaardige verontreiniging aanwezig. De ernstig vervuilde grond in de vakken A tot en met D heeft tot de saneringskosten geleid. Op de ernstige vervuilde grond moest meer worden uitgekeurd.
De vakken varieerden onderling van mate van verontreiniging. Elk vak is als geheel uitgekeurd. In elk vak zijn op tien plekken monsters genomen. De vakken bevinden zich zowel op het terrein op het Waterschap als op dat van [appellant 1] en [appellant 2] , op beide percelen zijn monsters genomen. De monsters afkomstig ui deze percelen zijn niet gescheiden gehouden.
Op de vraag van mr. Van Overeem of de monsters evenredig over het vak genomen zijn antwoord ik dat er sprake is van een systematische verdeling van de monsters waarbij gekeken is naar de grootte van het vak.
(…)
Ik ben regelmatig op de locatie geweest ten tijde van de sanering in fase 2. Ik denk 1 keer per week. Een medewerker van mij is dagelijks aanwezig geweest.
Ik weet niet zeker maar ik geloof niet dat ik het Waterschap heb ontmoet in fase 2 op de momenten dat ik daar aanwezig was. Het Waterschap wist wel dat er gegraven moest worden omdat er een rapport opgesteld moest worden om vast te kunnen stellen hoe diep er gegraven moest worden. Ik denk dat het Waterschap ook wel aanwezig was toen de milieukundige aanwezig was maar dat weet ik niet zeker. Volgens mij heeft het Waterschap wel toezicht gehouden op hoe diep er gegraven werd.
We hebben tijdens de sanering in fase 2 niet bijgehouden wat er precies van perceel [perceelnr] en [perceelnr 2] kwam, maar alleen wat er uit de hele strook is gekomen. Er is dus geen onderscheid gemaakt tussen het perceel van het Waterschap en dat van [appellant 1] en [appellant 2] . De uitsplitsing in mijn brief van 23 oktober 2015 is gemaakt op basis van de kadastrale oppervlakten. De vakken zijn als geheel ontgraven, waarbij per vak op dezelfde diepte is gegraven. Ik denk dat het onderscheid in oppervlakte eveneens het onderscheid in kosten is maar ik heb daar niet veel inzage in, ik ken de kostenopbouw niet.
(…)
In het evaluatierapport wordt niet gesproken over perceel [perceelnr] om de volgende reden. In het dijklichaam op perceel [perceelnr] is eerder een PAK sanering uitgevoerd. De BUS melding is aangevraagd op perceel [perceelnr 2] , in de tussenstrook was storthoudend materiaal aangetroffen, dat valt niet onder de beschikking maar het moest wel verwijderd worden. Daarom is dat deel niet in de beschikking terecht gekomen.
(…)
In het evaluatierapport wordt het perceel [perceelnr] niet genoemd, dat had achteraf gezien wel gedaan moeten worden. Het is vreemd dat de provincie daar geen vragen over heeft gesteld want op basis van het rapport is wel te zien dat er gegraven is, en er was ook te lezen dat de controle monsters verhoogde waarden hadden. Dat perceel [perceelnr] niet in het rapport wordt genoemd is volgens mij geen omissie, het was alleen duidelijker geweest als het er wel in had gestaan.
Bij de sanering in fase 2 hebben wij geen kadastrale grens uitgezet. Dat er sprake was van verontreiniging in perceel [perceelnr] baseer ik op de controlemonsters en de vakindeling.
In het veld was duidelijk dat we op perceel [perceelnr] gegraven hebben omdat we in fase 1 gestopt zijn aan de grens van het betonpad, en er ook vanuit het dijklichaam tot aan het betonpad was gesaneerd. Er restte dus één strook en de kadastrale grens lag in het midden van die strook. Dat heb ik vastgesteld op basis van de tekeningen die ook in de rapportage staan. De grenzen zijn niet landmeetkundig uitgezet.
(…)
De ontgravingslocaties A tot en met D zijn niet kadastraal uitgemeten. Ze zijn uitgemeten aan de hand van bekende kadastrale gegevens uit de eerdere fase. Er is geen landmeter geweest om de grenzen uit te zetten. Ik weet dat de meetgegevens beschikbaar dienen te zijn op basis van protocol 6001.
Op de tekening bij het evaluatierapport staat de schaalverdeling op grond waarvan vastgesteld kan worden hoe groot elk vak is. Het evaluatierapport is een openbaar stuk dat beschikbaar is bij de provincie.
De vakken bevonden zich in de teen van het dijklichaam. Er is per vak in een rechte hoek ontgraven. Er zit wel een grilligheid in maar dat kunt u niet zien in het rapport en de tekeningen.
Per vak zijn tien mengmonsters genomen, die grepen zijn gemengd en op basis van dat mengsel is vastgesteld of er verontreiniging is en in welke mate. Als we het vermoeden zouden hebben dat de grepen uit perceel [perceelnr] en [perceelnr 2] van elkaar verschilden qua mate van verontreiniging dan hadden we het vak onder moeten verdelen in subvakken, en daar de bemonsteringsstrategie op aan moeten passen. Dat was hier niet het geval.
Mijn vermoeden is dat er meer verontreiniging in de vakken van het Waterschap zat dan in de vakken van [appellant 1] en [appellant 2] . Ik heb geen deelvakken gemaakt omdat daar geen noodzaak toe was op basis van visuele waarnemingen. Ik baseer mijn vermoeden op het tweede Tauwrapport van het dijklichaam dat in opdracht van het Waterschap in het kader van de eerste fase is gemaakt. De boringen die toen zijn gedaan geven aanleiding voor dat vermoeden. Dat is te zien in het evaluatierapport en de monsters die genomen zijn. Die boringen zaten op een halve meter, niet alle lagen van de bodem zijn toen geanalyseerd. Als je het rapport inkijkt is het duidelijk te zien. Ik denk dat het egaal is, de ene keer zit er meer vervuiling in perceel [perceelnr] de andere keer in perceel [perceelnr 2] , op basis van de mengmonsters is dat vastgesteld.
[appellant 1] en [appellant 2] hebben mij niet gevraagd een verdeling van 1/3 - 2/3 te maken. Er is mij alleen gevraagd een inschatting te maken. Er zal met [appellant 1] en [appellant 2] gesproken zijn over de verschillende percelen waarop gesaneerd werd. Maar de hele zone moest bouwrijp gemaakt worden, de hele strook moest eruit. Je kon geen kadastrale grens zien op het werk.
In beide stroken is asbest aangetroffen, dus ook op perceel [perceelnr] . Als er geen asbest aanwezig was geweest zouden we ook niet op asbest uitgekeurd hebben. De asbest zat in de strook die zowel op perceel [perceelnr] als op [perceelnr 2] lag. In het kader van het eerste onderzoek is ook asbest aangetroffen in de teen van de dijk, dus we waren er al op beducht. Ik denk dat het ook uit de monsters blijkt.(…)"

2.4

Getuige [directeur] heeft als getuige verklaard:
(…)

"De betonplaat is verwijderd, die varieerde in dikte. Teneinde niet in contact te komen met de verontreiniging moesten we onder bodemsaneringscondities werken. Het beton dat zichtbaar was is weggenomen, daarna werd bepaald of de ondergrond onder het beton visueel schoon was. Als het verontreinigde grond betrof werd het weggenomen en afgevoerd. Bepaalde plekken onder de betonlaag waren verontreinigd en bepaalde plekken waren schoon.

In opdracht van het Waterschap is het dijklichaam gesaneerd. We moesten toen stoppen bij de betonplaat. De sanering is als één werk uitgevoerd. Wij wisten dat de kadastrale grens een aantal meter van de sloot af lag. Er is van beide kanten ontgraven. Op de stukken waar veel beton lag is het diepste ontgraven, daar zat de grootste verontreiniging.

Het werk moest met spoed klaargemaakt worden. Op basis van de rapporten is vastgesteld dat een verdeling van 1/3 - 2/3 reëel is. Die verdeling heb ik gebaseerd op de hoeveelheid afgevoerde grond en de daaraan besteedde uren. Wij hebben dat ook aan het Waterschap toegelicht. We hebben erop gestaan dat de kosten vergoed werden door [appellant 1] en [appellant 2] . Als het werk moest worden gesplitst was het voor beide partijen duurder geworden.

Bij de sanering zijn steekmonsters genomen van de verschillende depots, die zijn samengebundeld en daarvan is een evaluatierapport gemaakt. Die dagrapporten maken dat je kunt herleiden wat er op welk moment waar gedaan is. Er was een DLP'er aanwezig op het werk die aan moest geven welke grond waar vandaan kwam.
Op verontreinigingsniveau is per depot gesaneerd. Als er een verontreiniging aanwezig was wordt de horizontale en de verticale contour bepaald. Er wordt dan bepaald waar de randen van de verontreiniging zitten, op die punten worden monsters genomen en in depot gezet. Er is exact vast te stellen waar de grond precies verontreinigd was. Daarna vindt een toetsing plaats, en vervolgens wordt er afgerekend naar aanleiding van het aantal ton afgevoerde grond. Daar is dan een oppervlakte verdeelsleutel op toegepast.

Er is niet met één factuur gewerkt maar op basis van deelfacturen. Er is een specificatie gemaakt op basis van het uitgevoerde werk. Dat is niet uitgevoerd per factuur.

In de factuur van 17 oktober 2011 is een onderverdeling gemaakt tussen kosten voor het Waterschap en kosten voor [appellant 1] en [appellant 2] , die verdeling heeft betrekking op de depotverontreiniging van depot 102. Die aanduiding verwijst naar de dagstaat van het bodemrapport. Depot 102 is een bepaald afgegraven vak. Er is vrij nauwkeurig te herleiden welke factuur waar betrekking op heeft. In de facturen wordt verwezen naar de verschillende depots.

(…)

Ik was ongeveer om de dag op de locatie aanwezig. Ik weet niet of het Waterschap wist welke grond er precies door ons gesaneerd werd. We hadden ter plaatse een saneringslocatie ingericht. Ik had contact met de kraanmachinist en ook vanuit het Waterschap was er overleg over hoe diep we konden graven en of er grond moest worden aangevuld. Er werd toezicht gehouden door het Waterschap, dat had te maken met de garantie dat de waterkering in stand bleef en wij ons in die zin hielden aan de voorschriften van de beschikking.

(…)

De bodemsanering is uitgevoerd overeenkomstig protocol 7001. Ik weet dat ik als aannemer op grond van dat protocol een logboek moet bijhouden, dat heb ik ook gedaan. Ook is per dag bijgehouden in welke vakken er tot op welke diepte is ontgraven.

(…)

Op de vergunde en beschikte rapporten wordt de ontgravingscontour gebaseerd. In dit geval had de betonvloer een verschillende dikte, dus was niet vast te stellen waar de grond onder het beton verontreinigd was. Er was wel een aanname, want de betonvloer was al door midden gehaald. Bij nieuwe verontreiniging worden monsters in depot gezet, de dag erop is de uitslag daarvan beschikbaar en daar wordt op geanticipeerd. Dat is in dit geval ook gebeurd. Er wordt geen grond afgevoerd die niet verontreinigd is.

(…)

De ontgravingsvakken zijn niet kadastraal ingemeten.

Er is nauwkeurig berekend welke grond waar vandaan is gekomen. Op basis van luchtfoto's wist ik waar de kadastrale lijn liep. Het dijklichaam is in opdracht van het Waterschap gesaneerd, onderaan was een sloot aanwezig, vanuit het hart van de sloot liep het perceel nog een stuk de andere kant uit. De luchtfoto's geven aan waar de grens ligt. Op de luchtfoto zag ik het dijklichaam en de locatie van de betonvloer. Op die foto staat een schaal, naar aanleiding daarvan kun je vanuit het hart van de sloot het perceel uitmeten. Die luchtfoto moet ik nog beschikbaar hebben. Ik had ook de beschikking over de kadastrale gegevens in het contract met [appellant 1] en [appellant 2] . Er heeft geen feitelijke inmeting door een landmeter plaatsgevonden omdat dat geen verplichting is op grond van protocol 7001.

In mijn kostenspecificatie reken ik 1/3 deel toe aan het Waterschap, dat is gedaan aan de hand van de depots, de ontgravingscontouren, de logboeken, de dag- en weekstaten en het overleg met de kraanmachinist. Dat is allemaal verifieerbaar.

(…)

De kosten van [milieutechnicus] in bijlage F zijn voor een derde toegedeeld aan het Waterschap op basis van de tijdsbesteding en de afgevoerde hoeveelheid grond. We hebben de hoeveelheden afgevoerde grond bepaald, op basis daarvan is geconcludeerd dat een toedeling van 1/3 reëel is. Dat blijkt uit het milieukundig rapport, alles wat verder bij de sanering komt kijken, wat vanuit de norm verplichte kosten zijn, moet dan onder dezelfde noemer worden toegewezen anders is het niet eerlijk."

2.5

Het Waterschap heeft in contra-enquête de heer [Y] , waterkeringbeheerder bij het Waterschap, voorgebracht.

2.6

Getuige [Y] heeft verklaard:
"(…)
Er lag een betonplaat op het terrein, die is verwijderd. Op grond van de vergunning mocht er tot 40 centimeter diep ontgraven worden. Op een gegeven moment werd er te diep gegraven, ik heb de sanering toen stilgelegd. Duidelijk werd dat er dieper gesaneerd moest worden, tot min 3,80 m NAP. Er moesten berekeningen gemaakt worden om aan te tonen dat de kering stabiel bleef. De damwand die er stond bleek niet diep genoeg meer om de waterkering te vervangen. Er zijn afspraken gemaakt hoever [sloopbedrijf] buiten de kering moest blijven, dat ging in overleg met het Waterschap. Vervolgens is er toestemming gegeven om de sanering uit te voeren. Ik controleerde dat. Ik zag de sanering gebeuren, zodra ze in de buurt van de kering kwamen controleerde ik dat. Met de kraanmachinist had ik de afspraak dat hij mij zou bellen als ze in de buurt van de kering kwamen, op die manier was ik betrokken bij de sanering.
[directeur] heb ik wel eens gesproken, die ben ik op de locatie tegengekomen. [milieutechnicus] heb ik eens gebeld in verband met het opkomende stormseizoen. De contacten die ik had waren voornamelijk met de kraanmachinist.
Onder de betonplaat lag nog een laag betonpuin, dat is verwijderd. Daaronder is op het perceel [perceelnr] niet ontgraven.
De waterstand in [naam 1] is vrijwel altijd ongeveer min 0,25 meter NAP. De teen van de waterkering ligt op plus 70 cm NAP en op die manier kon ik zien hoe diep er werd gegraven: als er dieper dan 40 cm werd gegraven zou ik grondwater moeten zien. En dat heb ik niet gezien hoewel ik vrijwel dagelijks aanwezig was. Je kunt op de verschillende luchtfoto's zien hoever ze zijn gevorderd aan de hand van de hoeveelheid water op het terrein. Op die manier zie je ook dat er dieper is gegraven op perceel [perceelnr 2] maar niet op [perceelnr] .
Als ik op de locatie ben heb ik altijd een kaart met de kadastrale gegevens bij me. Via een GPS systeem kan ik nauwkeurig zien waar ik sta. Via dat systeem is ook de kadastrale ondergrond zichtbaar.
Op het perceel [perceelnr] kan niet zijn ontgraven, want dan zou de waterkering in gevaar zijn gekomen. Dan zou er water in het vak moeten zijn gekomen.
[milieutechnicus] heeft in zijn brief van 23 oktober 2015 verklaard dat hij in vak A 135 kuub heeft ontgraven op het terrein van het Waterschap. De vakbreedte is ongeveer 15 meter, dat komt dan neer op 7,5 kuub per strekkende meter. De ontgraving vindt altijd in een schuine lijn plaats omdat de grond anders inzakt, dus dan zou er nog verder gegraven moeten zijn om die diepte te halen. Het grondwater of het water uit [naam 1] was dan in het vak gestroomd. Dat zou ik zeker hebben gezien want ik was dagelijks aanwezig. Ik heb dat niet gezien.
Ik denk dat er wel dieper is gegraven op perceel [perceelnr 2] , dat moet meer richting [naam 1] zijn geweest.
(…)
Ik heb een collega, de heer [Z] , die bij het Waterschap dezelfde functie als ik uitoefent. We hebben het gebied in Noord en Zuid verdeeld. Het [naam 2] terrein viel onder mijn verantwoordelijkheid. De controle en het toezicht doen we samen. Zo weet je van elkaar wat er speelt indien er calamiteiten zijn en zo ken je elkaars terrein. [Z] is dus regelmatig op het [naam 2] terrein geweest. Hij heeft mij verteld dat hij niet heeft gezien dat er ontgraven werd bij de waterkering. Toen de factuur van [sloopbedrijf] binnenkwam heb ik die met [Z] besproken. Wij waren beiden verontwaardigd over de hoogte van de factuur voor zover die betrekking had op perceel [perceelnr] .
(…)
[milieutechnicus] en [directeur] hebben verklaard dat de stukken grond die ontgraven werden ook meteen werden aangevuld. Dat is onjuist. Op de foto's is te zien dat bepaalde delen open bleven staan. Op foto 4 is te zien hoe het terrein er na de aanvulling van de ontgraving uitziet. Niet alle ontgravingen konden meteen worden aangevuld omdat de randen van de ontgraving dan nog moesten worden uitgekeurd. Omdat ik er bijna dagelijks kwam had ik het aan de grond kunnen zien als die was aangevuld. Ik heb geen directe aanvulling bij de waterkering gezien. Hoe dat zat bij de diepere ontgraving op perceel [perceelnr 2] weet ik niet, omdat dat niet mijn terrein was."
De bewijswaardering

2.7

Aan [appellanten] is het bewijs opgedragen van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij € 193.365,10 hebben besteed aan het noodzakelijkerwijs saneren van de grond van het door het Waterschap aan hen verkochte gedeelte van perceel [perceelnr] . Het hof is van oordeel dat [appellanten] in deze bewijsopdracht niet zijn geslaagd. Daartoe is het volgende redengevend.

2.8

Tussen partijen staat vast dat [sloopbedrijf] in opdracht van [appellanten] de betonplaat die zich ten dele op perceel [perceelnr] en ten dele op perceel [perceelnr 2] bevond heeft verwijderd en de onder de betonplaat aanwezige grond heeft gesaneerd. Eveneens staat vast dat de betonplaat niet overal dezelfde dikte had en dat de grond onder de betonplaat niet overal vervuild was; bepaalde delen van de grond waren verontreinigd, andere delen waren schoon. De enkele omstandigheid dat de betonplaat zich ten dele op perceel [perceelnr] bevond is derhalve onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat onder de betonplaat op perceel [perceelnr] verontreinigde grond lag die moest worden gesaneerd.
[milieutechnicus] en [directeur] hebben beiden verklaard dat de grond onder de betonplaat in vakken is ontgraven en dat in vier ontgravingsvakken (A tot en met D) verontreinigde grond is gesaneerd. Voor zover [milieutechnicus] en [directeur] hebben verklaard dat de in de vakken A tot en met D aanwezige verontreinigde grond zich ten dele bevond op perceel [perceelnr] , acht het hof hun verklaringen echter onvoldoende overtuigend. Daartoe overweegt het hof dat [milieutechnicus] en [directeur] beiden hebben verklaard dat ten tijde van de sanering in fase 2 geen feitelijke inmeting van de percelen door een landmeter heeft plaatsgevonden, en dat zij zich in het veld oriënteerden aan de hand van luchtfoto's ( [directeur] ) en tekeningen ( [milieutechnicus] ) op grond waarvan zij stellen te hebben geweten waar de kadastrale grens liep. Onduidelijk is gebleven op welke luchtfoto's en tekeningen zij zich daarbij beroepen. Voor zover [directeur] in dit verband heeft verklaard dat hij wist dat de kadastrale grens een aantal meter van de sloot af lag, heeft het Waterschap, onder verwijzing naar de luchtfoto uit 2010 (bijlage 2 bij de het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 5 februari 2016), gesteld dat deze sloot reeds in 2010 was verwijderd, zodat [directeur] zich tijdens de sanering in fase 2 onmogelijk aan de hand van deze sloot kan hebben georiënteerd.
Tegenover de verklaringen van [milieutechnicus] en [directeur] staat de verklaring van [Y] , die inhoudt dat hij (in tegenstelling tot [milieutechnicus] en [directeur] ) dagelijks op de locatie aanwezig is geweest ten tijde van de sanering in fase 2. De verklaring van [Y] houdt in dat hij ter plaatse heeft gezien dat er niet op perceel [perceelnr] ontgraven is. [Y] heeft in dat kader verklaard dat hij in het veld gebruik heeft gemaakt van ARCGIS, ondersteund met GPS - een systeem op grond waarvan hij exact kon zien waar hij zich bevond en waarop de kadastrale ondergrond zichtbaar was.

2.9

Ook op basis van het door [appellanten] overgelegde evaluatierapport en de brief van [milieutechnicus] d.d. 23 oktober 2015 kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat de gesaneerde grond zich daadwerkelijk op perceel [perceelnr] heeft bevonden. Het evaluatierapport (productie 1 bij memorie van grieven) biedt hiertoe geen aanknopingspunten. Voor zover [appellanten] zich ter onderbouwing van hun standpunt nog hebben beroepen op door hen ter griffie gedeponeerde bijlagen bij het evaluatierapport, gaat het hof hieraan voorbij, nu deze stukken niet ter griffie van het hof zijn aangetroffen en [appellanten] bovendien hebben nagelaten aan te geven op welke (passages uit de) bijlagen zij zich concreet beroepen.
Ten aanzien van de brief van [milieutechnicus] d.d. 23 oktober 2015 overweegt het hof voorts het volgende. [milieutechnicus] stelt in deze brief onder meer dat van de in de vakken A tot en met D gesaneerde grond circa 613 ton is toe te schrijven aan perceel [perceelnr] . Hiertoe heeft hij een onderverdeling gemaakt van de vakken A tot en met D, waarbij hij heeft aangegeven hoeveel grond per vak zijns inziens afkomstig is uit perceel [perceelnr] . [Y] heeft ten aanzien van de berekeningen in de brief van [milieutechnicus] evenwel verklaard dat indien, zoals [milieutechnicus] schrijft, in vak A 135 kuub is ontgraven op perceel [perceelnr] , er gelet op de grootte van dit ontgravingsvak grondwater of water uit [naam 1] in het vak zou zijn gestroomd. [Y] stelt dat hij dit zeker gezien zou hebben, omdat hij dagelijks op de locatie aanwezig was. Voorts heeft [Y] met de kraanmachinist de afspraak gemaakt dat hij gebeld zou worden als er in de buurt van de waterkering gegraven zou worden. De kraanmachinist heeft, zo blijkt uit het logboek van [Y] (productie 3 bij memorie van antwoord), slechts eenmaal gemeld dat een vervuilingsspot was gevonden op een afstand van meer dan 16 meter uit de damwand, en derhalve niet op het van het Waterschap gekochte perceel. Gelet op deze verklaring van [Y] acht het hof onvoldoende overtuigend wat [milieutechnicus] in zijn brief d.d. 23 oktober 2015 heeft gesteld. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat zowel [milieutechnicus] als [directeur] hebben verklaard dat in de ontgravingsvakken evenredig monsters zijn genomen die vervolgens niet gescheiden zijn gehouden. Tijdens de sanering is noch door [milieutechnicus] , noch door [directeur] bijgehouden wat er (volgens hen) afkomstig was uit perceel [perceelnr] . [milieutechnicus] heeft daarbij verklaard dat de uitsplitsing van de percelen in zijn brief is gemaakt op basis van kadastrale oppervlakten, maar uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen blijkt dat [milieutechnicus] en [directeur] zich ten aanzien van de exacte locatie van de ontgravingsvakken op de percelen enkel georiënteerd hebben aan de hand van (niet in het geding gebrachte) luchtfoto's en tekeningen, terwijl de kadastrale grenzen van de percelen in het veld niet waren aangegeven.

2.10

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat [appellanten] met de verklaringen van [milieutechnicus] en [directeur] , mede bezien in het licht van de andersluidende verklaring van [Y] , niet zijn geslaagd in het leveren van het aan hen opgedragen bewijs. Voor zover [appellanten] nog hebben gewezen op de verklaring van [directeur] , inhoudende dat een derde gedeelte van de gemaakte saneringskosten op grond van verifieerbare gegevens, te weten de depots, de ontgravingscontouren, de logboeken, de dag- en weekstaten en het overleg met de kraanmachinist, aan het perceel [perceelnr] kan worden toegerekend, zodat een deskundige benoemd zou kunnen worden teneinde een oordeel te geven over de afgelegde verklaringen in samenhang met beschikbare documentatie, gaat het hof hieraan voorbij. [appellanten] hebben ook in hoger beroep nagelaten op basis van deze door [directeur] genoemde gegevens een voldoende onderbouwde, verifieerbare becijfering van de verdeling over te leggen. Het hof ziet geen aanleiding hun daartoe in dit stadium van het geding alsnog de gelegenheid te bieden. Dat een onderzoek door een deskundige relevant is, is niet voldoende toegelicht, nu de feiten waarvan daarbij zou behoren te worden uitgegaan niet zijn bewezen.

2.11

Bij deze stand van zaken concludeert het hof dat de vorderingen van [appellanten] terecht zijn afgewezen.
De slotsom

2.12

De grieven falen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. [appellanten] zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (4,5 punten, tarief VI).

2.13

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

3 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, d.d. 11 december 2013 ;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten voor zover tot op heden aan de zijde van het Waterschap begroot op € 5.114,- aan verschotten en € 14.683,50 voor geliquideerd salaris van de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellanten] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. H.E. de Boer, voorzitter, mr. M.W. Zandbergen en mr. C.J.H.G. Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 25 oktober 2016.