Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8532

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
200.178.914/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschermingsbewind is niet bedoeld ter beslechting van familieproblemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.178.914/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3732564 VO VERZ 15-9)

beschikking van 18 oktober 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. P. Huistra te Groningen,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerder] ,

advocaat: mr. A.H. Loos-Horstman te Drachten.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [belanghebbende1] B.V.,

kantoorhoudend te [A] ,

verder te noemen: de bewindvoerder,

2 [belanghebbende2] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: [belanghebbende2] ,

3 [belanghebbende3] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: [belanghebbende3] ,

4 [belanghebbende4] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: [belanghebbende4] ,

5 [belanghebbende5] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: [belanghebbende5] .

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 21 juli 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 19 oktober 2015;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht namens mr. Huistra van 2 november 2015 met productie(s);

- een journaalbericht namens mr. Huistra van 19 februari 2016 met productie(s);

- een brief van [belanghebbende2] van 1 maart 2016;

- een brief van [belanghebbende4] van 2 maart 2016;

- een brief van mr. Huistra van 3 maart 2016;

- een journaalbericht namens mr. Horstman van 19 augustus 2016 met productie(s);

- een journaalbericht namens mr. Horstman van 24 augustus 2016 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 augustus 2016 plaatsgevonden. Namens de rechthebbende is mr. Huistra verschenen. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de bewindvoerder is mevrouw [C] verschenen. Ook zijn verschenen [belanghebbende2] , [belanghebbende3] en [belanghebbende4] . Mr. Huistra heeft een pleitnotitie overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

De rechthebbende is geboren [in] 1933. [belanghebbende2] , [belanghebbende3] , [belanghebbende4] , [belanghebbende5] en [verweerder] zijn de kinderen van de rechthebbende.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 29 december 2014, hebben [verweerder] en [belanghebbende5] verzocht alle goederen die aan de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren onder bewind te stellen als bedoeld in artikel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en [verweerder] tot bewindvoerder te benoemen.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter - voor zover hier van belang - wegens lichamelijke of geestelijke toestand een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende en [belanghebbende1] BV, kantoorhoudend te [A] , tot bewindvoerder benoemd.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de onderbewindstelling van de (toekomstige) goederen van de rechthebbende. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking aannemelijk geacht dat de rechthebbende niet in staat is zelf haar vermogensrechtelijke belangen ten volle te behartigen. De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat de benoeming van één van de kinderen tot bewindvoerder niet wenselijk is en dat een benoeming van een onafhankelijke professionele bewindvoerder in het belang van de rechthebbende moet worden geacht.

4.2

De rechthebbende is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van

21 juli 2015. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De rechthebbende verzoekt de beschikking van 21 juli 2015 te vernietigen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

5 De motivering van de beslissing

ontvankelijkheid

5.1

[verweerder] trekt de ontvankelijkheid van de rechthebbende in twijfel, omdat hij stelt dat feitelijk [belanghebbende3] de appellant is die een strijd voert met hem, [belanghebbende5] , [belanghebbende4] en [belanghebbende2] en de rechthebbende daarbij inzet als pion. In het licht van de gemotiveerde betwisting van

mr. Huistra namens de rechthebbende heeft [verweerder] deze stelling echter onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Gebleken is immers dat mr. Huistra de rechthebbende in ieder geval een week voor de zitting persoonlijk heeft gesproken en nadien nog meermalen telefonisch contact met haar heeft gehad. Zij is volhardend in haar standpunt dat zij van het bewind af wil, aldus mr. Huistra ter zitting.

bewind

5.2

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

5.3

De rechthebbende kan zich met de instelling van het bewind niet verenigen. Zij bestrijdt tijdelijk of duurzaam niet in staat te zijn ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

5.4

Het hof stelt voorop dat [verweerder] en [belanghebbende5] als verzoekers in deze procedure aannemelijk moeten maken dat aan de onder 5.2 genoemde wettelijke vereisten voor de instelling van een bewind is voldaan. Het hof is van oordeel dat de gronden waarop de kantonrechter het aannemelijk heeft geacht dat de rechthebbende niet in staat is zelf haar vermogensrechtelijke belangen ten volle te behartigen (vgl. rechtsoverweging 4) reeds aan de magere kant waren. Daarbij komt dat de rechthebbende ter onderbouwing van haar stelling in hoger beroep een medische verklaring van 20 oktober 2015 van [D] (hierna: [D] ), BIG-geregistreerd arts te [E] , in het geding heeft gebracht. Daaruit blijkt dat [D] de rechthebbende op 20 oktober 2015 heeft bezocht. Op basis van haar bevindingen tijdens dit bezoek verklaart [D] op 20 oktober 2015 dat de rechthebbende goed georiënteerd is in persoon en plaats en redelijk goed in de tijd. Haar korte- en middellange termijngeheugen en de inprenting zijn slechts licht gestoord. De reken- en taalvaardigheid zijn goed. De stemming is normaal. De aandacht, het begrip en de concentratie zijn goed. Het beoordelingsvermogen, de planning en het overzicht zijn goed. Ondanks genoemde lichte cognitieve stoornissen acht [D] de rechthebbende wilsbekwaam om haar eigen vermogensrechtelijke belangen te behartigen.

[verweerder] heeft de zorgvuldigheid van het onderzoek door [D] ter discussie gesteld.

Ook al heeft [D] de rechthebbende slechts eenmaal gezien en gesproken en is dus inderdaad geen sprake van een heel uitgebreid (medisch) onderzoek, geven de uitkomsten daarvan het hof wel een beeld van de interactie met de rechthebbende en in het verlengde daarvan van haar lichamelijke en/of geestelijke toestand. [D] heeft ook met zoveel woorden verklaard dat de communicatie met de rechthebbende vlot en zonder zintuigelijke beperkingen verliep. Daar staat enkel tegenover de verklaring van de bewindvoerder ter zitting dat de rechthebbende niet zelf haar (financiële) administratie kan voeren en dat bepaalde dingen haar meermalen moeten worden uitgelegd. Dat acht het hof echter niet genoeg voor het oordeel dat de rechthebbende als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1:431 lid 1 BW. Het verzoek van [verweerder] en [belanghebbende5] tot instelling van een bewind over de goederen van de rechthebbende dient daarom alsnog te worden afgewezen.

5.5

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. De rechthebbende wil graag dat [belanghebbende3] haar financiën beheert. [belanghebbende3] is daartoe ook in staat en bereid. Omdat de andere kinderen van de rechthebbende het daar niet mee eens zijn en [belanghebbende3] niet vertrouwen, wensen zij bij nader inzien (aanvankelijk was het verzoek immers om [verweerder] - die de rechthebbende ten tijde van de zitting overigens al twee jaren niet had gezien - tot bewindvoerder te benoemen) dan maar dat een onafhankelijk bewindvoerder de financiën van de rechthebbende doet. Hetgeen [verweerder] , [belanghebbende2] , [belanghebbende4] en [belanghebbende5] daartoe hebben aangevoerd is grotendeels gebaseerd op (oude) problemen binnen de familie, met name tussen de kinderen onderling en/of de kinderen met hun moeder. De instelling van een beschermingsbewind is echter niet bedoeld ter beslechting van dergelijke familieproblemen. Bovendien is het te beschermen financiële belang van de rechthebbende uiterst gering. Volgens opgave van de bewindvoerder ter zitting is geen sprake van een groot vermogen. De rechthebbende bezit een garagebox uit de nalatenschap van haar overleden echtgenoot. Verder heeft zij enkel AOW en een klein pensioen. Welbeschouwd kost het bewind de rechthebbende nu dus alleen maar geld.

5.6

Zoals ter zitting reeds besproken raadt het hof de kinderen ten zeerste aan om - overeenkomstig de wens van de rechthebbende - met elkaar een mediationtraject in te gaan. Wellicht kan er via die weg nog een situatie ontstaan waarin de rechthebbende verder van een rustige oude dag kan genieten. Schrijnend duidelijk is geworden dat de rechthebbende zich thans verscheurd voelt tussen haar ruziënde kinderen. De rechthebbende verkeert op

83-jarige leeftijd in een loyaliteitsconflict. Dat is ook de reden waarom zij ervoor heeft gekozen om niet bij de zitting aanwezig te zijn. Hoewel het handelen van de rechthebbende in deze zoals gesteld vast ook niet feilloos is (geweest), mag van haar volwassen kinderen op hun beurt worden verwacht dat zij hun hoogbejaarde moeder (desnoods via het inschakelen van deskundige hulp) buiten hun onderlinge strijd houden.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 21 juli 2015, en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van [verweerder] en [belanghebbende5] tot instelling van een bewind over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende af;

bepaalt dat deze uitspraak door de griffier wordt ingeschreven in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, J.G. Idsardi en

I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 18 oktober 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.