Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:825

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
WAHV 200.151.148
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

6 EVRM. Het stellen van een beroepstermijn is geen ongerechtvaardigde beperking op het recht op toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Er bestaat daarom geen aanleiding om voorbij te gaan aan de termijnoverschrijding. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.151.148

5 februari 2016

CJIB 160102547

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 3 oktober 2013

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. H.F.M. Struycken,

kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 13 april 2015, 14 april 2015 en 10 september 2015 zijn brieven van de gemachtigde ontvangen en is verzocht om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De zaak is behandeld ter zitting van 22 januari 2016. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. C.T. Brontsema.

Beoordeling

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.

2. Blijkens de gedingstukken is de bestreden beslissing op 15 oktober 2013 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 26 november 2013. Het beroepschrift is gedateerd 19 juni 2014 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 20 juni 2014 ter griffie van de rechtbank ingekomen. Het hoger beroep is dus niet tijdig ingesteld.

3. De gemachtigde van de betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding dient te worden gepasseerd, omdat door de gemachtigde een beroep wordt gedaan op de bepalingen in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Nationale regelgeving is daaraan ondergeschikt, zodat eerst een beoordeling dient plaats te vinden van de beginselen in het EVRM, voordat aan een eventuele termijnoverschrijding op grond van de nationale regelgeving kan worden toegekomen.

4. De omstandigheid dat de afdoening van verkeersrechtelijke overtredingen in een administratiefrechtelijke procedure geschiedt, neemt niet weg dat er sprake is van een 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zoals ook ten tijde van de ontstaansgeschiedenis van de WAHV onder ogen is gezien (vgl. EHRM 21 februari 1984, Serie A Vol.73, NJ 1988/937, "Özturk") en in bestendige rechtspraak van de Hoge Raad en het hof is weergegeven. Dit brengt mee dat aan de betrokkene in deze procedure een beroep toekomt op de in het EVRM vervatte beginselen met betrekking tot de rechtspleging.

5. Dit recht op toegang tot de rechter is in de woorden van het Europese Hof niet onbegrensd (vgl. EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80, Lithgow en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, Series A no. 102, punt 194):

“a) The right of access to the courts secured by Article 6 par. 1 is not absolute but may be subject to limitations; these are permitted by implication since the right of access “by its very nature calls for regulation by the State, regulation which may vary in time and in place according to the needs and resources of the community and of individuals”.

b) In laying down such regulation, the Contracting States enjoy a certain margin of appreciation, but the final decision as to observance of the Convention’s requirements rests with the Court. It must be satisfied that the limitations applied do not restrict or reduce the access left to the individual in such a way or to such an extent that the very essence of the right is impaired.

c) Furthermore, a limitation will not be compatible with Article 6 par. 1 if it does not pursue a legitimate aim and if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be achieved.”

6. Naar het oordeel van het hof wordt door het stellen van een beroepstermijn geen ongerechtvaardigde beperking gesteld aan het recht op toegang tot de rechter en wordt de toegang tot de rechter niet zozeer beperkt dat het betrokken recht in de kern wordt aangetast. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de termijnoverschrijding en het beroep ten gronde te behandelen.

7. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.

8. Derhalve bestaat geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten, zodat het hof dit verzoek zal afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

wijst af het verzoek om vergoeding van kosten.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.