Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8292

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
200.159.138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; financiële afwikkeling affectieve relatie tussen advocaat en vrouw; geen bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden van advocaat; kwitantie is geen akte waarin een verbintenis tot voldoening van een geldsom is aangegaan of vastgelegd; opheffing conservatoir beslag voor restitutievordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.159.138

(zaaknummer rechtbank Arnhem, nadien Oost-Nederland, later Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 222701)

arrest van 18 oktober 2016

in de zaak van

[Appellant] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: de man,

advocaat: mr. B.F.H.M. van den Tempel ,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. A.D. Leuftink.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 februari 2016 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de aantekeningen van de griffier van de zitting van 31 augustus 2016;

- de ten behoeve van die zitting op 16 augustus 2016 namens de vrouw en op 30 augustus 2016 door de man in het geding gebrachte producties, waartegen partijen ter comparitie desgevraagd geen bezwaar hadden.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Deze zaak gaat over de financiële afwikkeling van relatie van partijen. Zij hebben een affectieve relatie gehad en vanaf 2008 tot (in elk geval) eind 2009 samengewoond in de woning van de man.

2.2

Eind augustus/begin september 2009 heeft de vrouw de tot 1 september 2009 rentevaste hypotheekschuld van de man ad € 148.068,48 betaald, waarop zij begin oktober 2009 het toen net vrijgevallen spaardepot van de man van € 100.000 heeft terug ontvangen.

2.3

Partijen (de man was destijds 57 jaar en advocaat sedert 1994; de vrouw was ongeveer even oud, receptioniste/secretaresse op zijn kantoor en had eerder een onderneming met twee kledingwinkels gedreven) hebben over de financiële afwikkeling van hun relatie in de loop van de tijd de volgende documenten opgemaakt (het hof volgt de nummering van de rechtbank en laat de driepartijen overeenkomsten II, IV, V en VI tot geldlening door de vrouw aan de zoon van de man hier buiten beschouwing):

0 een door de vrouw ondertekende kwitantie d.d. 25 augustus 2009 (verder: de kwitantie; zie productie 18 bij akte van de man van 9 januari 2013) met haar verklaring dat de man haar € 48.068,48 in contanten had betaald als deelbetaling voor het door haar uiterlijk op 1 september 2009 over te maken bedrag van € 148.068,48 op zijn hypotheekaflossing,

I een door de vrouw ondertekende brief d.d. 1 november 2009 aan de man (verder: de brief; zie productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie) met daarin haar verklaring de resterende € 48.000 graag voor hem te willen betalen onder de toevoeging: “die hoef je dus niet terug te betalen”,

III een door partijen ondertekende verklaring d.d. 13 september 2010 (verder: de verklaring; zie productie 2 bij inleidende dagvaarding) met de vaststelling dat de vrouw medio september 2009 ten behoeve van de aflossing van de hypotheek van de man € 48.000 had voorgeschoten met de toezegging dat dit zou worden terugbetaald in het geval de man zou komen te overlijden en met de volgende overeenkomst:

“-(De man, hof) is bereid en verplicht zich dan ook om het hierboven genoemde bedrag van € 48.000,00 terug te betalen en de eerder daarover gemaakte afspraak ongedaan te maken onder de voorwaarde dat het bedrag uiterlijk op 1 september 2015 op de bankrekening van (de vrouw, hof) zal worden bijgeschreven, of zoveel eerder als de financiën van (de man, hof) dat toelaten.

-(De man, hof) verklaart hierbij dat er buiten de hierboven genoemde driepartijen overeenkomst geen overeenkomsten tussen partijen zijn en in het geheel geen ondertekende stukken van welke strekking dan ook.

-(…)
-(De vrouw, hof) zal ter compensatie van bovengenoemde regelingen op 13 september 2010 een bedrag van € 9.000,00 overmaken op de bankrekening van (de man, hof).”,

VII een door beide partijen ondertekende overeenkomst van geldlening d.d. 5 december 2010 (productie 3 bij inleidende dagvaarding), waarbij partijen zijn overeengekomen:

“2) Het resterende bedrag van € 48.000,00 wordt door middel van deze overeenkomst omgezet in een levenslange renteloze lening, hetgeen inhoudt dat de lening aan (de vrouw, hof) wordt terugbetaald uit de nalatenschap van (de man, hof) nadat hij zou komen te overlijden;

3) Door deze overeenkomst vervalt de verklaring van 13 september 2010 met betrekking tot de terugbetaling van de lening.”,

VIII een door beide partijen ondertekende overeenkomst van geldlening d.d. 11 december 2010 (productie 4 bij inleidende dagvaarding), waarbij partijen zijn overeengekomen dat de man van de vrouw medio september 2010 € 9.000 ter leen heeft ontvangen door overmaking van dit bedrag op de bankrekening van de man en dat de man deze lening zou aflossen uiterlijk 1 januari 2012.

2.4

Bij brief van 21 februari 2011 (productie 6 bij inleidende dagvaarding) heeft (de advocaat van) de vrouw wegens geldlening van onder meer € 48.000 dit bedrag van de man opgeëist en hem in gebreke gesteld en naar aanleiding van het beroep van de man op een aantal van voormelde documenten de ingeroepen overeenkomsten wegens totstandkoming ervan "onder grote druk, bedreiging en zelfs gijzeling" buitengerechtelijk vernietigd.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

In conventie heeft de vrouw na vermindering van eis, voor zover in hoger beroep nog van belang en samengevat, gevorderd dat de rechtbank:

1. de man (wegens geldlening) zal veroordelen tot betaling aan haar van onder meer voormeld bedrag van afgerond € 48.000, vermeerderd met rente en kosten,

2. voor recht zal verklaren dat de overeenkomsten op juiste c.q. goede gronden op 20 april (bedoeld is kennelijk: 21 februari, hof) 2011 buitengerechtelijk zijn vernietigd.

3.2

In reconventie heeft de man in eerste instantie, samengevat, gevorderd dat de rechtbank:

-voor recht zal verklaren dat de schenking door de vrouw van 1 november 2009 rechtsgeldig is en in stand dient te blijven;

-de vrouw zal veroordelen tot betaling aan hem van:

1. het aankoopbedrag van € 2.364,07 voor de Mac Book Pro voor de vrouw;

2. huur van € 18.750 in verband met de inwoning in de woning van de man over de periode augustus 2008 tot en met augustus 2010 van € 750 per maand onder aftrek van een daarop in mindering betaald bedrag van € 700 en

3. € 3.241,98 in verband met de door de vrouw veroorzaakte schade aan de auto van de man;

subsidiair:

-zal vernietigen de verklaring van 13 september 2010;

-voor recht zal verklaren dat de overeenkomst van 5 december 2010 rechtsgeldig is en door de vrouw nagekomen dient te worden;

-de vrouw zal veroordelen tot betaling aan hem van voormelde bedragen van € 2.364,07 plus € 18.750 onder aftrek van € 700, alsmede € 3.241,98.

3.3

Na een comparitie van partijen heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 15 augustus 2012 (de datum 18 juli 2012 in de koptekst berust kennelijk op een vergissing) een vermeerdering van eis van de man bij akte van 9 mei 2012 wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten, de vorderingen van de man in reconventie wegens huur of vergoeding van woonlasten niet toewijsbaar geoordeeld maar wegens de Mac Book Pro ad € 2.364,07 en wegens schade aan zijn auto voor € 1.000 inclusief btw toewijsbaar geoordeeld, het beroep van de man op schenking van het bedrag van € 48.000 verworpen en ten slotte de vrouw opgedragen te bewijzen dat de overeenkomst van geldlening d.d. 5 december 2010 tot stand is gekomen door bedreiging en misbruik van omstandigheden.

3.4

Na getuigenverhoor hebben partijen ieder een akte verzocht, waarbij de man (in zijn akte van 9 januari 2013) de kwitantie heeft overgelegd en in verband daarmee zijn vordering in reconventie opnieuw heeft gewijzigd, waarbij hij naast een aantal verklaringen voor recht (zoals weergegeven in rov. 3.12 van het tussenvonnis van 27 maart 2013) onder meer vergoeding heeft gevorderd van de kosten van onderzoek van de handtekening onder de kwitantie door de forensische schriftexpert ad € 1.270,50 met de wettelijke rente.

3.5

Bij haar tussenvonnis van 27 maart 2013 heeft de rechtbank de wijziging door de man van zijn subsidiaire en meer subsidiaire reconventie als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten, de vorderingen van de man tot verklaring voor recht en tot vergoeding van € 1.270,50 niet toewijsbaar geoordeeld, geweigerd om op een beslissing terug te komen en bepaald dat de getuigenverhoren konden worden voortgezet.

3.6

Na verdere getuigenverhoren en wisseling van diverse processtukken heeft de rechtbank in haar eindvonnis van 23 juli 2014 (verder: het eindvonnis) in conventie bewezen geoordeeld dat de overeenkomst van geldlening d.d. 5 december 2010 door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen en daarom door de vrouw terecht is vernietigd, de vordering van € 48.000 wegens geldlening opeisbaar geoordeeld alsmede in reconventie het beroep van de man op vernietiging van de overeenkomst (de verklaring) van 13 september 2010 wegens bedreiging door de vrouw afgewezen. Ten slotte heeft de rechtbank in conventie de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 48.000 met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2012 en in reconventie de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van (€ 2.364,07 + € 1.000 =) € 3.364,07 met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2013, telkens met afwijzing van het meer of anders gevorderde en proceskostencompensatie.

3.7

Bij zijn memorie van grieven heeft de man zijn vordering in reconventie aldus gewijzigd dat deze thans luidt dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal vernietigen de overeenkomst van geldlening d.d. 5 december 2010 voor zover die in conventie om welke reden ook in stand zou blijven;

2. zal vernietigen de verklaring/overeenkomst van 13 september 2010;

3. zal vernietigen de schenkingsverklaring (de brief) van 1 november 2009;

4. voor recht zal verklaren dat de kwitantie/verklaring van 25 augustus 2009 rechtsgeldig is en in stand dient te blijven;

5. de vrouw zal veroordelen om aan de man te vergoeden de kosten van onderzoek (van de kwitantie) door de forensisch schriftexpert van € 1.270,50, vermeerderd met de wettelijke rente;

6. de vrouw zal veroordelen tot betaling aan de man van € 18.750 wegens het totaal van de bijdragen in de woonlasten in verband met de samenwoning van partijen in de woning van de man gedurende de periode augustus 2008 tot en met augustus 2010 van € 750 per maand onder aftrek van een op 26 juli 2010 daarop in mindering betaald bedrag van € 700, te vermeerderen met de wettelijke rente;

7. de vrouw zal veroordelen tot betaling aan de man van € 3.241,98 onder verrekening van het daarop in mindering betaalde bedrag van € 1.000 op 30 juli 2014 in verband met de door de vrouw veroorzaakte schade aan de auto van de man, te vermeerderen met de wettelijke rente;

8. de vrouw zal veroordelen tot terugbetaling aan de man van het door hem ter uitvoering van het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis van 23 juli 2014 aan de vrouw betaalde bedrag van € 51.578,45, vermeerderd met de wettelijke rente;

9. kosten rechtens.

3.8

De vrouw heeft in haar memorie van antwoord onder meer geconcludeerd tot veroordeling van de man in haar daadwerkelijke proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, zulks nader op te maken bij staat. Voorts heeft zij ter comparitie in hoger beroep haar vordering in conventie aldus vermeerderd dat het hof bij uitvoer bij voorraad te verklaren constitutief arrest het op 9 oktober 2015 door de man gelegde conservatoir beslag op haar woning aan de [adres] zal opheffen.

4 De beoordeling van de grieven en de vorderingen

4.1

Bij de overeenkomst van geldlening d.d. 5 december 2010 zijn partijen overeengekomen dat het na terugbetaling door de man van € 100.000 resterende bedrag van € 48.000,00 werd omgezet in een renteloze lening zolang de man zou leven. In rov. 2.8 tot en met 2.10 van het eindvonnis heeft de rechtbank de getuigenverklaringen samengevat en in rov. 2.11 tot en met 2.13 de door de vrouw ingeroepen vernietiging van deze overeenkomst gegrond verklaard wegens misbruik van omstandigheden door de man op grond van de volgende overwegingen:

“2.11 Op 5 december 2010 waren louter partijen aanwezig op het moment van ondertekenen van overeenkomst VII. De vrouw heeft verklaard dat zij zich door de man bedreigd voelde (…). De man heeft een andere lezing van hetgeen op die datum is voorgevallen. De verklaring van de vrouw kan, nu zij partijgetuige is, geen bewijs in haar voordeel opleveren tenzij deze verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Beoordeeld dient te worden of de verklaringen van de door de vrouw voorgebrachte getuigen als dergelijk onvolledig bewijs kunnen gelden. Het betreft zonder uitzondering getuigenissen van horen zeggen (testimonium de auditu). De verklaringen zijn daardoor echter niet minder relevant, omdat de getuigen verklaren over hetgeen de vrouw hen op of kort na 5 december 2010 heeft verteld over hetgeen volgens haar op die datum was gebeurd. De verklaringen zijn consistent; de getuigen verklaren dat de vrouw overstuur was omdat zij zich, naar eigen zeggen, gedwongen had gevoeld overeenkomst VII te ondertekenen.

2.12

Op grond van de verklaringen, in onderling verband en samenhang met de verklaring van de vrouw bezien, kan bewezen worden geacht dat overeenkomst VII door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. (…) is voldoende komen vast te staan dat de man misbruik heeft gemaakt van de gemoedstoestand van de vrouw in de betreffende periode waarin de verhouding tussen partijen sterk van karakter wisselde (…). Uit de verklaringen van de man en de vrouw volgt dat de man de overeenkomst heeft opgesteld. Hij was als jurist (veel) meer deskundig op dat terrein dan de vrouw. Aangenomen wordt dat hij bij de vrouw heeft aangedrongen op ondertekening van overeenkomst VII en de vrouw dit heeft gedaan om hem ter wille te zijn, enerzijds om mogelijk de relatie te redden en anderzijds omdat de man daartoe druk uitoefende. Een en ander houdt misbruik van omstandigheden in.

2.13

Gelet op die slotsom is overeenkomst VII vernietigbaar. (…)”.

Hiertegen richt de man zijn grief VII, die de vrouw bestrijdt.

4.2

Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en neemt dit hier over. De ondertekening van deze akte heeft zich slechts afgespeeld tussen de man en vrouw. Het komt bij misbruik van omstandigheden nogal eens voor dat derden daarbij niet aanwezig en daarvan niet rechtstreeks getuige zijn. Tegen deze achtergrond ligt het voor de hand dat de andere getuigen dan de man en de vrouw slechts kunnen verklaren van horen zeggen, maar hier staat tegenover dat die getuigen de vrouw op of binnen enkele dagen na 5 december 2010, dus bijna heet van de naald, met haar emoties over de door haar geschetste toedracht hebben gehoord, zodat daaraan des te meer realiteitsgehalte en gewicht moet worden toegekend. Uit de verklaringen dat de vrouw volgens [getuige 1] in een hysterische staat verkeerde en volgens de [getuige 2] geobsedeerd was door de relatie, terwijl haar wens om het goed te maken op die getuige een beetje obsessief overkwam, volgt niet dat de door de andere getuigen, onder wie de vrouw, geschetste toedracht onjuist is geweest.

Daarnaast neemt de man inmiddels in hoger beroep het standpunt in dat ook hij belang heeft bij de vernietiging van deze overeenkomst. Dat ontneemt hem reeds het belang bij deze grief. Overigens verzet hetgeen hiervoor is overwogen zich ertegen dat juist de man onder invloed van een druk, dreiging en/of misbruik van omstandigheden de overeenkomst van 5 december 2010 zou hebben gesloten, zodat zijn beroep op vernietiging ook moet worden verworpen.

De grief faalt hoe dan ook.

4.3

Bij de verklaring d.d. 13 september 2010 heeft de man zich verbonden om het door de vrouw bij de aflossing van de hypotheek voorgeschoten bedrag van € 48.000 terug te betalen, uiterlijk op 1 september 2015 of zoveel eerder als zijn financiën dat zouden toelaten, en heeft de vrouw zich verbonden ter compensatie hiervan een bedrag van € 9.000 over te maken naar de man. Volgens deze verklaring werd hiermee de eerdere afspraak (terugbetaling pas in geval van overlijden van de man) ongedaan gemaakt en heeft de man verklaard dat er verder geen overeenkomsten of ondertekende stukken van welke strekking dan ook waren.

4.4

Onder zijn grieven V, VI, VIII en IX komt de man op tegen de afwijzing in rov. 2.14 en 2.15 van het eindvonnis van zijn beroep op vernietiging van de overeenkomst van 13 september 2010 (de verklaring) wegens bedreiging. In hoger beroep baseert de man zijn beroep op vernietiging van de overeenkomst wegens bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden door de vrouw op het volgende.

Op 12 september 2010 heeft de vrouw de man in zijn woning bezocht, opgemerkt dat zij nog € 48.000 van hem tegoed had en dat zijn zoektocht naar de kwitantie vergeefs zou zijn, waarop de man ontdekte dat die uit zijn hypotheekmap was verdwenen. Toen de man haar meedeelde dat hij haar verklaring van 1 november 2009 nog had bewaard, ontstak de vrouw in woede en dreigde zij dat zij de man kapot zou maken door naar de deken van de orde van advocaten te gaan, politieaangifte te doen en hem zwart te maken bij familie, vrienden, cliënten, collega advocaten et cetera. Daarna is zij naar zijn vriend [getuige 1] gegaan. Deze heeft daags erna de man opheldering gevraagd. In zijn bijzijn heeft de man toen met de vrouw gebeld, die tekeer ging met dezelfde forse bedreigingen en zei dat zij hem zwart zou maken bij collega advocaten en cliënten waarvan zij de gegevens uit zijn kantoor had gehaald. De man voelde zich hierdoor zeer ernstig bedreigd omdat ook een valse aangifte bij de politie en klacht bij de deken erg veel spanning en onzekerheid zouden geven, terwijl hij verder werd bedreigd in de uitoefening van zijn praktijk doordat de vrouw kennelijk beschikte over de gegevens van de cliënten van het kantoor, hetgeen tot ernstige financiële schade zou kunnen leiden. Door dit alles onder druk gezet, heeft de man, die zich daardoor zeer ernstig bedreigd voelde, zeer tegen zijn wil deze onjuiste verklaring opgesteld en ondertekend, hetgeen hij anders nooit zou hebben gedaan.

De vrouw heeft een en ander gemotiveerd betwist.

4.5

Voor zijn oordeel verwijst het hof allereerst naar de getuigenverklaring van [getuige 1] , een vriend van de man, van 19 september 2013, welke verklaring onder meer het volgende inhoudt:

"Ik herinner mij dat [geïntimeerde] op een gegeven moment in volkomen hysterische staat, op het hyperventilerende af, bij mij op de stoep stond. (…) wij hebben aan de keukentafel een gesprek gevoerd. [geïntimeerde] vertelde mij dat [Appellant] dingen van haar wilde en haar onder druk had gezet. Ik kon dit niet geloven, want zo ken ik [Appellant] niet. Ik ken hem al vanaf 1986 als een sociale, behulpzame man. Ik heb [geïntimeerde] voorgesteld naar [Appellant] te gaan en een verklaring op te maken waarin alles wat eerder was getekend geannuleerd werd, zodat het probleem uit de wereld was. [geïntimeerde] zei: doen. Ik ben na dit gesprek naar [Appellant] gegaan om te vragen hoe het zat. [Appellant] heeft toen gebeld met [geïntimeerde] . Ik hoorde dat er van alles overhoop gehaald zou worden door [geïntimeerde] , zoals het inschakelen van De Deken. Daarna heeft [Appellant] iets opgeschreven, daar stond ik bij, en die verklaring heb ik aan [geïntimeerde] gegeven. Naar mijn idee was daarmee de storm uit de lucht. (…) Ik weet dat het tussen [geïntimeerde] en [Appellant] ging over geld dat zij van hem wilde.

(…) Op de vraag (…) wat het antwoord was van [Appellant] toen ik hem vroeg hoe het zat, antwoord ik dat hij ontkende. Ik heb hem gesuggereerd alle eerdere verklaringen in te trekken. Toen [Appellant] aan de telefoon was met [geïntimeerde] stond ik erbij in zijn kantoor. De dingen die toen gezegd zijn, hebben ertoe geleid dat de verklaring kwam waarin alle eerdere verklaringen geannuleerd werden.

(…) Op de vraag wat [geïntimeerde] zou doen als niet gebeuren (zou , hof ) wat zij wilde, antwoord ik dat zij vertelde dat er verschillende wegen openstonden. Ze kon naar De Deken gaan, naar collega's of de andere mensen in de omgeving van [Appellant] en een actie op touw zetten om [Appellant] stuk te maken. [geïntimeerde] wilde geld van [Appellant] ."

4.6

Het hof wil wel aannemen dat de vrouw druk op de man heeft uitgeoefend om te bereiken dat hij het volgens haar aan hem voorgeschoten c.q. uitgeleende bedrag van € 48.000 voor zijn dood en wel binnen een afzienbare termijn zou terugbetalen. Haar bedreiging met een (valse) politieaangifte, een (valse) klacht bij de deken en/of zwartmaken bij zijn familie, vrienden, cliënten, collega advocaten en cliënten waarvan zij de gegevens uit zijn kantoor had gehaald, moet echter ingevolge artikel 3:44 lid 2 BW wel zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed. De man was destijds ongeveer 16 jaar praktiserend advocaat en moet vanuit die achtergrond redelijkerwijs hebben geweten op welke wijze hij zich kon verweren tegen een in zijn optiek valse politieaangifte en/of een valse klacht bij de deken, waarbij hij zich had kunnen realiseren dat die instanties wel vaker zullen worden geconfronteerd met klachten van teleurgestelde ex-partners, zodat daaraan niet al te veel gewicht moest worden toegekend. Natuurlijk kan ook een advocaat worden bedreigd, zeker wanneer het gaat om openbaarmaking van cliëntgegevens door zijn ex-partner of vroegere telefoniste/secretaresse, maar dan moet ook worden bedacht dat de man als advocaat bij uitstek wist dat hij zich daartegen kon weren door bijvoorbeeld diverse verboden in kort geding tegen de vrouw te vorderen. Daar komt bij dat uit de getuigenverklaring van [getuige 1] , een vriend van de man, naar voren komt dat de vrouw wel dreigde, maar niet zichtbaar wordt dat de man daardoor onder serieuze pressie is geraakt. Juist de aanwezigheid en (niet per se inhoudelijke) betrokkenheid van [getuige 1] , een vriend van de man, vormt een contra indicatie om aan te nemen dat de dreiging zodanig is geweest dat de man daardoor voldoende ernstig werd beïnvloed. Veelzeggend is ook dat de man in eerste aanleg alleen maar heeft gesteld dat hij zich destijds "nogal bedreigd" voelde. Tenslotte valt op dat de vrouw zich toen heeft verbonden tot betaling van € 9.000 aan de man ter compensatie van de eerder genoemde regelingen. Een dergelijke tegemoetkoming van de zijde van de vrouw valt moeilijk te rijmen met een van haar afkomstige ongeoorloofde bedreiging.

Al met al heeft de man onvoldoende gesteld voor de door hem ingeroepen bedreiging waardoor de verklaring van 13 september 2010 tot stand zou zijn gekomen, zodat hij niet aan de door hem aangeboden bewijslevering toekomt en deze grondslag hem niet kan baten.

Voor bedrog eist artikel 3:44 lid 3 BW dat iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Uit het voorgaande blijkt niet en de man heeft ook niet gesteld dat de vrouw zich heeft schuldig gemaakt aan zodanige onjuiste mededeling, verzwijging of andere kunstgreep. Daarom faalt ook deze grondslag.

Voor de in artikel 3:44 lid 4 BW geregelde vernietigingsgrond van misbruik van omstandigheden heeft de man niet met zoveel woorden aangevoerd dat hij door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid werd bewogen tot het aangaan van deze overeenkomst. Een bedreiging met openbaarmaking van cliëntgegevens zou de man als advocaat mogelijk treffen in een noodtoestand of afhankelijkheid, maar hiervoor is reeds uiteengezet dat en op welke wijze hij zich als advocaat daartegen zou kunnen verweren. Deze grondslag gaat dus ook niet op, terwijl bewijslevering niet aan de orde komt.

De overeenkomst in de verklaring d.d. 13 september 2010 is derhalve niet vernietigbaar.

De grieven wat dit betreft worden verworpen.

4.7

Deze overeenkomst is neergelegd in de door beide partijen ondertekende akte d.d. 13 september 2010. Ingevolge artikel 157 lid 2 Rv levert de akte ten aanzien van de verklaring van de man ten behoeve van de vrouw dwingend bewijs op van de waarheid van zijn verklaring, waartegen ingevolge artikel 151 lid 2 Rv tegenbewijs vrij staat. De man beroept zich ten eerste op de kwitantie d.d. 25 augustus 2009 met daarin de verklaring van de vrouw dat de man haar € 48.068,48 in contanten had betaald en ten tweede op haar brief d.d. 1 november 2009 met daarin haar verklaring dat de man de resterende € 48.000 niet behoeft terug te betalen.

4.8

Naar het oordeel van het hof vormt het eerste verweer een betwisting van de door de vrouw gestelde geldlening, het tweede een bevrijdend verweer. Uit de tekst van de overeenkomst/verklaring d.d. 13 september 2010 vloeit allereerst voort dat de man uitdrukkelijk heeft afgezien van eerdere documenten. Dit vindt steun in de getuigenverklaring van [getuige 1] dat de man toen op zijn, [getuige 1] , suggestie alle eerdere verklaringen heeft ingetrokken c.q. geannuleerd. Daarom komt aan die eerdere documenten niet langer waarde toe.

4.9

Ter comparitie in hoger beroep heeft de man echter verklaard dat zijn verklaring dat er verder geen overeenkomsten of ondertekende stukken van welke strekking dan ook waren, enkel betrekking had op de schenkingsverklaring, waarmee hij kennelijk de brief van de vrouw d.d. 1 november 2009 bedoelt. Een nadere uitleg dan dat die schenking een verrassing voor hem was, heeft hij daarover niet gegeven. Hij heeft onvoldoende aangevoerd om voor zijn tweede verweer tot bewijslevering te worden toegelaten, zodat ervan moet worden uitgegaan dat hij van de schenking heeft afgezien.

4.10

Wat betreft de kwitantie d.d. 25 augustus 2009 heeft de man het volgende uiteengezet.

Voordat de rentevast periode van zijn hypotheek eindigde per 1 september 2009, op welke datum hij boetevrij kon aflossen, had hij ruim € 50.000 contant in huis, afkomstig uit de verkoop van zijn boot medio 2008 en een gitaar medio 2009. Hij was er onzeker over of hij de contante betaling van zijn boot moest melden in het kader van de Wet MOT (wat hij nog niet had uitgezocht) en wat wellicht de fiscale consequenties zouden zijn van een storting daarvan op de bank na bijna een jaar, mede gezien het feit dat hij met zijn eigen kantoor door de fiscus als zelfstandig werd aangemerkt. Zijn spaardeposito van € 100.000 zou pas enkele weken na 1 september 2009 vrijvallen. Daarop heeft hij het aanbod van de vrouw aanvaard om het contante geld op haar rekening te storten en vervolgens zijn totale hypothecaire geldlening vanaf haar bankrekening af te lossen, waarna hij het spaardeposito van € 100.000 na vrijval in de loop van september 2009 aan haar zou overmaken. Voor het op 25 augustus 2009 door hem aan de vrouw contant overhandigde bedrag van € 48.068,48 heeft zij de kwitantie opgesteld, ondertekend en aan hem afgegeven. Maar de vrouw heeft de kwitantie op enig moment uit de hypotheekmap van de man weggenomen, hetgeen hij in het gesprek met de vrouw op 12 september 2010 heeft ontdekt. Toen de procedure in eerste aanleg al ver was gevorderd, heeft de man, op zoek naar iets anders, medio oktober 2012 in zijn huis nog een achtergebleven ordner van de vrouw aangetroffen waarin de kwitantie was opgeborgen, waarna hij deze, na schriftonderzoek naar de handtekening van de vrouw, bij akte van 9 januari 2013 in de procedure heeft overgelegd, aldus de man.

4.11

Eerder had de man in de procedure achtereenvolgens verdedigd dat het een lening betrof, toen een schenking, vervolgens een levenslange renteloze lening, waarna de man nu aanvoert dat hij het bedrag van ongeveer € 48.000 tevoren aan de vrouw had gefourneerd. Wie zo vaak van standpunt wisselt, heeft wel wat uit te leggen. Daarnaar ter comparitie in hoger beroep gevraagd, heeft de man uiteengezet dat hij aanvankelijk uit bewijsnood wegens het ontbreken van de kwitantie ervoor heeft gekozen om een andere toedracht op te geven, hetgeen er later toe heeft geleid dat hij gaandeweg zijn verhaal heeft aangepast. De vrouw heeft de achtereenvolgende lezingen van de man gemotiveerd betwist; mogelijk bevat de kwitantie wel haar handtekening maar die heeft zij dan ondertekend met een aantal andere documenten op 12 september 2010 toen de man haar daartoe preste.

4.12

Hierover oordeelt het hof als volgt.

De kwitantie, waarvan de ondertekening door de vrouw niet stellig is ontkend, levert wel ten gunste van de man dwingend bewijs op van de waarheid van de verklaring van de vrouw dat zij op 25 augustus 2009 van hem € 48.068,48 in contanten heeft ontvangen. De in artikel 158 lid 1 Rv neergelegde uitzondering geldt niet aangezien het hier niet gaat om een akte waarin een verbintenis tot voldoening van een geldsom is aangegaan of vastgelegd. Tegenbewijs tegen de kwitantie is echter mogelijk. Maar uiteindelijk rust toch op de vrouw de bewijslast van de geldlening. Een en ander heeft zij bewezen door de in de overeenkomst/verklaring d.d. 13 september 2010 opgenomen wijzigingsovereenkomst en de verklaring van de man dat er verder geen documenten waren. Daarbij komt dat het steeds weer wisselende verhaal van de man is uitgemond in een zo nodeloos ingewikkelde lezing dat deze niet geloofwaardig is. Onduidelijk is waarom de man ervoor heeft gekozen om aanvankelijk in rechte een volgens hemzelf niet op de waarheid berustende lezing van de feiten te presenteren. Het enkele feit dat hij daarvoor geen bewijs had, omdat de vrouw de kwitantie weggenomen zou hebben, kan daarvoor geen rechtvaardiging bieden. Het moest voor de man, advocaat, bovendien vrij gemakkelijk worden geacht uit te zoeken of er daadwerkelijk consequenties waren verbonden aan het bezit van € 50.000 contant in huis wat betreft de fiscus en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (waarin de Wet MOT inmiddels was opgegaan). Dit tweede aspect had hij kunnen voorleggen aan (het bureau van) de deken. Daarbij moet worden bedacht dat ook aan de betaling door de vrouw van de gehele hypotheekschuld van de man fiscale consequenties verbonden konden zijn. Het hele verhaal over de diefstal van de kwitantie en ontdekking daarvan in een door de vrouw in de woning van de man achtergelaten ordner komt zonder enige verankering in ook maar enig vaststaand feit ongeloofwaardig voor. Als zodanig kan ook niet worden aangemerkt de schriftelijke verklaring van de [getuige 2] (productie 20 bij memorie van grieven): aan haar konden geen, desnoods confronterende, vragen worden gesteld en haar verklaring dat de man haar die kwitantie zou hebben laten zien in het begin van 2010 is niet duidelijk aan andere feiten of omstandigheden gerelateerd, zodat aan dat tijdstip onvoldoende geloof kan worden gehecht. Voorts moet worden bedacht dat alle andere documenten er steeds van uitgaan dat de man ook het bedrag van ongeveer € 48.000 van de vrouw had geleend (ook al in de brief van 1 november 2009, waarvoor de man nu de vergezochte verklaring geeft dat dit een creatieve oplossing was van de vrouw om de zaak administratief in orde te maken). Ten slotte is nog van belang dat ook de boekhouder van de man, [boekhouder] blijkens de e-mailreeks van 18 september 2013 (productie 5 bij conclusie na enquête van de vrouw) er op grond van een e-mail van de man van 23 november 2009 van uitging dat hij € 45.000 van de vrouw had geleend om de hypotheek af te lossen, om welke reden de boekhouder deze lening in 2009 heeft opgenomen in de aangifte IB 2009 van de man. Ter comparitie in hoger beroep heeft de man bevestigd dat hij het in 2009 zo extern aan de belastingdienst heeft gepresenteerd. Al met al oordeelt het hof de betwisting van de man dan ook onvoldoende gemotiveerd en het door hem gepresenteerde tegenbewijs (in de vorm van de kwitantie van 25 augustus 2009) ontoereikend. Ander (tegen)bewijs heeft [Appellant] op dit punt niet aangeboden. Daarmee staat de door de vrouw gestelde geldlening in rechte vast.

De grieven falen ook wat dit betreft.

4.13

Ingevolge de verklaring van 13 september 2010 moest de man de € 48.000 aan de vrouw terugbetalen uiterlijk op 1 september 2015 of zoveel eerder als zijn financiën dat zouden toelaten. Met de grieven X en XII bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank in rov. 2.16 van het eindvonnis dat hij niet zou hebben weersproken dat, zoals de vrouw bij akte van 23 januari 2013 aanvoerde, zijn financiën toen reeds dusdanig waren dat hij de € 48.000 kon terugbetalen en dat hij de aanvangsdatum van de wettelijke rente, 27 maart 2012, niet heeft betwist.

4.14

Hierover oordeelt het hof als volgt.

De door de vrouw aangevoerde omstandigheid dat de hypothecaire lening op de woning van de man inmiddels was afgelost, zegt niet alles. De man heeft onweersproken uiteengezet dat hij borg stond voor de overbruggingslening van zijn zoon voor de bouw van een woning van € 269.000 en dat het de bedoeling was dat hij de benodigde financiën zou opbrengen uit zijn kantoorresultaat, hetgeen volgens prognose in de loop van 2015 zou lukken. Volgens de man was zijn financiële situatie ten tijde van het eindvonnis negatief en moesten de geleende bedragen voor de woning van zijn zoon nog worden betaald. De man heeft geld moeten lenen om aan het vonnis te kunnen voldoen. Volgens de vrouw daarentegen was het de man die per se een huis voor zijn zoon wilde kopen. Naar het oordeel van het hof bestond deze situatie reeds ten tijde van de verklaring d.d. 13 september 2010. Het had vervolgens op de weg van de vrouw gelegen om, al was het maar enigszins financieel onderbouwd, uiteen te zetten dat en waarom de man eerder dan de overeengekomen vijf jaarstermijn, welke afliep op 1 september 2015, al financieel in staat was tot vervroegde aflossing over te gaan. Daarom moet worden aangenomen dat de reeds eerder door de vrouw opgeëiste lening pas opeisbaar is geworden op 1 september 2015 en dat de man sedert het verstrijken van die termijn ingevolge artikel 6:83, aanhef en onder a. BW in verzuim was met de terugbetaling, zodat hij pas vanaf die datum de wettelijke rente hierover is verschuldigd.

De grieven zijn in zoverre terecht voorgesteld. De wettelijke rente zal eerst met ingang van 1 september 2015 worden toegewezen.

4.15

Onder grief XII klaagt de man er tevens over dat de rechtbank op de vordering van de vrouw van € 48.000 niet het bedrag van € 9.000 in mindering heeft gebracht dat hij onder de overeenkomst van geldlening d.d. 11 december 2010 aan haar had terugbetaald.

4.16

Hierover oordeelt het hof als volgt.

Nu van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst van geldlening d.d. 11 december 2010 moet worden uitgegaan, valt zonder nadere toelichting van de man, die ontbreekt, niet in te zien dat een door de man daarop gedane terugbetaling van € 9.000 hem nog een tweede keer zou baten doordat deze tevens in mindering wordt gebracht op de geldlening van € 48.000.

De grief wordt in zoverre verworpen.

4.17

In rov. 4.29.6 van het tussenvonnis van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank de vordering van de man tot betaling van een woonvergoeding afgewezen. Daartegen richt de man zijn grief II, die de vrouw bestrijdt.

4.18

Met de rechtbank oordeelt het hof dat niet is komen vast te staan dat partijen zouden hebben afgesproken dat de vrouw een woonvergoeding zou betalen, terwijl een eenmalige betaling door haar van € 700 als “bijdrage woonlasten” (productie 14 bij conclusie van antwoord) daarvan nog geen bewijs oplevert. Ook in hoger beroep heeft de man, op wie ter zake stelplicht en bewijslast rust, verder geen bewijs van deze stelling aangeboden.

De grief treft dus geen doel.

4.19

In zijn grieven III en XI keert de man zich tegen de afwijzing in rov. 2.29.9 van het tussenvonnis van 15 augustus 2012 van de door de man meer gevorderde schadevergoeding dan de door de rechtbank vastgestelde € 1.000 wegens autoschades.

4.20

In dit opzicht staan tussen partijen de volgende feiten vast.

Toen de vrouw de auto van de man bestuurde, heeft zij twee aanrijdingen gehad. Op een parkeerterrein bij Albert Heijn in De Bilt heeft zij met de rechterzijde een betonnen bol of paal geraakt, hetgeen krassen heeft veroorzaakt aan de onder(zij)kant van de auto. Verder heeft zij bij een invoegmanoeuvre vanaf een oprit naar de snelweg met de linkerzijde van de auto van de man een op die snelweg rijdende auto geschampt, hetgeen tot enkele krassen heeft geleid. Autoschadehuis De Bilt B.V. heeft op verzoek van de man een schadecalculatie d.d. 15 februari 2010 (productie 15 bij conclusie van antwoord in conventie) opgemaakt tot herstel van het portier links en de dorpel rechts alsmede de zijpanelen links en rechts, hetgeen vervanging nodig maakte van de stootlijsten van de portieren links en rechts en de lijsten van de zijpanelen links en rechts. Volgens deze schadecalculatie bracht dit de noodzaak mee van in- en uitbouw van daklijsten, portiergrepen, slotcilinders, afdichtingen, ruitgeleidingen, sierlijsten en buitenspiegels alsmede zijbekledingen, wielkuipen, wielen en sierlijsten, spuiten etc. Het rapport sluit op reparatiekosten ad € 3.241,98 inclusief btw.

4.21

Naar het oordeel van het hof is van algemene bekendheid dat schijnbaar kleine aanrijdingen met een auto veelal tot substantiële schadeposten leiden, aanzienlijk hoger dan de bestuurder had gehoopt en verwacht. De in de schadecalculatie opgenomen posten zijn zeer wel verenigbaar met deze beide aanrijdingen. Met name heeft de vrouw geen argumenten aangevoerd waarom het geen passende schadecalculatie zou betreffen of waarom daarin posten zouden zijn opgenomen die niet samenhingen met of gerechtvaardigd werden door de reparatie van beide aanrijdingsschades. Er bestond daarom geen aanleiding om, zoals de rechtbank heeft gedaan, de schadevergoeding te beperken tot € 1.000.

De beide grieven slagen, zodat ook het meer gevorderde zal worden toegewezen met de wettelijke rente.

4.22

In rov. 4.7 van het tussenvonnis van 27 maart 2013 heeft de rechtbank de vordering tot vergoeding van de kosten ad € 1.279,50 van de forensisch schriftexpert afgewezen. Deze had onderzoek gedaan naar de echtheid van de handtekening van de vrouw onder de kwitantie d.d. 25 augustus 2009.

Hiertegen richt de man zijn grief IV. Volgens hem spreekt de vrouw over veel zaken niet de waarheid en heeft hij, om te voorkomen dat de procedure door een ontkenning van de vrouw van haar handtekening langer zou duren, waarna hij zou moeten wachten totdat hij zou worden toegelaten tot het bijbrengen van het bewijs, het forensisch onderzoek direct laten verrichten. Deze omstandigheden zijn naar de opvatting van de man aan de vrouw toe te rekenen, om welke reden zij de kosten daarvan dient te dragen. De vrouw heeft een en ander gemotiveerd betwist.

4.23

Hierover oordeelt het hof als volgt.

Geconfronteerd met de kwitantie heeft de vrouw haar handtekening daaronder niet stellig ontkend. Het schriftonderzoek bleek dus achteraf overbodig. Hetgeen de man heeft aangevoerd om dit onderzoek op voorhand te laten uitvoeren, is onvoldoende en vormt geen grondslag om de vrouw te belasten met de kosten ervan.

De grief wordt verworpen.

4.24

Grief I van de man heeft nog betrekking op diverse oordelen van de rechtbank over diverse wijzigingen van eis. Nu hij in hoger beroep zijn eis in reconventie opnieuw heeft gewijzigd en de vordering in conventie van de vrouw voldoende duidelijk is, heeft de man bij deze grief geen belang meer, zodat deze geen doel treft.

4.25

De door de vrouw ter comparitie in hoger beroep ingestelde vordering tot opheffing van het op 9 oktober 2015 door de man gelegde conservatoir beslag komt niet in strijd met de zogenaamde twee conclusie regel omdat de man dit beslag pas heeft gelegd nadat de vrouw haar memorie van antwoord op 29 september 2015 had genomen. Ter comparitie in hoger beroep is deze vordering uitvoerig behandeld en heeft de man alle gelegenheid gekregen daarop inhoudelijk te reageren.

4.26

De man heeft op 30 juli 2014 ter voldoening aan het eindvonnis € 51.578,45 aan de vrouw betaald. De man verlangt de restitutie hiervan en heeft het verleende verlof tot conservatoir verhaalsbeslag voor zijn restitutievordering en overige vorderingen verkregen op de verduisteringsgrond "dat verweerster doende is met een verhuizing naar het buitenland (Italië) en zij de vakantiewoning te koop heeft aangeboden". De vrouw heeft daartegen aangevoerd dat het voor haar normaal is om in het buitenland te verblijven en dat haar woning niet te koop staat. Tegenover deze gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man de door hem gestelde vrees voor verduistering niet aannemelijk gemaakt. Zoals hierna zal blijken, wordt zijn restitutievordering ook nagenoeg volledig afgewezen. Van zijn overige vorderingen wordt slechts een klein deel (het meer gevorderde aan autoschades) toegewezen. Daarom zal het hof het conservatoir beslag opheffen.

4.27

Partijen hebben geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden leiden. Daarom wordt aan bewijsaanbiedingen niet toegekomen.

5 De slotsom

5.1

Het hoger beroep faalt, behalve de grieven III, X, XI en XII, welke deels slagen. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd, behoudens voor zover daarbij in conventie de wettelijke rente over het bedrag van € 48.000 is toegewezen vanaf 27 maart 2012 en in reconventie het meer of anders gevorderde is afgewezen. De schade aan de auto ad € 3.241,98 moet integraal worden vergoed, zodat nog extra aan de man toewijsbaar is € 2.241,98, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2013. In zoverre zullen de vonnissen van 15 augustus 2012 en het eindvonnis worden vernietigd. Het door de man in hoger beroep in reconventie meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5.2

De restitutievordering van de man zal worden afgewezen, behoudens voor zover hij over € 48.000 wettelijke rente heeft betaald gedurende de periode van 27 maart 2012 tot 1 september 2015, waarvoor de restitutievordering wel toewijsbaar is.

5.3

Het conservatoir beslag zal worden opgeheven.

5.4

Gelet op de omstandigheid dat partijen levensgezellen waren en de geschilpunten hieruit voortvloeien, zijn de kosten van de eerste instantie terecht en zullen de kosten van het hoger beroep eveneens worden gecompenseerd zoals hierna vermeld. De vordering van de vrouw tot vergoeding van haar werkelijke proceskosten strandt hierop.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 15 augustus 2012, van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 27 maart 2013 en van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 23 juli 2014 behoudens voor zover in het laatste vonnis de wettelijke rente over € 48.000 is toegewezen vanaf 27 maart 2012 en voor zover het meer of anders gevorderde is afgewezen, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt in conventie de man tot betaling aan de vrouw van de wettelijke rente over € 48.000 vanaf 1 september 2015 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van het door hem ter uitvoering van het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis van 23 juli 2014 betaalde bedrag wegens wettelijke rente over € 48.000 gedurende de periode van 27 maart 2012 tot 1 september 2015;

heft op het op 9 oktober 2015 door de man gelegde conservatoir beslag op de woning van de vrouw aan de [plaatsnaam] ;

veroordeelt in reconventie de vrouw tot betaling aan de man van € 2.241,98, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2013 tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten in hoger beroep draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, A.E.F. Hillen en H.L. Wattel, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2016.